Stuur

Ik word altijd rusteloos als ik te lang tussen de dichters zit. Met name internationale festivals vergen nogal wat. Al die talen, al die persoonlijkheden. De Russische dichter legt tijdens het eten uit dat hij de stem van het volk heeft ingeslikt.

De Chinese dichter vraagt je in een zangerig Engels hoeveel ikken de poëzie kan verdragen. Een oudere Duitse dichteres vouwt gedachteloos een vliegtuigje van papier en slaat het daarna plat. Alles wordt poëzie. Alles slurp ik op, overal wil ik getuige van zijn – maar ’s nachts kan ik niet meer slapen. Het is de onrust van het teveel. Van de snelheid waarmee grappen heen en weer schieten over de tafel. Al die mooie uitspraken. Citaten. Ik krijg de kans niet ze te onthouden, op te schrijven, te overdenken. Ik bezwijk. Sinds ik dat weet zoek ik altijd naar nuttige, concrete handelingen gedurende zo’n festival. Stofzuigen. Helpen tafel dekken. Of, als ik de kans krijg, een hele berg appels schillen. Afgelopen week was ik met achttien dichters uit alle windstreken op een schip voor een kleine rondvaart door de havens, toen de schipper (alsof hij mijn onrust voelde) zei dat ik wel even in de stuurhut mocht gaan kijken. Toen ik daar eenmaal stond mocht ik ook best even sturen. De schipper bleef naast me staan. Er stond flink wat wind en de stroming was sterk. Ik moest kracht zetten om het roer recht te houden. ‘We gaan vol op de eb’, zei de schipper, terwijl hij een sigaret rolde. ‘Draai maar naar bakboord.’ Ik draaide en draaide. Dit trage, dacht ik. Deze kleine hut, met uitzicht over de golven. Deze geur van diesel en zware shag. Terwijl ik de dichters op het dek hoorde lachen en praten leerde ik over stootwillen en uitluisterplicht. Ik slaagde erin fatsoenlijk te keren, vlak langs een vrachtschip. Ik had een lichte kramp in mijn armen. Eenmaal aangemeerd schudde ik de schipper de hand en voegde ik me weer bij het gezelschap. ‘Zo’, dacht ik, ‘ik heb een boot vol dichters veilig de haven in gekregen.’ Het was niet eens een metafoor.