Student wordt stukadoor

Jorge Semprun, Schrijven of leven. Vertaling Jeanne Holierhoek. Uitgeverij Meulenhoff, 320 blz., f49,90.
Het is zaterdag 11 april 1987. Jorge Semprun is bezig aan een boek met als werktitel Een man is zoek, maar schrijft op die bewuste dag een fragment dat er niet in past. Het blijkt later het begin van Sempruns autobiografie Schrijven of leven: de beschrijving van een ontmoeting, op 12 april 1945, in het concentratiekamp Buchenwald (een dag na de bevrijding van het kamp), tussen drie officieren in Brits uniform en de tweeentwintigjarige Semprun. De soldaten zijn ontzet omdat ze zagen dat deze Spaanse jongen ‘de dood had doorkruist’.

Semprun schrijft over die blik precies tweeenveertig jaar later, op de dag dat Primo Levi de dood koos ‘door in zijn huis in Turijn in het trapgat te springen’. Aan het slot van zijn verhaal over de geboorte van Schrijven of leven schrijft Semprun dat Levi door de dood is ingehaald. 'Buiten het kamp was, simpelweg, niets waar. De rest was slechts een korte vakantie, een zinsbegoocheling, een vage droom: zo was het.’
In 1945 probeerde Semprun over Buchenwald te schrijven, maar hij kon het niet. Hij kwam tot het inzicht dat hij als het ware een ander moest worden om de dood achter zich te kunnen laten en in leven te blijven. Semprun vertrouwde op het volstrekte vergeten (Blanchot). Hij probeerde het schrijven dat aan hem knaagde te overleven en stortte zich tot 1963 in het ondergrondse communistische verzet tegen Franco-Spanje. Maar op de dag dat Primo Levi het opgaf, kwam Semprun weer midden in Buchenwald terecht. Hij kon erover schrijven, hij kon zelfs de geur van de rook boven het crematorium ruiken en beschrijven. Eindelijk kwam hij bij het wezenlijke aan: niet de som van alle verschrikkingen maar 'de wortel van het absolute kwaad’. Alle slachtpartijen in de geschiedenis hebben hun overlevende gekend maar niemand is levend uit de gaskamers gekomen.
Schrijven of leven is een onthutsende autobiografie, een zuiver verhaal over een poetisch en filosofisch ingestelde jongeman, dat een enorme spanning krijgt omdat Semprun de handeling keer op keer stilzet om, dank zij zijn beeldend associatievermogen, terug in de tijd te springen of op de gebeurtenissen vooruit te lopen. Zijn roman De grote reis, die ook rond Buchenwald draait, kent dezelfde kunstgreep.
'Nee, dat heeft hij niet opgeschreven!’ Zo begint het slothoofdstuk 'Terug naar Weimar’, waarin Semprun met de Duitse televisie teruggaat naar Buchenwald. Die aanvankelijk raadselachtige zin wordt uitgesproken door iemand die heeft ontdekt dat Semprun niet als 'student’ in de Buchenwald-statistieken is terechtgekomen maar als 'stukadoor’, hetgeen Sempruns redding is geweest. Maar de lezer krijgt dat pas na veel zijstapjes, filosofische overpeinzingen en hinkstapsprongen in de tijd te horen.
Schrijven of leven is een autobiografie waarin de herinnering - aan stervende kampgenoten, aan een kaddisj-zeggende man die Semprun te elfder ure tussen een stapel lijken vandaan trekt, aan (nogmaals) de geur van het crematorium - uit het bewuste vergeten is opgediept. Het is ook een boek over herinneren en vooruitkomen, over nieuwsgierig kijken en achterom kijken. Het is niet in de laatste plaats een boek over lezen en leven, of liever gezegd lezen en overleven. De leeshonger van Semprun heeft hem ook op de been gehouden.
Wat Semprun over William Faulkner te berde brengt, zegt alles over Sempruns eigen schrijfhouding als hij al schrijvend 'in het heden van het kamp’ wil doordringen. Absalom, Absalom! heeft een verteltechniek die steeds meer stappen achteruit doet, totdat het boek een wervelende spiraal naar het verleden wordt, 'tot het uiterste, tot het obsessionele doorgevoerd. Wat telt is het geheugen, dat richting geeft aan de krioelende duisternis van het verhaal en het vooruitbrengt…’
Schrijven of leven is misschien het beste te lezen als een persoonlijke brief over het vermogen om te schrijven, na Auschwitz en Buchenwald.