Het InHolland-syndroom

Studeerbaarheid? Competentiematrix?

Sinds het diplomaschandaal bij Hogeschool InHolland is de regelzucht in het hoger onderwijs tot ongekende hoogten gestegen. De menselijke maat is zoek.

Onlangs overkwam me iets vreemds. Bij een kennismakingsgesprek met een nieuwe groep studenten vertelde een van hen dat ze het vak al gedaan had, ja zelfs had afgesloten met een 8,5, maar nogmaals moest doen. Hoe kan dat nu? vroeg ik. Het antwoord was ingewikkeld én eenvoudig. Eenvoudig was dat de student op het moment dat ze het vak had gedaan niet ingeschreven stond. Ingewikkeld was dat de herhaling het gevolg was van misverstanden. Daarbij had de student fouten gemaakt, maar ging ook de opleiding niet vrijuit. Vandaar dat ik een briefje schreef aan de commissie die over dit soort zaken gaat, de zogenoemde examencommissie, en vroeg of het klopte dat de student vanwege ‘administratieve redenen’ het vak nogmaals moest doen. Antwoord, ik citeer: ‘Niet geloven wat een student allemaal zegt. Als X. zegt dat ze de redactie [het vak] heeft gehaald en puur om administratieve redenen over moet doen, liegt ze.’ Hieraan werd toegevoegd: ‘Meer kan ik er vanwege de privacy van de student niet over zeggen.’

Ik vermoedde iets ernstigs. Plagiaat, intimidatie, bedrog, seks, zoiets. Alleen zo’n groot vergrijp kon de even scherpe als vage reactie van de commissie verklaren. Maar de student ontkende alle eventuele pijnlijkheden. Zij was onhandig geweest, de opleiding overigens eveneens want die had haar het vak wel laten volgen, maar zij moest voor het geklungel de tol betalen: drie maanden studievertraging. Ten bewijze stuurde de student me de correspondentie met de examencommissie. Daaruit kon ik inderdaad niets anders opmaken dan dat: administratieve perikelen.

Regels zijn regels en ik kan me dus voorstellen dat een student vanwege de overtreding daarvan een vak opnieuw moet doen. Ondertussen had ik wel te horen gekregen dat zij loog, maar werd me niet verteld waarover. Vandaar dat ik de student vroeg of zij in deze haar privacy wilde bewaren. Dat wilde ze niet. Vervolgens schreef ik opnieuw een mailtje aan de examencommissie en vroeg of mij over die leugen meer verteld kon worden. Antwoord van de ‘excie’, ik citeer wederom: ‘Het spijt me zeer, maar ik ben aan regels gebonden. Het mag niet. En student mag jou overigens de mailwisseling met excie niet sturen. Daar zit een disclaimer op.’

Ik schoot in de lach. Het is zo dwaas, zo formeel, zo zinloos. Niettemin reageerde ik serieus: ‘Dan hebben we helaas een probleem. Ik kan hier geen genoegen mee nemen. Natuurlijk mag die student me mail sturen. We leven in een wereld waarin zelfs de geheimen van de Amerikaanse geheime dienst op straat liggen en dan zeker niet de “geheimen” van een mini-bureautje, geheimen die mij rechtstreeks aangaan, niet geheim zijn en mij door de betreffende persoon nadrukkelijk verteld worden.’

Aldus leek een knullig akkefietje een interessante zaak te worden. Ik besloot een en ander uit te zoeken. Dat moest zonder de hulp van de examencommissie. Die bleef zich verschuilen achter ‘het beroepsgeheim’. Waar je dan in terechtkomt! Daarbij vergeleken zijn telefoonmaatschappijen, banken en energieleveranciers kattenpis. Van ondoorgrondelijke krochten is in de regulatureluur van het Nederlands onderwijs al lang geen sprake meer. Het zijn volledige schaduwsteden, type soek. Je verdwaalt, hoe dan ook.

Voordat het zo ver kwam ontdekte ik dat de zaak van deze student verre van alleen stond. Want het bericht van mijn onderzoekje naar de verbureaucratisering, regelziekte en examenbureaupoespas op onze faculteit was nog niet rondgegaan of ik kreeg de ene na de andere affaire te horen. Ze komen steeds weer op hetzelfde neer: administratief gedoe, regeltjes, onduidelijkheden, misverstanden, bureaucratie, organisatorisch gerommel.

Bureaucratie, in het onderwijs en elders, is voor iedereen, zelfs voor de bureaucraten, een groot probleem. Dat weten we, in ieder geval weet ik het wat het onderwijs betreft, al lang. Vandaar dat ik er in 2007 een boekje over schreef. Het draagt de titel Het zand in de machine: Managerscultuur in Nederland en concludeert dat er maar één manier is om uit het slop te komen: decentralisatie, terug naar de kerntaak (onderwijs, ziekenzorg, productie) en herplaatsing van het zwaartepunt van de regelaars naar degenen die voor de kerntaken verantwoordelijk zijn. Destijds maakte ik me niet de illusie dat er iets zou veranderen. Maar wat ik niet kon voorzien, was dat er iets gebeurde wat de zaak niet één of twee maar tien keer erger maakte.

Op 10 juli 2010 publiceerde de Volkskrant twee korte artikelen over perikelen bij Hogeschool InHolland. Deze hogeschool is een kolos, in 2003 ontstaan uit een fusie van vier hogescholen in de provincies Noord- en Zuid-Holland, en heeft vestigingen in Amsterdam, Den Haag, Dordrecht, Haarlem en elders. In Haarlem, in het bijzonder bij de mediaopleiding aldaar, zou het volgens de Volkskrant goed mis zijn. 250 studenten, zogenoemde langstudeerders, zouden ten onrechte een diploma ontvangen hebben. ‘De kern van de diplomatruc’, aldus de krant, ‘was dat studieachterstanden van de ouderejaars werden kwijtgescholden en dat zij na het schrijven van een eenvoudig werkstuk binnen enkele weken hun diploma kregen. Het afstudeercijfer was steevast een zeven. Het traject werd uitgevoerd door twee docenten in opdracht van het opleidingsmanagement.’ De raison achter dit vreemde gedrag hoefde niet ver gezocht te worden. ‘De opleiding kampte met grote aantallen ouderejaars die maar geen diploma haalden. Als studenten niet afstuderen, loopt een opleiding al snel tienduizend euro of meer aan overheidsbekostiging mis.’

Dit treurige bericht bracht de bal aan het rollen. In de weken erna buitelde het van de onthullingen over wat al spoedig bekend stond als het ‘InHolland-schandaal’. Al in september kwam een commissie onder voorzitterschap van Gerd Leers tot de conclusie dat er veel mis was bij genoemde opleiding en dat dit zijn weerslag kon hebben op heel de hogeschool. Veel ruimte, weinig rekenschap luidde de titel van het rapport waarin dit gesteld werd. Als een papiertje niet waard is wat het pretendeert waard te zijn, aldus de suggestie, zou het hele onderwijs wel eens als een pudding in elkaar kunnen zakken.

Commissies werden benoemd, rapporten opgesteld en maatregelen aangekondigd. Het doel was steeds: controle

Dat is precies wat in de daaropvolgende maanden dreigde te gebeuren. De gelegitimeerde fraude bij de Haarlemse mediaopleiding bleek slechts het topje van een ijsberg, met als gevolg dat zich rond InHolland een soap voltrok waarbij media en omstanders weliswaar de vingers aflikten, maar die betrokkenen, studenten voorop, almaar verdrietiger maakte. Wat een zooitje. En aangezien spoedig bleek dat dit zooitje niet tot één hogeschool beperkt was, groeide de onrust.

Een van de uitkomsten van die onrust was een in februari 2011 door de hbo-raad opgesteld advies om de commissie die controle uitoefent op de betrouwbaarheid van cijfers en diploma’s onafhankelijk te maken (Geslaagd: Handreiking examencommissies). Letterlijk stond in dat advies dat ‘niemand aan het college van bestuur hiërarchisch verantwoording hoeft af te leggen over het functioneren in de examencommissie; geen personen deel uitmaken van een examencommissie, als ze tevens financiële verantwoordelijkheid dragen voor het reilen en zeilen van de organisatie; ze slechts van deze spelregels afwijkt als de kwaliteit van de examens er aantoonbaar onder lijdt’.

Het leek een onvermijdelijke stap. Toestanden als bij InHolland mochten nooit meer voorkomen. Diploma’s in ruil voor geld, dat kan niet. De oplossing was een commissie die met geld en andere bestuurszaken niets van doen heeft en enkel en alleen verantwoordelijk was voor de kwaliteit van het onderwijs, lees de toetsing: een krachtige en, dat is belangrijk, geheel onafhankelijke examencommissie.

De onrust ten gevolge van de gebeurtenissen bij InHolland, de opwinding in de media, de vragen van de politiek en de maatregelen van verantwoordelijke instanties als de hbo-raad had alom alarmbellen doen rinkelen. Vandaar dat bij zo goed als alle hogescholen en op veel universiteiten commissies werden benoemd, rapporten opgesteld en maatregelen aangekondigd. Het doel was steeds hetzelfde: controle, lees betrouwbaarheid. Het mocht niet zo zijn dat een docent ‘zomaar iets deed’ of dat financiële of andere oneigenlijke overwegingen invloed hadden op het onderwijs, dat een beoordeling onvoldoende verantwoord werd en dat Jantje een zes kreeg voor hetzelfde werk waarvoor Pietje een acht ontving. Talloze personen en commissies, liefst gesteund door externe adviseurs die weinig van onderwijs maar veel van regels weten, bogen zich over de vraag hoe een en ander georganiseerd kon worden. Vandaar de plotse wildgroei aan lijstjes met criteria, voorwaarden, competenties en Joost weet wat meer. Vandaar ook de steeds grotere macht die aan de examencommissies werd toegekend. Accountability werd een van de nieuwe toverwoorden. Rekenschap geven, verantwoording afleggen. Immers zonder deze kregen we ‘InHolland-toestanden’.

Angst voor dergelijke toestanden bracht de Hogeschool Utrecht (HU), mijn werkgever, in 2011 tot een project met de titel Van cijfer tot diploma. In het jaarverslag wordt de achtergrond ervan als volgt omschreven: ‘Eind 2010 werd geconstateerd dat de HU op een aantal aspecten kwetsbaar is in de processen van resultaatverwerking en onderwijslogistiek. Omdat de HU van mening is dat de waarde van een diploma nooit ter discussie mag staan, is in 2011 de kwaliteitszorg op het gebied van cijferregistratie en diplomering versterkt. In het project Van cijfer tot diploma zijn de processen en de taken, rollen en bevoegdheden van de actoren in de processen beschreven en vastgesteld. Daarnaast is het beheersingsproces rondom de bewaking van de resultaatverwerking en het diplomeringsproces aangescherpt.’

Alleen al dit taalgebruik doet het ergste vrezen. De website waarop het geheel uit de doeken wordt gedaan duizelt van de ondoorgrondelijke schema’s, moeilijke woorden en geestverstijvende neologismen als studeerbaarheid, proceseigenaar en monitortool. Bij dit alles verscheen zelfs een handboek met als ondertitel Onderwijs-logistieke processen. In dat handboek en elders op de websites van de Hogeschool Utrecht staat het doel van het project Van cijfer tot diploma ‘duidelijk’ omschreven. Aldus: ‘Door de gemaakte afspraken nauwgezet na te leven, zijn wij in staat om verantwoording af te leggen en transparantie te betrachten over de waarde van elk uitgegeven diploma of getuigschrift en over de manier waarop de beoordelingen tot stand zijn gekomen. Het gebruik van de beschikbare auditrapportages maakt het op verschillende manieren en niveaus mogelijk om te volgen of de gemaakte afspraken worden nagekomen of waar zich problemen voordoen, zodat de verantwoordelijke functionarissen tijdig kunnen bijsturen.’

In gewoon Nederlands: in dit handboek staat hoe cijfers en diploma’s gegeven moeten worden. Totale beheersing is noodzakelijk. Zo niet, dan krijgen we… InHolland-toestanden.

En zo werd de kabouter Flierefluit die veel ruimte bood en weinig rekenschap aflegde via de voordeur het hoger onderwijs uit geschopt. Terecht. Maar zoals dat gaat werd ondertussen via de achterdeur een andere ‘kabouter’ binnengelaten. Deze wordt in de eerste plaats vertegenwoordigd door ‘de examencommissie’. Hij oogt sympathiek, verstandig, democratisch, veelbelovend en doorzichtig. Hij is het tegendeel want brengt angst, wantrouwen, kramp. Hij is een macht op zich want wordt door niets en niemand gecontroleerd. Met zijn regels en tabellen doodt hij de menselijke maat. En het ergste: hij demotiveert en ontkracht datgene waar het in onderwijs uiteindelijk om te doen is, zelfstandige, verstandige, creatieve mensen opleiden, die zowel in staat zijn hun eigen leven vorm te geven als bij te dragen aan de open samenleving. Maar voor dit alles heeft het nieuwe duiveltje van het hoger onderwijs geen belangstelling. Hem is het maar om één ding te doen: regels. Als die kloppen, aldus de mantra, komt de rest vanzelf.

Dit gebeurde overigens niet alleen in Utrecht. Het gebeurt overal en overal klinkt op dit moment dan ook dezelfde zucht. Het is welhaast onvermijdelijk daarbij niet aan Goethe’s Faust te denken. Want nadat deze op alle mogelijke manieren geprobeerd heeft het ultieme te bereiken, ontdekt hij dat al zijn toverspreuken en verdere magie (lees: regels) hem geen stap verder hebben geholpen. Integendeel. Maar het is te laat, hem blijft slechts de klacht. ‘Könnt’ ich Magie von meinem Pfad entfernen. Die Zaubersprüche ganz und gar verlernen,/ Stünd’ ich, Natur, vor dir ein Mann allein,/ Da wär’s der Mühe wert, ein Mensch zu sein.’

Het verdwijnen van de menselijke maat maakt dat iedereen zegt dat hij of zij er niets aan kan doen: ‘Ik heb het niet bedacht’

Ein Mensch zu sein, de menselijke maat. In een recent gesprek vertelden twee van mijn studenten van het verdriet dat hen in een nabij verleden had overvallen. De een verloor haar moeder, 52 jaar jong, plotseling. De ander verloor haar moeder bijna, kanker. Door deze ingrijpende ervaringen liepen beide studenten veel studievertraging op. Dat was des te vervelender omdat die vertraging plaatsvond op een moment dat het curriculum weer eens op de schop ging. Gevolg: de vakken die ze moesten afmaken, bestonden niet meer en de vakken die bestonden waren volstrekt anders dan de vakken die ze eerder hadden gedaan. Gevolg: ze moesten alles opnieuw doen. De beslissende instanties, examenbureau voorop, toonden geen enkel begrip. Dit met de woorden – althans volgens beide studenten: ‘Het is jou zelf toch niet overkomen.’

Juist of niet (het is zo grof dat ik het me nauwelijks kan voorstellen), deze gevallen tonen het eerste en misschien wel belangrijkste gevolg van het InHolland-syndroom. Het is inderdaad precies zoals Faust aan het eind van het vijfde bedrijf ontdekt: dat door het pact met de duivel de menselijke maat verdwenen is. Iedereen die met studenten werkt, weet dat er velen zijn die proberen de kantjes eraf te lopen. Iedereen die nadenkt over InHolland-toestanden begrijpt dat heldere afspraken nodig zijn. Maar als regels een korset worden, doel worden in plaats van middel, dan is er iets goed mis. Uiteindelijk kan over het doel van onderwijs immers geen misverstand bestaan. Een cijfer is geen doel, zelfs een diploma zou geen doel mogen zijn. Kennis is het doel. Zo ook het bijbrengen van de juiste attitude, maar bovenal het verwerven van inzicht. Als een student dergelijke zaken beheerst, verdient hij het daarbij passende cijfer of diploma. Als dit doel betwijfeld wordt of als cijfers en diploma’s doeleinden worden en studenten een middel, dan zijn we diep gezonken.

Onderwijs is prachtig. Ik heb het vaak meegemaakt, dat je met een groep of een individueel persoon werkt, dat je overlegt, bekritiseert, vraagt, prikt, onderwijst en dat er een moment komt dat in deze persoon, ja zelfs in een volledige groep de geest vaart. Het valt nauwelijks uit te leggen en je moet zeker niet proberen zo’n ervaring in schema’s, regels, systemen of Excel-sheets te vatten. Probeer je dat, dan maak je kapot wat goed onderwijs, van Socrates tot heden, altijd is geweest: een ervaring, een prikkeling, een stimulans die de meerwaarde levert waar het uiteindelijk om te doen is.

We zijn diep gezonken. Daarover is eigenlijk iedereen, van docent tot management, het eens. Maar het verdwijnen van de menselijke maat maakt dat iedereen, ook degenen die hoog in de hiërarchie zitten, zegt dat hij of zij er niets aan kan doen: ‘Ik heb het niet bedacht.’ Dit, grof gezegd, Eichmann-argument heb ik de afgelopen tijd zo vaak gehoord dat ik er volstrekt kopschuw voor ben geworden. Want wat blijkt? Uiteindelijk heeft niemand ‘het’ bedacht, is iedereen het ermee oneens maar voert iedereen het uit omdat het ‘nu eenmaal zo moet’. Zo zijn de regels. Volgens de docenten komen die regels van de managers, volgens de managers zijn ze afkomstig van de directie, deze verwijst naar het hoofdkantoor, het hoofdkantoor naar Den Haag, Den Haag naar de hbo-raad, de hbo-raad weer naar Den Haag en Den Haag naar de zelfstandigheid van de hogescholen of universiteiten die op hun beurt…

Zoals ik al zei: schaduwsteden, type soek, het is onmogelijk niet te verdwalen. Niemand is aanspreekbaar, niemand is verantwoordelijk, iedereen verschuilt zich achter de ander en tezamen verschuilt men zich achter Het Systeem en Zijn Opperkoddebeier, het examenbureau. Het Systeem vormt wat voorheen zoiets als God of heilstaat was: grootheden die ver uitstijgen boven de alledaagse praktijk en die praktijk om die reden zonder mededogen mogen vormen, hervormen, vervormen.

Hard? Overdreven? Oké, een beetje, pour les besoins de la cause, maar toch minder dan je zou denken. Dat komt echter niet doordat het systeem en zijn toezichthouders soepeler zijn dan geschetst. Dat komt – en dat is uitkomst nummer twee van het InHolland-syndroom – doordat er naast de werkelijkheid van het systeem als bij toverslag een tweede werkelijkheid ontstaat. Deze handhaaft wél de menselijke maat en gebruikt wél het gezond verstand, deze kent de traditie en speelt met de onvolkomenheden die het systeem en de regels juist willen uitbannen maar die zich niet laten uitbannen omdat de wereld anders onleefbaar wordt. Waar je ook kijkt, in de literatuur (1984), in de geschiedenis (Sovjet-Unie, Iran nu), in de eigen samenleving, het is steeds hetzelfde: als mensen niet meer mogen doen wat ze gewend zijn en wat volgens het gezond verstand dan wel de menselijke maat gewenst is, vinden ze een omweg, een uitweg, een vluchtweg. Voorbeelden hiervan zijn in het onderwijs tot in het oneindige te vinden. Aan de ene kant is er de papieren, aan de andere kant de echte werkelijkheid. De twee matchen niet en dus wordt gedaan alsof. Gevolg: twee werelden die slechts op het oog één zijn. Iedereen, bureaucraten én professionals, tevreden. Maar wel een leugenwereld.

Universiteiten en hogescholen, die van Utrecht niet in de laatste plaats, hebben excellentie en creativiteit hoog in het vaandel staan. Over het belang daarvan is iedereen het eens: studenten opleiden die op z’n minst met de kop boven de rest uitstijgen en die dingen doen of denken die niet iedereen al gedaan of gedacht heeft. Maar hoe rijm je zo’n lovenswaardig ideaal met een systeem dat de adem beneemt? Niet.

Hetzelfde geldt voor de beoordeling van creatief werk: scripties, essays, reportages, onderzoeksdossiers, fotografie, film, radio. Eenieder die dergelijk werk niet alleen maakt maar ook beoordeelt, weet dat het buitengewoon moeilijk is te zeggen waarom het ene goed is, het andere slecht en het volgende heel erg goed. Deze complexiteit is geen reden om alle regels overboord te gooien of, zoals in mijn studententijd gebeurde, iemand zonder verdere uitleg een 7 of een 9 te geven. Je moet criteria opstellen, je moet die ook zo goed mogelijk toepassen en expliciet maken. Maar je moet – en daarom gaat het – tevens weten en begrijpen dat die regels slechts tot op zekere hoogte kunnen bepalen waarom iets goed of slecht is. Zo geldt zeker voor uitzonderlijk goed werk dat het de criteria ontstijgt, dat het een ongekende combinatie brengt, dat het met de lezer, kijker, luisteraar of het onderwerp iets ‘doet’ wat gewoonlijk niet gebeurt. Dat heeft met magie niets te maken, wel met de erkenning dat niet alles in regeltjes valt te vatten en dat je dat ook niet moet proberen.

Onlangs sprak iemand in mijn aanwezigheid van een competentiematrix van creativiteit. Toen wist ik dat het einde bereikt was en dat ik er goed aan deed een artikel als dit te schrijven. Want een wereld die beheerst wordt door zo’n matrix mogen we niet willen. Dan is een halve eeuw emancipatie voor niets geweest.