Tegen de verloedering van het onderwijs

Studenten terug op de barricaden

Komende week wordt het academisch jaar geopend. Met op verscheidene universiteiten nieuwe studentenpartijen die strijden tegen de verloedering van het onderwijs. Want de academie is de weg weer eens kwijt.

Een avond in mei in een spierwitte hal in het hoofdgebouw van de Landbouw universiteit te Wageningen. Tussen de decoratief bedoelde vijvertjes, kletterende fonteinen en enorme tropische planten zijn ruim vijftig studenten bijeen om te discussiëren over de inhoud van het academisch onderwijs.

«Kennis vergaren is op de tweede plaats gekomen», zegt een meisje. «Het doel is punten halen en enkele vaardigheden opdoen. De universiteit stimuleert een onacademische houding.»

Een docent bosbouw: «Dan loop ik met een groep studenten door het bos, zijn ze volstrekt niet geïnteresseerd. Pas als ik expliciet zeg: dit wordt een tentamenvraag, dan spitsen ze hun oren.»

Het meisje weer: «Ze zijn wel geïnteresseerd, maar ze hebben de tijd en de mogelijkheden niet meer om zich in uw vak te verdiepen.»

De docent: «Maar tweedejaars kunnen potdomme niet eens meer de leeftijd van een boom schatten. Ze zitten er soms meer dan vijftig jaar naast! Dat maakte ik vijftien jaar geleden niet mee, hoor.»

De aanwezigen in Wageningen hebben zojuist ademloos geluisterd naar de gestroomlijnde presentatie van de Amsterdamse gasten van het Democratisch Initiatief Studenten (DIS). Ze menen zich van tijd tot tijd te moeten excuseren richting de groep studenten van de Universiteit van Amsterdam: «Sorry hoor, wij zijn nog niet zo ver als jullie.»

DIS bestaat nog niet lang. De studentenpartij deed dit jaar voor het eerst mee aan de universitaire verkiezingen van de UvA en won overweldigend. De fanatieke campagne die door de oprichters, voornamelijk studenten politicologie en rechten, was gevoerd, had kennelijk effect. Kranten schreven naar aanleiding van het met een heus beginselprogramma opgerichte initiatief verlekkerd van een «opleving» van de ingedutte studentenpolitiek.

«De universiteit is op drift geslagen», meldt DIS in zijn beginselen. En: «De universiteit is niet meer de ivoren toren van kennis zoals zij vroeger wel werd gezien.» Want door het sterk toegenomen aantal studenten is de alma mater verschoolst, zeggen de nieuwe hemelbestormers. De universiteit is niet meer het centrum van de geest waar studenten werkelijk academisch gevormd na enige jaren discussie en verdieping afzwaaien. Ingegeven door marktdenken, of domweg door geld, is de universiteit een leerfabriek met huiswerkklasjes geworden. Een school die mensen aflevert die op modelvragen modelantwoorden kunnen geven.

De groep studenten kreeg al snel na oprichting van DIS bijval uit andere universiteitssteden waar vergelijkbare partijen werden opgericht. Een groep van vijftig hoogleraren onder aanvoering van de Rotterdamse econoom Arjo Klamer, publiceerde het manifest Naar een universitair reveil, waarin eveneens tegen de verschoolsing werd geageerd. Ook het hoge bureaucratische gehalte van de academie werd hierin aan de kaak gesteld.

Bijval genoeg dus, voor DIS. Bij aanvang van het nieuwe studiejaar blijken twee van de oprichters echter nog altijd kritiek te hebben. Ook op het Reveil van de hoogleraren trouwens.

Rechten- en geschiedenisstudent Marc de Wilde: «De verplichtingen van studenten stonden in de discussie opeens centraal. De universiteit verschoolst? Dan moeten studenten hun plichten maar eens au sérieux nemen. Studenten bekommeren zich alleen nog maar om hun particuliere besognes en denken alleen nog maar aan tentamenbriefjes, schreven de hoogleraren in het manifest. Daar heb ik me zeer aan geërgerd. Het slechte onderwijs werd compleet aan de studenten toegeschreven. Dat is heel raar. Ze wijzen slechts op een symptoom dat een gevolg is van iets anders: een volstrekt gebrek aan intellectueel klimaat. Zoiets krijg je pas gestimuleerd als je je eigen beslissingen en verantwoordelijkheid kunt nemen. Wat de hoogleraren willen, is precies wat wij willen, maar daar moeten ook zij wat voor doen. Dat begint met een kwalitatieve beoordeling op grond van de academische waarden die wij hebben geformuleerd. Studenten kennen misschien hun plichten niet meer, maar dan vooral omdat er geen boeiend onderwijs is.

Doordat de universiteit slechts kijkt naar rendement en studenten vanwege de studie beurs denken vanuit efficiëntie, zie je dat het onderwijs ingrijpend is veranderd. Het zwaar tepunt is komen te liggen op reproductie van kennis om zoveel mogelijk studenten aan het eind van een trimester door de hoepel te laten springen. Er komt geen kritische houding en zelf denken meer bij kijken. Aan de rechtenfaculteit leer je als student hoe het recht is in Nederland. Je leert nauwelijks meer hoe het komt dat het recht is zoals het is; wat de achtergrond van het recht is; wat bijvoorbeeld de maatschappelijke belangen zijn die worden weerspiegeld in het recht; welke rechtvaar dig heidsopvattingen erachter schuilen. Je leert zelfs niet meer hoe het recht zou kunnen zijn.»

Robbert van der Vliet, eveneens rechtenstudent: «Het zou mogelijk moeten zijn in kleine werkgroepen een vraagstuk van verschillende kanten te bekijken om alternatieven aan te dragen voor de gegeven probleemstelling of om misschien de probleemstelling zelf ter discussie te stellen. Op dat moment ben je bezig met het formuleren van problemen én met het verzinnen van oplossingen.»

De woorden «kritisch», «onafhankelijk» en «democratisch» zijn ouderwets sterk vertegenwoordigd in het vocabulaire van de studentenpolitici-nieuwe-stijl. Na de jaren zestig en zeventig waarin menige bestuursvernieuwing op de universiteit werd ingevoerd, was het in de jaren tachtig en negentig met de interesse in universiteitspolitiek hard achteruit gegaan. In 1996 resulteerde dat in de Wet Modernisering Universitair Bestuur (MUB) waarmee de inspraak van studenten tot een minimum werd beperkt. Wellicht wat aan de late kant volgt nu tegengeluid van de bezorgde DIS-leden. Is dit werkelijk een opleving van de studentenpolitiek zoals in de jaren zestig?

De Leidse hoogleraar politicologie Galen Irwin hoopt van niet. Hij is een van de weinige mensen binnen de universiteit die het maar op een klein aantal punten met de kritiek van de studenten en de hoogleraren eens is. De Amerikaan, in de jaren zeventig naar Nederland gekomen, verwijt beide groepen nostalgisch terug te blikken op de goede oude tijd. «Wat is verschoolsing? Een school is iets waar je wat moet leren en de universiteit is dan een school. Dus waar hebben we het over? Als je bedoelt: er moet een zekere discipline zijn, er moet een goede organisatie zijn, je moet bepaalde dingen op tijd inleveren, dat je moet leren leren, dan heb ik geen bezwaar tegen verschoolsing. Ze willen verdieping? Persoonlijk heb ik daar niet zo'n boodschap aan. Onder de hoogleraren van het manifest zitten veel oudere mannen die in de jaren vijftig of zestig, toen het hoger onderwijs nog voor een kleine elite was, gestudeerd hebben. Ze vonden het zalig om jarenlang te niksen op de universiteit, af en toe boekjes te lezen en discussies tot diep in de nacht te voeren. Ze deden jaren over hun studie en zullen ongetwijfeld een heerlijke tijd hebben gehad. Nu moet er gewoon wat geleerd worden. We hebben te maken met een massaproduct! Vroeger dachten we in Nederland dat we op de universiteit een Rolls Royce maakten, maar we zijn gewoon een Ford-fabriek. En je kunt niet een Rolls op dezelfde manier maken als een Ford!»

De Wilde: «Het soort onderwijs dat wij willen bereiken is niet dat van de jaren zestig. We willen een goed functionerende democratie, waarin studenten participeren. Wij pleiten voor een reeks academische waarden: het zelfstandig kunnen nadenken, het vermogen tot creativiteit en kritiek. De jaren zestig kunnen die waarden niet monopoliseren, lijkt mij. Irwin heeft een beetje het idee dat wij tien jaar willen studeren, zonder verplichtingen. Maar dat is niet zo.»

Van der Vliet: «Al zou het prettig zijn iets meer tijd te hebben om een jaar verdieping te zoeken in het buitenland of om de mogelijkheid te hebben enige tijd een bestuursfunctie te bekleden. Maar wij zeggen niet dat het slecht is studenten bepaalde verplichtingen op te leggen. Die verplichtingen moeten echter wel ingebed zijn in een kader met heldere doelstellingen.»

Ondanks de enorme (landelijke) media-aandacht die DIS in campagnetijd wist te genereren, is de opkomst bij de verkiezingen voor de Centrale Studentenraad aan de UvA op 19 procent blijven hangen — niet meer dan de voorgaande jaren. Aan andere universiteiten waar nieuwe, kritische studentenpartijen meededen, was het al niet veel beter. De in alle kranten zo enthousiast bezongen opleving van de geëngageerde student bleef dus beperkt tot een wel heel erg marginale minderheid. «Maar van die minderheid heeft wel weer de meerderheid op ons gestemd», zegt Robbert van der Vliet vergoelijkend. «Een serieuze tegenkandidaat, dat zou hebben geholpen.»

Naast het inhoudelijke protest tegen de verschoolsing van de universiteit speelt ook «een politieke kant» mee. Van der Vliet: «Je ziet dat de afgelopen jaren met de invoering van de MUB de stem van de student in het universitaire besluitvormingsproces systematisch is verdwenen. Natuur lijk, vóór die tijd was het ook niet allemaal even goed. Door het bureaucratische studentenbestuur in de faculteitsraden werd het voor steeds minder mensen interessant.»

De Wilde: «Studenten hebben het idee dat de huidige raden helemaal niets meer te zeggen hebben terwijl ze, veel minder sterk dan in het verleden, toch op een of andere manier meepraten. Maar belangrijker: het is niemand duidelijk waar de raads leden voor staan. Je kon kiezen tussen een aantal personen die allemaal hetzelfde roepen: wij gaan voor het belang van de student, wij willen beter onderwijs of nog meer algemeenheden. Polarisatie leidt tot participatie. Je had vroeger de Asva (de linksige studentenpartij — pv) en de Obas (de wat meer liberale club — pv). Die twee zijn gefuseerd. Toen is Asva-Obas samengegaan met de Studentenunie, en die combinatie heeft bedacht geen verkiezingslijsten meer uit te brengen omdat ze «neutraal» wil zijn. Partijen zijn verdwenen en met de verkiezingen kunnen er alleen nog maar stemmen uitgebracht worden op poppetjes. Dat hebben wij geprobeerd tegen te gaan. Daar komt bij dat het College van Bestuur tracht de politieke angel uit elke discussie te halen. De universiteit krijgt vanuit Den Haag betaald naar rato van het aantal afgegeven diploma’s. Door dit systeem is er een concurrentiestrijd tussen universiteiten ontstaan. Bij de UvA heeft men de neiging het bestuur steeds bedrijfsmatiger vorm te geven. Er worden miljoenen uitgegeven aan zaken als corporate identity. Het bestuur lijkt hierdoor structuurloos geworden omdat het geen richtinggevende waarden meer heeft. Er is geen visie meer op het onderwijs die bij elke beslissing over dat onderwijs een rol speelt. Op de achtergrond spelen slechts rendementsredeneringen.»

Van der Vliet: «Ik zou zelfs zo ver willen gaan te beweren dat op veel universiteiten het bestuur dermate is geperverteerd dat inhoudelijke doeleinden nauwelijks meer terzake doen. Men is op dit moment vooral bezig om uit de Haagse ruif zo veel mogelijk mee te pikken.»

De Wilde: «Aan de UvA en aan veel andere universiteiten wordt er wel gesleuteld aan de vorm, maar worden de doelstellingen uit het oog verloren. Eerst zou er een oriëntatie moeten zijn op de doelstellingen van een academische opleiding in het algemeen en dan pas moet de vorm worden vastgesteld. We hebben een ware cultuurclash meegemaakt in een gesprek met de collegevoorzitter. Hij zei: ‹Wat moeten jullie nou met die doelstellingen? Je kunt toch niet zeggen dat je de doelstellingen van de academische opleiding kunt vaststellen? Elk vakgebied vergt zijn eigen doelstellingen, vergt zijn eigen vorm.› Dat is precies de pragmatische, bedrijfsmatige vorm van denken waarin de doelstellingen zijn zoekgeraakt. De universiteiten zeggen: de arbeidsmarkt vraagt van afgestudeerden een aantal praktische vaardigheden. Maar wij denken dat de maatschappij juist belang heeft bij die academische waarden. Een goede innovatieve werknemer is iemand met een kritisch en creatief vermogen en niet iemand die alleen maar heeft geleerd die en die praktische toepassingen uit zijn hoofd te leren.»

Van der Vliet: «De bureaucratenmentaliteit moet weg. Stel, ik ben een econometrist. Ik kan verschrikkelijk goed rekenen en na mijn studie ga ik bij een grote bank werken. Maar verder interesseert het me allemaal niets. Dan heb je op hoog niveau gestudeerd, maar of je nou op academisch niveau hebt gestudeerd, dat is de vraag.»

Verbeter de wereld, begin bij de universiteit?

De Wilde: «Als we al niet in staat zijn om aan een universiteit een democratische vorm van bestuur in stand te houden, dan is het maar de vraag hoe over een paar jaar het land ervoor staat. Het is de vraag of de bureaucraat die het gevolg is van alleen maar dom reproduceren, beschikt over een democratische mentaliteit en of die in staat is om zijn maatschappelijke verantwoordelijkheden te nemen.»

De Amsterdamse collegevoorzitter wilde in elk geval wel met ze spreken. Zoals ook de voorzitter van de VSNU, de vereniging van samenwerkende universiteiten, contact met ze opnam. Erg vruchtbaar waren de gesprekken niet, zegt De Wilde. «Wat ik me afvraag is in hoeverre universiteiten daadwerkelijk geïnteresseerd zijn in het academisch niveau voor alle studenten. Met de VSNU is geen moment over de pedagogische paragraaf gesproken.»

Ondanks alle gesprekken met bestuurders en met studenten aan andere universiteiten, de intensieve campagne en de uitgebreide media-aandacht is de omslag er nog niet. De opleving van het studentenprotest laat dus nog even op zich wachten. Het is een kwestie van het onderwijs veranderen waardoor de student meer geïnteresseerd raakt in de universiteit.

Van der Vliet: «We moeten de student veranderen. Het klinkt misschien wat pretentieus, maar ik denk dat een discussie over de culturele implicatie van het hoger onderwijs net zo belangrijk is als het grote minder he den debat dat eerder dit jaar werd gevoerd.»