Interview J.A.A. van Doorn

Student op avontuur

Ruim een halve eeuw nadat hij als dienstplichtige in Nederlands-Indië legerde, werkte de socioloog J.A.A. van Doorn zijn toen geschreven notities uit in het boek ‹Gevangen in de tijd: Over generaties en hun geschiedenis›. «Die jongens hebben niets gemeenschappelijks, behalve dat ze ooit als militair in Indië zijn geweest.»

Nadat we hebben plaatsgenomen in de serre van het Amsterdamse hotel waar hij logeert, haalt hij een oud, bruin dictaatcahier uit zijn tas. Behoedzaam toont hij de vergeelde bladzijden die hij ruim een halve eeuw geleden volschreef, toen hij als dienstplichtig soldaat op het troepenschip M.S. Sloterdijk richting Nederlands-Indië werd getransporteerd. Het was de zomer van 1947 en de 22-jarige J.A.A. van Doorn bestreed de verveling door veel te lezen en te studeren. Hij had zijn studie sociale geografie moeten afbreken en besloot zijn tijd zo nuttig mogelijk te besteden. Naar eigen zeggen gedroeg hij zich «als een student die door omstandigheden buiten zijn wil in een avontuur is betrokken waaraan hij part noch deel heeft».

Van Doorn dacht op die lange, lege dagen aan boord van dat troepenschip na over een onderwerp dat hij omschreef als «de maatschappelijke breuk». Hij maakte aantekeningen van hetgeen hij zich herinnerde gelezen te hebben over oorlogen, economische crises en cultuurconflicten. Tijdens zijn reflecties op het fenomeen historische discontinuïteit stuitte hij op wat hij noemde «het probleem der generaties». Spanning tussen de verschillende generaties bestaat er altijd, en in dynamische samenlevingen kunnen die spanningen hoog oplopen, maar vooral ten tijde van razendsnelle veranderingen, als er gesproken kan worden van een «maatschappelijke breuk», worden de generatieverschillen heel groot en zichtbaar. Het zijn vooral schokkende gebeurtenissen, zoals oorlogen en revoluties, die heel specifieke generaties voortbrengen. De Indonesische Revolutie, die Van Doorn moest gaan bestrijden, was zo’n gebeurtenis. De laatste notitie over dit thema is gedateerd op 1 november 1947. Zij eindigt met de aansporing: «Dit alles uitwerken».

Dit is nu, 55 jaar later, gebeurd in de vorm van het zojuist verschenen boek Gevangen in de tijd: Over generaties en hun geschiedenis. Van Doorn, die geldt als een van de belangrijkste naoorlogse Nederlandse sociologen, staat niet bekend als systeembouwer. Ook dit boek, dat begonnen is als een essay, is geen systematisch betoog of een alle problemen inventariserende inleiding over dit thema. Het is een reeks verkenningen, voortgekomen uit Van Doorns fascinatie met onderwerpen als tijdgebondenheid en tijdbewustzijn. Zelf geeft hij toe dat hij zich, niet voor het eerst, «méér heeft laten leiden door de bekoring van vergezichten en samenhangen dan door een streven naar systematische analyse». Zodoende passeert een reeks van onderwerpen de revue, zoals het fenomeen literaire generaties, de betekenis van generaties voor bepaalde politieke bewegingen, de plaats van de Tweede Wereldoorlog in het bewustzijn van de tijdgenoten, de identiteit van generaties en de opkomst en teloorgang van het denken in termen van generaties. Het boek opent echter — Van Doorn komt daar herhaaldelijk op terug — met de ervaringen en het zelfbeeld van de generatie van Indië-veteranen.

Het is een in hoge mate «vergeten» generatie, een generatie die lange tijd met redelijk succes uit de collectieve herinnering is verbannen en die daarna voornamelijk in de beklaagdenbank is gezet. Wat zijn de kenmerken van die generatie? J.A.A. van Doorn: «Het is in de eerste plaats natuurlijk een deelgeneratie. Dat is het probleem met het hele begrip ‹generatie›. Je zou eigenlijk een heel schema moeten maken, waarin je allerlei categorieën en subcategorieën uitsplitst. In dit geval is het een deelgeneratie die overwegend een aantal jaarklassen omvat, namelijk de lichtingen 1925 tot en met 1927, behalve dan uiteraard degenen die niet in dienst zijn gekomen. Als ik tweeënhalve maand ouder was geweest was ik niet in Indië terechtgekomen. Zo gering is het verschil tussen leven en dood soms. Maar wat is nu het gemeenschappelijke kenmerk van deze generatie? Dat is eigenlijk alleen de Indië-ervaring. In een periode dat de mensen, in ieder geval de grote massa, hooguit naar de Ardennen gingen of een reisje langs de Rijn maakten, werden deze jongens op een schip gezet en vier weken later in Nederlands-Indië gedropt. Daar begint het al mee, met het geografische element. Het landschap, het klimaat, het eten, de mensen — alles was volstrekt anders dan in Nederland. Dit was een ervaring van volstrekte vervreemding, die jaren duurde. Als je zoekt naar sterke impressies, op een leeftijd waarop die impressies bovendien sterk worden ondergaan, is dit een heel mooi voorbeeld. Als die jongens elkaar nu treffen, bijvoorbeeld in Roermond op 17 september ieder jaar — daar komen dan vijf- à tienduizend man bij elkaar — hebben ze niets gemeenschappelijks, behalve dat ze ooit, ruim een halve eeuw geleden, als militair in Indië zijn geweest.»

Van Doorn zelf heeft tijdens zijn verblijf in Indië een kantoorbaantje gehad en heeft niet aan gevechten deelgenomen. Andere Nederlanders vochten wel, raakten gewond en waren soms betrokken bij oorlogsmisdaden. Zijn de verschillen tussen de leden van deze Indië-generatie eigenlijk niet groter dan de overeenkomsten? Van Doorn: «Die verschillen zijn er natuurlijk, en ze zijn heel groot, maar uiteindelijk identificeert iedereen zich met de totale groep. Ik heb samen met Wim Hendrix over die oorlogsmisdaden in 1970 een boek gepubliceerd met als titel Ontsporing van geweld. Dat heeft bij een aantal mensen nogal wat kwaad bloed gezet, maar evenzogoed ben ik een paar jaar geleden uitgenodigd om te spreken op een bijeenkomst van veteranen. Er viel toen geen onvertogen woord, je hoort bij de club.»

Van Doorn wijst erop dat in kringen van Indië-veteranen altijd heel openlijk over de zogenaamde «excessen» — het eufemisme dat het beladen, met de Duitsers geassocieerde begrip «oorlogsmisdaden» moest vervangen — is gesproken. «Dat zie je bijvoorbeeld in allerlei publicaties die gericht zijn op de rehabilitatie van de Indië-veteranen. Daar wordt heel openlijk over die misdaden geschreven, die worden gewoon toegegeven. Dat hoort er in een oorlog immers bij. Het is vrij dubbel allemaal, en voor buitenstaanders eigenlijk onbegrijpelijk. Hoe kunnen mensen die op heel wezenlijke punten zo scherp tegenover elkaar staan, of op zo verschillende plekken zijn geweest in die archipel, en heel verschillende functies en rangen hebben gehad, hoe kunnen die mensen zich nou met elkaar verbonden voelen? Kijk, dat is nu zo interessant als je praat over generaties. Hier vind je naar mijn idee een generatie die gedeeltelijk een biologische generatie is, waarvan de meeste leden dezelfde leeftijd hebben, maar die op zich sterk van elkaar verschillen. Zij hebben echter de eenheid gevonden in één evenement, dat enkele jaren heeft geduurd, dat onherhaalbaar is en dat daarvoor nooit zo bestaan heeft.»

Als die overweldigende ervaring van het verblijf in Indië zo belangrijk is geweest, dan vallen de Knil-militairen, de zogenaamde Indische Nederlanders er blijkbaar buiten? Van Doorn: «Gedeeltelijk is dat zo, het is inderdaad een andere groep. Daar is ook een zekere rivaliteit mee, ook in die zin dat de Knil-militairen vonden en vinden dat die jongens uit Nederland niet begrepen waar het nu eigenlijk om ging. Ze waren allemaal een beetje te slap. Het omgaan met de inheemse bevolking was voor die Hollandse jongens natuurlijk heel merkwaardig. Ze vonden het allemaal curieus en raar, ze vonden het ook knappe meiden en ze konden er van alles mee, maar ze hadden geen koloniale houding. De Indische Nederlanders daarentegen hadden in de koloniale hiërarchie altijd een hogere positie ingenomen. Zij zagen de bevolking als bedienden, als arbeiders, als minder. Dat hinderde dus veel mensen van het Knil, dat waren ook veel reservisten die waren opgeroepen en die vaak het smerigste werk moesten doen. Ze ergerden zich eraan dat die Hollandse luitjes zo gemakkelijk omgingen met de Indonesische bevolking. Dus er was wel een zekere rivaliteit of spanning, maar daartegenover staat dat er allerlei contacten en soms vriendschappen waren. Er waren verschillen, maar uiteindelijk is er toch een overkoepelende Indische generatie, waar ook de Molukkers bijhoren. Het zijn allemaal mensen die het drama van de ondergang van Nederlands-Indië hebben meegemaakt en onderling is er veel contact.»

Als een indringende, gemeenschappelijke ervaring noodzakelijk is om een bepaalde generatie te creëren, dan horen andere Nederlanders die even oud zijn als Van Doorn niet tot zijn generatie. Het zijn wel leeftijdgenoten, maar geen generatiegenoten. Van Doorn: «Er is uiteraard een duidelijke, overkoepelende oorlogsgeneratie, die echter uit verschillende categorieën bestaat. Zo zijn er de joodse overlevenden, de NSB’ers en SS’ers, de verzetsmensen, de onderduikers en ga zo maar door. Gemeenschappelijk hebben al deze mensen dat ze die oorlog beleefd hebben en dat ze door de oorlog gedwongen zijn geweest om beslissingen te nemen, voor of tegen, goed of fout, flink of lullig. Zelf zat ik tijdens de oorlog op de kweekschool om zo de tewerkstelling in Duitsland te ontlopen. Dat was niet heldhaftig, maar ook niet fout. Ik blijf volhouden dat het interessant is om die oorlog niet alleen te bekijken als een militair, politiek proces, maar om die generatie te zien als een enorme collectiviteit, en te bestuderen hoe de reacties zijn geweest op die uitzonderlijke toestand die oorlog nu eenmaal altijd is. Het zou heel interessant zijn om een vergelijkende studie te maken tussen generaties die de Eerste Wereldoorlog, de Tweede Wereldoorlog, de Vietnamoorlog, enzovoort hebben meegemaakt. Hoe reageren generaties op dat soort uitdagingen?»

Na zijn diensttijd in Indië heeft Van Doorn zijn studie weer opgepakt en is hij uiteindelijk hoogleraar sociologie in Rotterdam geworden. Aanvankelijk beschouwt hij zich als betrekkelijk progressief, en ziet hij voor de sociale wetenschappen een rol weggelegd bij de gestage maar voortdurende vervolmaking van de maatschappij. In de loop van de jaren zestig verdwijnt echter zijn geloof in de «maakbaarheid van de samenleving» en dus ook in de rol die de sociale wetenschappen hierbij kunnen spelen. Hij gaat zich meer toeleggen op cultuurhistorische en cultuursociologische onderwerpen. In deze zelfde periode neemt ook de kritiek op de Indië-generatie toe. Werden de veteranen aanvankelijk genegeerd, en bij officiële dodenherdenkingen op afstand gehouden, nu was er vooral veel kritiek op deze militairen die een hopeloze, smerige koloniale oorlog hadden uitgevochten. Had Van Doorns politieke evolutie iets te maken met deze aanzwellende kritiek, of was het een puur intellectuele ontwikkeling?

Van Doorn: «Nee. Indië speelde geen rol, maar het was evenmin een puur intellectuele ontwikkeling. Het waren vooral ervaringen op de universiteit die de doorslag gaven. Het was de plotselinge, enorme omslag in de politieke mening van veel mensen Als ik met collega’s koffie dronk vertelden ze dat wat er aan de hand was op de universiteiten pure waanzin was, dat wat de studenten wilden volmaakt onzinnig was. Maar op openbare vergaderingen, waar die studenten op de publieke tribune zaten, beweerden ze dan dat we ‹deze jonge generatie natuurlijk niet mogen laten vallen, want zij vormen de toekomst›. Als ik ze daar dan op aansprak, zeiden ze: ik kom uit een rood nest, dit is de massa, daar kun je niet tegenin gaan. Dat was natuurlijk om er een mooie marxistische draai aan te geven, maar ik vond het van een lapzwanzigheid waar ik niets mee te maken wilde hebben.

Het is bij mij dus iets persoonlijks geweest, maar misschien kwam daar ook wel een soort teleurstelling over de crisis in de sociale wetenschappen bij. Dat geloof in de maakbaarheid bleek toch wel een beetje naïef. Er is de bekende uitdrukking: ‹Als je op je twintigste geen socialist bent, heb je geen hart. Als je het op je veertigste nog bent, heb je geen verstand.› Dat is toch een bepaalde vorm van leeftijdsontwikkeling. Dat heb ik ook in mijn vak wel gehad. Ik begon me af te vragen of je met dat ingenieurssocialisme nou wel zo veel kon beginnen.»

Het hanteren van het generatiebegrip is inderdaad iets heel anders dan een model matige, sterk kwantificerende vorm van sociologie die lange tijd populair is geweest. Is het ook niet een erg vaag begrip dat bij toepassing zo sterk gespecificeerd moet worden dat je een zo kleine groep overhoudt dat het woord «generatie» de lading nauwelijks nog dekt? Van Doorn geeft toe dat het een heuristisch begrip is: «De historicus Piet de Rooy noemt het heel fraai een sensitizing concept, het maakt je gevoelig voor bepaalde zaken die je anders niet ziet. Ik merkte dat bijvoorbeeld sterk bij het bestuderen van de geschiedenis van de Nederlandse sociaal-democratie. Allerlei vernieuwingsbewegingen en partijconflicten kun je natuurlijk benaderen met de theorieën van Pareto en Michels, over de oligarchische tendensen binnen partijorganisaties en dergelijke. Maar als je goed kijkt, zie je tevens een generationeel ritme in de vernieuwing, het is steeds een jongere generatie die opkomt en die niet alleen de macht wil overnemen, maar die ook andere ideeën heeft. Overigens beschrijf ik in mijn boek ook duidelijk dat dit denken in generaties in de loop van de twintigste eeuw minder wordt. Eigenlijk manifesteert zich met de protestgeneratie van de jaren zestig voor de laatste keer een jongerenbeweging die zich ostentatief tegen het establishment keert. Hoewel oudere leiders uiteraard nog steeds worden opgevolgd door jongeren, en je op het ogenblik duidelijk ziet dat jong zijn in de politiek als pré wordt gezien, gaat het tegenwoordig niet in de eerste plaats om een generatieconflict. Door de enorme cultus van het jong zijn, de drang van ouderen om er zo lang mogelijk bij te horen, is het onderscheid tussen de generaties vervaagd. Eigenlijk is iedereen tegenwoordig even oud. Bovendien gaan de maatschappelijke ontwikkelingen zo snel dat generaties niet meer de tijd krijgen zich te vormen.»

Het zijn woorden die men van een conservatief, van iemand die niet veel illusies meer koestert, mag verwachten. Lange tijd gold Van Doorn, samen met J.L. Heldring, als een van de zeer weinige uitgesproken conservatieve opinion leaders in ons land. Stemt de opkomst van een nieuwe conservatieve beweging tot tevredenheid? Van Doorn: «Ach, volgens mij gaat het maar om een heel klein clubje, en bovendien geloof ik niet in de mogelijkheid van een brede conservatieve politieke beweging. Conservatisme is meer een geesteshouding, een mentale instelling, de overtuiging dat je niet klakkeloos achter allerlei nieuwigheden moet aanhollen, dat je je realiseert dat niet elke verandering een verbetering is. Het is meer reactie dan actie, het is een soort correctie op bepaalde ontwikkelingen. Het is geen zelfstandige ideologie. Als de ontwikkelingen heel sterk naar één kant doorslaan, vind ik dat een correctie noodzakelijk is. Daarom stem ik dikwijls op partijen die tegen de heersende mening ingaan, en daarom ga ik in januari waarschijnlijk op de SP stemmen.»

J.A.A. van Doorn

Gevangen in de tijd:

Over generaties en hun geschiedenis

Uitg. Boom, 277 blz., € 19,-