Stuk zeep

Na de Tweede Wereldoorlog zocht men naar een nieuwe moraal.

Mijn ouders hadden in het kamp hun geloof verloren, ‘maar als God dood is, waar haal je dan je moraal vandaan?’ Dat was de vraag die mijn ouders aan hun vrienden stelden. Zo kwamen er de boeken van Sartre en Simone de Beauvoir bij ons in huis, en de tafelgesprekken gingen over het existentialisme dat rekening hield met de historie, lees: de Tweede Wereldoorlog, en tegelijkertijd een grondslag bood voor het ethisch handelen.

Zo werd dat destijds genoemd: ethisch handelen.

Medium opheffer 48 2012 moraal

Mijn vader kwam daar niet goed uit. Hij kon niet tegen het communisme van Sartre: hoe verenigde Sartre zijn linkse opvattingen met een filosofie die het individu centraal stelde?

Dat waren mooie discussies thuis.

Ik denk daar vaak aan nu ik ouder ben, en ik eigenlijk nooit meer over dit soort onderwerpen praat. Ik schrijf er wel over. Hier – op deze plek.

Ik twijfel voortdurend.

Ik verafschuw mezelf als ik weer eens denk: wat ben ik een slecht mens.

Dat woord ‘slecht’. Waarom gebruik ik dat? Waarom vind ik mezelf ‘slecht’. Dat komt door mijn gebrek aan empathie, mijn hekel aan sentimentalisme, mijn onvermogen om me daadwerkelijk bij de zaken betrokken te voelen.

Op de televisie gaat het een week lang over de armoede.

Wanneer ik dan iemand hoor zeggen dat het ‘onze plicht’ is om de honger elders te bestrijden, of iemand beweert dat ‘wij onze verantwoordelijkheid moeten nemen’, dan raak ik geïrriteerd. Ik doe verdomme in dit leven mijn best. Ik heb een kleine eenmanszaak die niet al te goed loopt. Geeft niet. Ik houd mijn hoofd boven water. Maar ik heb ook een kind en een kleinkind en een vriendin, en dat loopt allemaal stroef en sociaal moeilijk; elke dag is een strijd – en dan komt er iemand aan de deur kloppen met de mededeling dat ik verantwoordelijkheid moet nemen voor de honger in de wereld!

Dat gaat dan meestal gepaard met de zinsnede: ‘Wij hebben niets te klagen. We hebben eten en drinken in overvloed, warm en koud stromend water, we hebben een dak boven ons hoofd en als we ziek zijn, wordt er voor ons gezorgd. Allemaal zaken die elders op de wereld niet vanzelfsprekend zijn.’

Ja, klopt!

Maar dat ik iets van rijkdom heb, betekent toch niet dat ik daarvan een deel moet afstaan, zodat we beiden net niks hebben?

Oké, we sturen onze rijkdom naar de gebieden op de wereld waar honger is, dan zijn zij rijk en wij arm. Zo schiet het niet op!

Dat zijn de momenten waarom ik denk: misschien ben ik wel ‘slecht’.

Slecht – het is het oordeel dat anderen over me kunnen vellen die ‘goed’ zijn.

Maar hoe leven die mensen dan?

Mijn vriendin T. is zo iemand. Die kan niet tegen hongerige kinderogen, en begint dan te zeuren dat het de schuld is van het kapitalisme en de banken en de bonussen en weet ik veel wie nog meer. Dan krijgen we ruzie, want ik beweer natuurlijk dat wij door dat verderfelijke kapitalisme juist dat fijne warme en koude stromend water en dat dak boven ons hoofd hebben plus een fijne Brunello de Montepulciano 1997 bij het overvloedige eten.

‘Dat kind heeft niks. Moet dat kind dan maar dood?’ roept T.

‘Wat kan ik eraan doen? Dat dat kind sterft is mijn schuld niet. Als het sterft is het misschien beter af dan wanneer het blijft leven. Welke kansen heeft dat kind dan?’

En dan ben ik weer ‘walgelijk’ en moet ik weg en naar mijn ‘rechtse vriendjes van De Telegraaf’.

Niemand gelooft me, maar ik denk elke dag na over ‘de moraal’.

Dat stuk zeep dat stinkt naar schuld als ik me ermee was.