Stuifzand

Wie heden ten dage jammert over de machteloosheid van Nederland en denkt dat onze onafhankelijkheid vooral bedreigd wordt door de Europese Unie, zou eens moet bladeren in de jaargangen van dit weekblad die rond 1900 verschenen. Keer op keer wees de toenmalige hoofdredacteur, de progressieve liberaal Jan de Koo, erop hoe buitengewoon precair de positie van ons land was.

Medium ons stipje op de waereldkaart

Dat Nederland zijn koloniën nog bezat kwam niet doordat onze vloot en leger nu zo machtig waren, maar was uitsluitend te danken aan het feit dat de andere koloniale mogendheden elkaar niet gunden dat zij onze kostbare ‘gordel van smaragd’ in bezit namen. En dat we niet door Duitsland geannexeerd waren, kwam doordat Duitsland besefte dat Engeland en Frankrijk dat niet zouden pikken. Nederland mocht dan wel beschikken over een glorieus verleden, maar dat lag al meer dan twee eeuwen achter ons en inmiddels was het een ‘zeer kleine onmogendheid’ geworden.

Ook dit besef was niet heel nieuw, want in 1796 had Rutger Jan Schimmelpenninck in het eerste Nederlandse parlement al gesproken over ‘ons stipje op de waereldkaart’. Het is deze bijzonder bescheiden aanduiding die Piet de Rooy als titel heeft gekozen voor zijn boek over de ontwikkeling van de Nederlandse politieke cultuur in de afgelopen twee eeuwen. Dat besef van eigen nietigheid is vanaf het einde van de achttiende eeuw steeds aanwezig geweest, en dat gold ook voor de neiging dit op de een of andere manier te compenseren. Als Nederland dan geen grootmacht meer was, kon en moest het in ieder geval op een andere manier invloed uitoefenen, namelijk door een letterlijk voorbeeldige natie te zijn, een gidsland dat andere naties de weg wees naar een wereld waarin, zoals De Rooy het formuleert, ‘macht en belang niet meer doorslaggevend was, maar wet en recht heersten en tolerantie het klimaat bepaalde’. In dit verband haalt hij de populaire geschiedschrijver Willem Hofdijk aan, die in 1864 schreef: ‘Het is schooner het zedelykste dan het machtigste volk der aarde te zijn.’

Het is een niet geringe pretentie, die niet alle Nederlandse politici altijd even serieus hebben genomen, maar waarvan de meeste mensen denken dat er toch een kern van waarheid in zit. Nederland ís in de ogen van velen een bijzonder land – een bolwerk van vrijheid en tolerantie, waar conflicten doorgaans op beschaafde wijze worden opgelost en de spanningen nooit té hoog oplopen. De Rooy nuanceert dit beeld stevig: zo geleidelijk en conflictloos ontwikkelde Nederland zich niet, en bovendien is ons land in veel opzichten helemaal niet zo uniek en worden de ontwikkelingen hier meestal in hoge mate beïnvloed door wat er in de rest van de wereld gaande is.

Medium onsgeorge kockers

Het boek begint met de Bataafse staatsgreep van 1795, mogelijk gemaakt door het Franse leger, en eindigt met de verwarring en het gevoel van malaise die Nederland sinds 11 september 2001 in hun greep hebben. In deze periode veranderde de Nederlandse politiek een aantal malen fundamenteel en in relatief korte tijd van karakter. Dat dit vaak als een geleidelijk, ‘evolutionair’ proces wordt voorgesteld, komt volgens De Rooy doordat veel mensen een verkeerd beeld hebben van wat in de natuur het begrip ‘evolutie’ betekent. Dat is immers geen vreedzaam proces, geen geleidelijke aanpassing, maar heeft alles te maken met verdringing, strijd en uitsterven.

De burger is een ontevreden toeschouwer geworden die zich weinig betrokken voelt bij de samenleving als geheel

Zo werd in Nederland de autocratische, dynastieke politieke cultuur van koning Willem I vrij plotseling verdrongen door de constitutionele politiek van het thorbeckiaanse liberalisme. Dat bestel – waarin het parlement centraal stond en waarbij onafhankelijke Kamerleden op beschaafde en zakelijke wijze besluiten namen – maakte vanaf ongeveer 1870 plaats voor partijpolitiek waarin nagenoeg elke kwestie een politieke lading kreeg en partijen hun achterban permanent mobiliseerden. De verzuild-corporatieve politieke cultuur die hieruit ontstond werd vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw ontmanteld, waarna de ideologieën aan betekenis verloren, de partijen op drift raakten en de politiek ontaardde in een permanente beauty contest die demagogen volop de kans geeft wisselvallige ressentimenten te mobiliseren.

De Rooy beschrijft deze breukpunten bondig en overtuigend, waarbij hij steeds laat zien hoe een groeiende afstand tussen politiek en samenleving onvermijdelijk resulteert in de verdringing van de ene politieke cultuur door de andere. De liberale heren uit de tweede helft van de negentiende eeuw zagen te laat in dat politiek en levensbeschouwing niet zo eenvoudig te scheiden waren, en werden weggevaagd door confessionelen en socialisten. En het politieke establishment van rond de millenniumwisseling besefte onvoldoende dat met de ontzuiling de schokdempers van de samenleving waren gedemonteerd, en dat de burgers inmiddels wel alles van de overheid verwachtten, maar tegelijkertijd geen vertrouwen meer hadden in een elite van professionele bestuurders die losgezongen leek van de ‘echte’ samenleving.

Aan het slot van zijn boek schetst De Rooy een weinig opwekkend beeld van een instabiel politiek bestel dat is overgeleverd aan de genade van een electoraat dat veel weg heeft van stuifzand. Die instabiliteit wordt volgens hem niet zozeer veroorzaakt door populistische politici, als wel door de problemen waarin de verzorgingsstaat terecht is gekomen, waarbij de burgers te veel eisen stellen en de economische groei structureel minder is geworden, terwijl als gevolg van immigratie de bevolkingssamenstelling sterk is gewijzigd. De burger, die aan het einde van de achttiende eeuw zijn trotse entree op het politieke toneel maakte, is een ontevreden toeschouwer geworden die zich weinig betrokken voelt bij de samenleving als geheel. En mede hierdoor hebben velen al helemaal geen oog voor de precaire positie van ‘ons stipje op de waereldkaart’, en denken zij dat Nederland Europa niet echt nodig heeft.


Medium ons stipje op de waereldkaart

_ Piet de Rooy - Ons stipje op de waereldkaart: De politieke cultuur van modern Nederland. _Wereldbibliotheek, 414 blz., € 29,95


Beeld: Eerste Nationale Vergadering in Den Haag, 1796, door George Kockers, 1797 (Rijksmuseum Amsterdam).