Studentikoos bonzendom

Jos Dohmen en Oscar Steens, Bevrijding en bezetting: Vijftig jaar Algemene Studenten Vereniging Amsterdam. Uitgeverij Vossiuspers AUP, 283 blz., f25,-
HET LIJKT een natuurwet in de sociale wetenschappen: relatief onbetekenende politieke bewegingen krijgen veel meer aandacht dan hun grotere evenknieen. Het zout in de pap is bekender dan de smurrie zelf: over de CPN bestaan meters literatuur, terwijl over de PvdA nog altijd geen nieuwe ‘Quack’ is geschreven.

Dezelfde kwestie speelt bij Bevrijding en bezetting, een recent verschenen studie van Jos Dohmen en Oscar Steens over de Amsterdamse studentenvereniging Asva. Zij zien die club, vooral de laatste kwart eeuw, als een kleine en ‘onderling sterk verdeelde linkse elite’. Toch schrijven zij er een pil van bijna driehonderd bladzijden over. Dat de Asva nu een halve eeuw bestaat, zal aan dit initiatief niet vreemd zijn geweest.
Het verhaal is vaker verteld: in de Asva, opgericht in 1945, zouden corpsleden en 'nihilisten’ zij aan zij streven naar betere studentenvoorzieningen. De Asva verenigde negentig procent van de studenten. Maar de verbroedering bleef uit, zo concluderen beide auteurs. In het 'studentenparlement’ maakte het corps de dienst uit. Onderhuids smeulde het 'verzet’, om te culmineren in de studentenstrijd van eind jaren zestig, waarbij het corps bijna werd weggevaagd.
De beide auteurs hebben zich voor het beschrijven van de Asva van voor de Maagdenhuisbezetting (1969) vrijwel geheel gebaseerd op archiefstukken. Het was wellicht aardig geweest die droge bestuursstukken aan te vullen met wat oral history. Men maakte zich immers ook druk over studentenkortingen, ziektekosten en kamernood, en dat kwam vooral doordat de Asva bij alle activiteiten ook een sociale functie vervulde - een remedie tegen de eenzaamheid, een kans om geestverwanten te ontmoeten, te leren schrijven, te vergaderen en na afloop bier te drinken - kortom, allles waar dat vermaledijde corps al veel langer patent op had.
Zo was bijvoorbeeld de 'Kritiese Universiteit’ ongetwijfeld een bloedserieuze onderneming, die niettemin begon rond een kleine groep met een alternatieve vrijetijdsbesteding: het actiewezen. En veelal liepen actie en persoonlijk leven in elkaar over. Terwijl bij de studentenleider Ton Regtien de revolte zich onder zijn handen roerde, zat hij eigenlijk meer aan te hikken tegen het besluit om samen te gaan wonen met zijn vriendin. En zo valt in het Demokratisch Manifest, het oprichtingsstatuut van de SVB, achter de abstracte vakbondstaal de persoonlijke beleving van de oprichters te lezen. Zij wilden samenwonen op hun manier, bier drinken zoals het ze uitkwam, zich met vernieuwende of 'sosjale’ ideeen aanschurken tegen de rest van hun gelijkgestemde kennissenkring.
De politieke elite die zich daardoor kon manifesteren, en die de auteurs vanaf 1970 in de Asva signaleren, bestond in feite al veel langer. Tijdens de Maagdenhuisbezetting bestond er al een bonzenhierarchie, een apenrots met bijbehorend mannetjes- en wijfjesgedrag. 'Het verwerpen van gezag lokt nieuwe autoriteiten uit’, schreef de dichter Arie van den Berg niet voor niets vanuit het bezette gebouw.
UITERAARD had die elite de illusie dat de 'gevestigde orde’ van hen zou ophoren. Maar in dit boek ontbreekt vreemd genoeg de stem van die autoriteiten. Weerwoord van die kant had de auteurs geleerd dat men al lang wilde toegeven aan de eis van inspraak. Waarmee de Maagdenhuisbezetting een schimmenspel voor eigen glorie werd. Een gemiste kans, en vooral vreemd omdat dit jaar bij dezelfde uitgeverij (Vossiuspers/Amsterdam University Press) een serie zeer leesbare interviews met ministers van Onderwijs verscheen van Jaap Stam: Hoog gegrepen. De auteurs vermelden deze bundel niet, terwijl toch iedereen met enige politieke illusies in het onderwijsveld dat boek op zijn nachtkastje zou moeten hebben liggen.
In Stams boek is te zien hoe de explosief stijgende studentenaantallen minister Diepenhorst meer zorgen baarden dan welk spandoek ook, en hoe minister Veringa 'niet wist hoe men op de universiteiten dacht’, maar niettemin 'om de studenten voor te blijven’ razendsnel een wet vervaardigde - de WUB - die twee decennia lang het inspraakcircus bepaalde.
De beide auteurs kozen voor de tijd na de Maagdenhuisbezetting meer voor de beschrijving dan voor de analyse. Dat is jammer, omdat het boek nu afgelopen is voordat het echt boeiend wordt. Dat de Asva na 1970 uiteenspatte in diverse fracties om vervolgens onder de vlag van de strijd tegen de duizend gulden collegegeld weer bijeen geveegd te worden, en dat die vlag vervolgens opgesierd bleek met het vignet van de CPN, dat weten we nu onderhand wel. Interessanter is hoe en vooral waarom de Asva na 1980 de greep op de studenten definitief verloor. Ontbindingsverschijnselen zijn immers altijd interessanter dan de hoogtijdagen, omdat het ineenstorten van een politieke beweging meer zegt over de (falende) inhoud dan de leus die grote groepen aantrok.
Omdat de Asva de laatste jaren weinig aan haar archief heeft gedaan, moesten de auteurs vooral steunen op gesprekken en op artikelen uit het universiteitsblad Folia. Die artikelen zijn voornamelijk beschrijvend, en ik weet dat zo goed omdat ik die veelal zelf heb geschreven. Dat de auteurs daaruit putten, valt dus in hen te prijzen. Maar zelfs daarmee ligt er nog geen analyse op tafel.
DE LAATSTE hoofdstukken van Bevrijding en bezetting lijden sowieso onder het motto 'grote stappen snel thuis’. Dat levert foutjes op, waarvan het aanduiden van de Asva-huishistoricus Eddie Korlaar als 'Koorlaar’ nog wel de minste is.
Wellicht in het zicht van de deadline zijn de auteurs te snel op de meet afgefietst. En dat terwijl het concept van de onderling ruziende politieke elite dat ze in de hoofdstukken ervoor hebben ontwikkeld, bij uitstek op de laatste tien jaar van de Asva toepasbaar is. Nu lijkt het alsof bijvoorbeeld Maarten van Poelgeest, voorzitter van de Landelijke Studentenvakbond, persoonlijk de kar uit de modder trok. In werkelijkheid had het mediagenieke punkhaar van Van Poelgeest even veel effect als alle media-hype rond het Maagdenhuis vijftien jaar eerder op de autoriteiten - namelijk geen. Minister Deetman heeft geen nacht minder geslapen vanwege de LSVb. Het is altijd tien-nul voor de minister gebleven, zoals de LSVb zelf maar al te vaak constateerde.
Met deze journalistieke aanpak zijn de interne tegenstellingen binnen het bonzendom niet te analyseren. Zo valt niet te lezen hoe in 1985 de tegenstelling tussen radicalen en reformisten binnen de LSVb leidde tot een heuse coup: een bezetting van de LSVb-burelen door de ene vleugel en ontruiming door de politie op verzoek van de andere partij. Op lokaal niveau was Van Poelgeest eind 1987 niet te beroerd de leden van de universiteitsraad voor 'verraders’ uit te maken.
De journalistieke aanpak van Dohmen en Steens versluiert vooral dat er vanaf 1985 eigenlijk helemaal geen sprake was van een conflict met een minister of met een universiteit: het was nog steeds actievoeren als alternatieve vrijetijdsbesteding, waarbij de Asva in haar handjes mocht wrijven met een minister als Deetman en een regenteske UvA-collegevoorzitter als Van Kemenade.
Sommigen denken dat de Asva oppositie voerde. Niets is minder waar. De universiteit en de Asva hadden elkaar nodig in een symbiotische relatie. De universiteit omdat in de raad studenten moeten zitten en de Asva een goede braintank vormde. Tientallen Asva-bestuurders zijn zo het universitair ambtelijk apparaat ingesluisd. En anderzijds had de Asva de universiteit nodig omdat anders haar bestaansgrond zou wegvallen. En bovendien zou de club anders ruimschoots failliet zijn gegaan.
Het is dan ook jammer dat het boek niets meldt over zoiets laag- bij-de-gronds als de Asva-financien. Jarenlang werd door de universiteit vestzak-broekzak gespeeld. Via verborgen posten op de begroting van de universitaire Dienst Huisvesting werd de Asva kunstmatig in stand gehouden door het college van bestuur. De Asva bouwde schulden op, onder andere door twee bezettingen van het Maagdenhuis in een jaar - 1978 - maar navrant genoeg werd vanuit datzelfde Maagdenhuis de vordering van de universiteit op de vereniging nimmer geind. Het is zelfs denkbaar dat de Asva jarenlang een te hoog ledenbestand opgaf om zo hogere universitaire subsidies op de contributie binnen te halen. Dat is niet erg, zolang men maar niet pretendeert oppositie te voeren. De huidige Asva begrijpt dat stukken beter: die laten hun halve-eeuwfeest gewoon subsidieren door Intermediair en de Heinekenbrouwerij.
De Asva heeft jaren onder het progressieve aureool van de jaren zestig doorgekabbeld. De standpunten deden er niet toe, als er maar werd gelopen. Of, zoals tijdens de herdenking van de Maagdenhuisbezetting nog werd gesteld door een voormalig wapenbroeder van Ton Regtien: 'Ton? Ach, zelf vond hij nooit een nieuwe lijn uit. Maar zodra er een nieuwe lijn was, kon hij die prachtig uitleggen.’ En dat is inderdaad de kernvraag: of de Asva ooit iets anders deed dan luidruchtig lusjes lopen.
WIE BEVRIJDING en bezetting leest kan, met de auteurs, niet anders concluderen dan dat de Asva hoogstens een functie in het sociale leven had, een soort links corps dus. De auteurs signaleren zelfs een recente toenadering tot de 'oude’ gezelligheidsverenigingen. Het zou de Asva derhalve sieren als ze hun favoriete lied, De internationale, nou eindelijk eens zouden vervangen door het lijflied van de corpssocieteit Nos Iungit Amicitia: 'Weg zijn de democraten, leve onze kroeg! N.I.A. boven, N.I.A. boven! Leve onze kroeg!’