Interview met Charlotte Dumas 

‘Sturen, dat is wat een goeie foto doet’

Charlotte Dumas maakt foto’s van politiehonden, paarden, wolven. Maar het gaat haar niet om die dieren, zelfs niet om dieren in het algemeen. Wel om wat de foto met de toeschouwer doet. Aan de emotie mag niemand ontsnappen.

‘Dat paardenmeisje’ is ze wel genoemd. Flauw en denigrerend, maar ook feitelijk onjuist: zie de wolven. En deze maand nog vertrekt ze naar Arizona om tijgers te fotograferen. Zelfs dat ze een dierenfotograaf zou zijn, is een misverstand. Eigenlijk is ze helemaal niet zo geïnteresseerd in dieren. Nu ja, ze is natuurlijk best geïnteresseerd in dieren, maar in haar foto’s gaat het om iets anders. Dieren zijn slechts haar onderwerp. Ze maakt dierenportretten, maar het gaat niet om dat ene specifieke dier. Het gaat ook niet om de soort, of om dieren in het algemeen. Charlotte Dumas: ‘Beeldinterpretatie, daar gaat het me om. Het gaat om hoe je als toeschouwer naar zo’n dier kijkt. Beter gezegd: om hoe je naar een plaatje van een dier kijkt; het is tenslotte een foto waar je naar kijkt, niet een dier.’ Wat het beeld in eerste instantie bij de toeschouwer teweegbrengt, is wat hij er zelf inlegt. Dat is cruciaal. ‘Het kijken begint met de emotie van de toeschouwer. Een foto is een soort spiegel. De toeschouwer projecteert er zijn verwachtingen, zijn behoeftes, zijn ideeën in. Wat hij ziet, is zijn interpretatie. Pas in tweede instantie zie je het onderwerp: het paard, de wolf. En pas dáárna zie je hoe het is weergegeven, hoe de foto is als foto: het licht, de kadrering, de scherptediepte.’ Dat laatste, de techniek, is voor Dumas het minst interessant. De foto moet goed gemaakt zijn, zeker, maar een goede foto, een foto die wat doet, is wat anders. Ze heeft dozen vol goed gemaakte foto’s, maar de meeste zijn niet goed, niet interessant, zeg maar gewoon saai. Er is meer nodig. Belangrijker is het onderwerp, het dier in haar geval, maar het belangrijkst is wat het kijken ernaar bewerkstelligt: de emotie. Dumas: ‘Het onderwerp bij mij is altijd een drager van een gevoel dat ik wil laten zien.’

Op de overloop voor de deur van haar etagewoning in Amsterdam-West staan hoge stapels dozen, een dag eerder aangekomen uit Italië. Het zijn duizend exemplaren van Palermo 7, een publicatie met tien van de paardenportretten die ze in Parijs en Palermo maakte. ‘Kan ik nu lekker gaan uitdelen.’ Er is ook een flinke stapel affiches. ‘Dat zijn de vier foto’s die ik gemaakt heb in de stallen van La Favorita, de renbaan van Palermo. Tijdens mijn verblijf daar, afgelopen lente, waren er net verkiezingen. Ik heb die affiches overal in de stad aangeplakt, tussen al de verkiezingsplakkaten die er hingen, vaak ook gewoon eroverheen.’

We hebben het over het licht in de foto’s, over het sterke contrast in licht en donker dat kenmerkend voor haar foto’s heet te zijn, maar dat je in deze serie maar bij twee of drie foto’s aantreft. Vaak gaat het in recensies van haar werk voornamelijk daarover. Dat vindt ze vervelend. Beginnen ze weer over Rembrandt. Het diffuse licht van iemand als Morandi is haar veel liever. Ze wijst op een van de foto’s aan de wand van haar woonkamer: een wolf die opgerold in de sneeuw ligt, ook te vinden in de tentoonstelling in het Tilburgse museum De Pont. ‘Die heeft dat ook, dat algemene licht.’

Dat brengt ons op het ruime uitzicht vanuit haar hoekhuis aan de Kostverlorenvaart: sloop, bouwactiviteit, trams ratelend over een brug, ongeduldige auto’s en fietsers, grijs novemberlicht dat zich genereus en zonder voorkeur uitspreidt over alle gedoe, het bedrijvig klotsende water van de vaart met daarin een stoer voortploegend vrachtschip ‘Mooi hè?’ zegt ze tevreden. ‘Het is misschien wel de meest Rotterdamse plek van Amsterdam.’

Charlotte Dumas (1977) groeide op in Vlaardingen. Ouders beiden kunstenaar – nee, nog zo’n misverstand, ze is géén familie van Marlene Dumas, ook niet in de verte. Vooral door haar vader kwam ze al vroeg in aanraking met schilderkunst en film. ‘Een voedzame bodem. Ik kroop al als klein kind rond in Rotterdamse kunstkringen, werd meegenomen naar tentoonstellingen en films. ’s Zomers deden we de Van Gogh-tour. Begonnen we in Zundert en reden we via de Borinage en Auvers-sur-Oise naar de Provence. Dat soort dingen. Ik zat altijd te tekenen, was typisch zo’n geval van eerder een potlood kunnen vasthouden dan lopen.’ Maar ze wilde dierenarts worden, absoluut geen kunstenaar. ‘Helaas was ik slecht in scheikunde en zo. Ik dacht: dan kun je maar beter doen waar je goed in bent.’

Ze ging naar de kunstacademie, werd aangenomen op haar tekeningen, maar koos fotografie. Waarom weet ze niet precies. ‘Nou ja, misschien weet ik het ook wel. Het is gewoon veilig achter een camera. Het is prettig om een camera tussen jou en de wereld te hebben. Het is dan net of je zelf in dat doosje zit.’ Ze vindt zichzelf een angstig iemand, geneigd tot somberheid. ‘Het is dan prettig om te vluchten in je onderwerp, even niets anders te zien, helemaal daarop gericht te zijn.’ Het fotograferen zelf gaat voornamelijk op intuïtie. Het lijkt op meditatie: volledig in het hier-en-nu zijn. ‘Ja, fotograferen heeft iets heel dierlijks.’ Pas bij de uiteindelijke keuze van de foto’s gaat de selectieve geest een rol spelen. Maar dan is ze ook streng. Voor die wolvenserie bijvoorbeeld maakte ze gedurende ruim een jaar foto’s in Nederland, België, Duitsland, Noorwegen, Zweden, Italië, New York en Colorado. Het uiteindelijk resultaat: elf foto’s.

Ze gebruikt altijd alleen een standaardlens. Daarom moet ze haar onderwerp dicht naderen. De dieren zijn zich altijd van haar aanwezigheid bewust, dat zie je terug in de foto’s. ‘Fotograferen is een vorm van interactie. Bovendien zijn de foto’s altijd zo gekaderd dat je net genoeg van de omgeving ziet om de présence van de mens te voelen.’ Het fotograferen van dieren is minder bedreigend dan het fotograferen van mensen, geeft ze toe, maar het was juist omdat ze zich met mensen, met menselijke emoties bezighield, dat ze zich met dieren ging bezighouden. Menselijke agressie was haar onderwerp. En aanvankelijk fotografeerde ze wel degelijk mensen. Vechtende mensen. Voor haar eindexamenwerk voor de Rietveld liet ze een vriendin van haar vechten met haar toenmalige buurman, een alcoholist. ‘Achteraf vond ik dat te anekdotisch. Het was het soort geweld waar mensen zich te gemakkelijk mee kunnen identificeren, je kunt er te gemakkelijk een verhaaltje van maken en daarmee ontsnappen aan de emotie.’ Ze zocht een manier om agressie te laten zien in een vorm die niet direct gerelateerd was aan mensen of aan een verhaal. Zo kwam ze uit bij dieren.

Het begon met politiehonden. ‘Die fotografeerde ik als ze zich tijdens hun training vastgebeten hadden in die mannetjes in dikke beschermende pakken. Dat kaderde ik dan zo dat je alleen nog de honden zag, het bijten. Het ging me in eerste instantie puur om geweld, agressie, wreedheid.’ Toen kwamen de paarden. Dat kwam door het lezen van Isaak Babels Rode ruiterij, verhalen over de burgeroorlog in Rusland. De rol van paarden daarin, het lot dat hun beschoren was, maakte diepe indruk. ‘Het zijn tragische dieren: enerzijds zo trots en sterk, met zo’n natuurlijk gezag, anderzijds zo volgzaam en gedwee. In de Eerste Wereldoorlog bijvoorbeeld zijn er honderdduizenden geslachtofferd.’ Aanvankelijk waren het paarden in actie, politiepaarden, volop spektakel nog. De laatste jaren maakt ze alleen nog intieme, verstilde portretten. Ook de wolven, die bedoeld waren als tegenhanger van de lijdzame paarden – roofdier tegenover vluchtdier – hebben op haar foto’s dat ingetogene. ‘Ja, het is nu meer een passief soort agressie. Al die dieren zitten gevangen. Die wolven zijn ook maar halfwild, die zitten in omheinde parken, of in opvangcentra. Wat je ziet is heel erg “het beest dat eruit wil”.’

Gekooide agressie, ingetoomde levensdrift. Is dat wat zijzelf aan haar foto’s beleeft? Dumas: ‘Ik ben het negatief van mijn foto’s, zou je kunnen zeggen. Wat je bij mij aan de buitenkant ziet, het vrije en levenslustige, vertoont zich bij de dieren op mijn foto’s alleen maar als vermoeden, als potentie, smeulend van binnen. En dat afwachtende en gelatene in de houding van de dieren, dat achterdochtige en kwetsbare, dat zit bij mij van binnen, in mijn hoofd… Maar dat is mijn interpretatie, het gevoel dat ik er zelf bij heb. Iedereen beleeft mijn werk anders.’ En hartstochtelijk: ‘Ik wil beelden maken die ruimte geven aan interpretatie, maar niet zo dat de toeschouwer alle kanten op kan. Ik wil wel degelijk sturen, manipuleren, dat is wat een goeie foto doet. Het is mijn streven iemand te sturen in wat hij ziet: dat is principieel niet alleen een plaatje maar ook een gevoel. Dat kan een gevoel van beklemming zijn, maar ook iets troostrijks. Dat houdt me erg bezig: dat kunst ook een troost moet kunnen zijn, een tegenwicht tegen de hardheid van de werkelijkheid. Ik voel ook liefde en vertedering voor mijn onderwerp, natuurlijk! Maar het uiteindelijke resultaat moet geen zoetsappige ode aan je onderwerp zijn. Als je er scherpte in weet te krijgen, juist met zo’n onderwerp als dieren, dan is het effect natuurlijk veel groter dan als je iets evident ellendigs laat zien, iets choquerends. Nee, ik bedoel echt zoiets romantisch als: het kwaad bestrijden met schoonheid.’

Charlotte Dumas, Reverie_, museum De Pont Tilburg, tot en met 21 januari._

www.charlottedumas.nl