Vooraan zitten ze, zeven op een rij, in een klein lokaal van de Néderlandisztika Tanszék, de afdeling neerlandistiek, aan een universiteit in Boedapest. Zij doen, omringd door hun Hongaarse leeftijdgenoten, gewone studenten na. Ik doe op mijn beurt een dichter na. We hebben het over de onvertaalbare elementen gehad, over neologismen, het verschil tussen ‘paardenstaart’ en ‘staart’ – er bleek een connotatie met het Hongaarse woord voor ‘piemel’ te zijn: gelach alom. De studenten wikkelen slierten haar om vingers, friemelen aan de rafels van hun broek, kijken soms stiekem op hun telefoon. Sommige hebben notitieboekjes met stickers erop; ze zijn jong genoeg om duistere gedachten te combineren met het onschuldige gezicht van Hello Kitty.

‘Juist onze studenten uit Oekraïne willen nu met hun studie bezig zijn’, had het afdelingshoofd me gezegd. ‘Ze hebben hetzelfde niveau als onze eigen studenten. Het Nederlands bindt ons, het Nederlands maakt ons gelijk. Dus gaan we het niet over de oorlog hebben.’

Ik probeer eruit te zien als iemand die altijd over poëzie praat, daar ook volledig in gelooft. Ik leg uit hoe ik soms aan een gedicht werk, zoekend naar de echo van een klank, zoekend naar een ritme dat vanzelfsprekend lijkt. De blikken van de studenten dwalen zo nu en dan af. Naar het raam waarachter de lente ligt. En verder misschien, naar dorpen en steden die buiten bereik zijn, naar huizen en ouders, meisjeskamers, schilderijen, de kat. Een deel van dat alles is voorgoed verdwenen. Maar we praten over het belang van de juiste woorden – voorzover die bestaan.

Een van de studenten, een tenger meisje met een opvallend hoge stem, heeft een gedicht van mij vertaald – een gedicht over kinderen die spelen in de bomen, oudere broers, lange zomeravonden. ‘Is het erg als ik dit regel weg laat?’ vraagt ze. Ze wijst naar de tweede strofe op het bord. ‘Dit regel is in Oekraïens echt beetje gek.’ Haar Nederlands klinkt als alles wat zich moet ontworstelen aan de greep van de vanzelfsprekendheid; het richt zich wankelend op en probeert overeind te blijven. Haar medestudenten knikken, lachend, dat het waar is. ‘In onze taal, er zitten meer… bloemen in de metafoor’, zegt ze verontschuldigend.

Ik wil antwoorden dat gedichten gebruiksvoorwerpen zijn, dat een vertaling óók een verovering is. Kan ik dat woord nu gebruiken? Ik wil haar eigenlijk zeggen dat ik haar alle bloemen en alle metaforen gun, dat ik haar een leven vol bloemen en metaforen gun, in alle talen die ze nog nodig zal hebben. Maar ik zeg alleen dat ik het graag wil horen, die vertaling. We gaan het niet over de oorlog hebben. Ze draagt voor, in haar moedertaal, en ik zie hoe haar gezicht verandert. Hoe haar verlegenheid wijkt voor iets lichters, een trefzekere toon. Hoe moeiteloos haar hoge stem de weg vindt, soepel van de ene naar de andere regel springt en dan tot zwijgen komt, helemaal bovenin. ‘Prachtig,’ zegt de docent. ‘Een eekhoorntje dat een boom in klimt.’

Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was de tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werkelijkheid, de andre schijn.

Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven de dingen uitgeheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.

Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.