Commentaar: Studentenhossel

Studentenhossel raakt ook Leijnse

«De HBO-raad en mijn persoon vormen geen onderwerp van onderzoek door de Rekenkamer.» Aldus Frans Leijnse bij zijn aantreden enkele weken geleden als informateur. Inmiddels heeft de Rekenkamer gerapporteerd en is duidelijk dat de HBO-raad, waarvan Leijnse voorzitter is, in het onderzoek naar frauduleuze toestanden in het beroepsonderwijs niet buiten schot kan blijven. In de Tweede Kamer klinkt de roep om parlementair onderzoek, in het bijzonder naar de rol van de machtige koepelorganisatie voor instellingen in het hoger onderwijs bij de fraudezaak, en dus ook naar haar voorzitter Leijnse. De HBO-raad zelf, die de «onregelmatigheden» consequent toeschrijft aan onduidelijke regelgeving en laksheid bij het ministerie, heeft zich bij monde van waarnemend voorzitter Verbraak óók voor vervolgonderzoek uitgesproken. Een vlucht naar voren, want de Raad geeft zelf aan «dat nader onderzoek waarschijnlijk weinig nieuwe feiten aan het licht zal brengen».

Niettemin is het Rekenkamer-rapport een behoorlijke tegenslag voor PvdA-informateur Leijnse. Hij rekende er volgens Haagse bronnen op dat hij naar het voorbeeld van Donner in Balkenende-1 na zijn informateurschap via de zijdeur het nieuwe kabinet in kon. Hij is kandidaat voor de Eerste Kamer, maar staat nét onverkiesbaar — om andere mogelijkheden open te houden. Na een discutabele rol in de WAO-crisis in de PvdA, dezer dagen nog opgerakeld door Bert Middel — Leijnse maakte in 1992 «mooie sier» met een afwijkend maar «weinig collegiaal» standpunt, schrijft het oud-kamerlid in zijn memoires — zou een plaats in het kabinet een soort rehabilitatie zijn.

De schade van de WAO-affaire valt echter in het niet bij de onregelmatigheden in het HBO. Los van de vraag of Leijnse persoonlijk op de hoogte kan zijn geweest van de lucratieve studentenhossel, droeg hij als voorzitter van het bestuur van de HBO-raad wél een zekere verantwoordelijkheid. Bovendien probeerde hij de kwestie kleiner voor te doen dan ze is. Precies een jaar geleden noemde hij de fraude in een opiniestuk «marginaal in het kader van het gehele hoger beroepsonderwijs». Toch stapten tezelfdertijd van zijn zes bestuursleden er drie op nadat was gebleken dat juist de hogescholen waarvan zij de baas waren, behoorden tot de kleine groep instellingen die met de cijfers hadden gesjoemeld. Dat maakt de veelbesproken gedragscode, waarmee deze zelfde bestuursleden in 2001 naar buiten traden omdat het ministerie door soepele regelgeving de kat op het spek zou binden, er niet geloofwaardiger op. Leijnse zat dicht bij het vuur en droeg als voorzitter verantwoordelijkheid. Maar zelf hoefde hij niet af te treden, want «dat is slecht voor de continuïteit», aldus Leijnse. Hoe «marginaal» het gegoochel met gemeenschapsgelden in werkelijkheid is, zal spoedig vervolgonderzoek moeten uitwijzen.

Voor Leijnse kan de kabinetsformatie, waarin hij zich voor de HBO-raad niet hoeft te verantwoorden, intussen niet lang genoeg duren.