Suïcidale fietsers

In een stukje over ‘duiven’ dat hier ooit stond, handelend over hun ergerniswekkend gebrek aan overlevingsinstinct dat elke weggebruiker tot moordenaar in spe maakt, zou het woord ‘duif’ met gemak vervangen kunnen worden door ‘fietser’. Althans in mijn stad. De doodenkele keer dat ik me daar per auto in waag, wordt het reactievermogen buitensporig op de proef gesteld door van voren en achteren, links en rechts opduikende tweewielers die met stoplichten, ver- en gebodsborden niets van doen blijken te hebben en die zich de hele openbare ruimte hebben toegeeigend, ongeacht of het rijweg of stoep betreft.

Slechts twee regels lijken te gelden: altijd in beweging blijven; altijd de kortste weg nemen. Vloekend en tierend zit ik achter het stuur, het ene leven na het andere reddend door van alle mij verleende rechten af te zien zonder dat daar (zie ook ‘duif’) enige erkentelijkheid tegenover staat. Een meesterlijk uitgevoerde noodstop die verplettering voorkomt van een jongeman die, van links komend en door rood scheurend een 'verboden in te rijden’-bord negeert levert niet meer dan een minachtende blik en een wegwerpgebaar op. Zozeer in strijd met mijn rechtsgevoel dat er een onrechtsgevoel voor in de plaats komt, behelzend 'rijd je dan verdomme maar te pletter’. Waarna het Uber-Ich het stuur met een flinke portie schuldgevoel over zoveel agressie weer in handen neemt.
Ben ik als automobilist degeen die de consequenties van andermans suicidaal gedrag tracht in te perken, als voetganger ben ik vogelvrij en zelf het potentiele slachtoffer. Hier houdt de vergelijking met duiven op en dient van haviken gesproken. Zebrapad noch trottoir vormen enige beveiliging tegen het tweewielig gilde dat geluidloos op elke straathoek, als heuse sluipmoordenaars, kan toeslaan. Hoe ik dit alles zo goed weet? Omdat ik fiets natuurlijk. En omdat ik me, eenmaal op het ijzeren ros geklommen, van geen stoplicht, ge- en verbodsbord ene moer aantrek. Laat staan van die walgelijke automobilisten die met hun gore uitlaatgassen de straat inpikken en verpesten. De ware stadsfietser is guerrillastrijder, bokkerijder, anarchist, Robin Hood, flierefluiter, evenwichtskunstenaar, perpetuum mobile - belichaming van de totale vrijheid. Al moet ik zeggen dat ik tot de gematigde fractie behoor die, op het trottoir rijdend, de stoeprand aanhoudt om eventueel uit hun portiek stappenden te sauveren.
Fietst een blonde meid op de Willemsparkweg. Knalt haar stuur, zonder omkijken of hand uitsteken, naar links waardoor een automobilist de keus heeft tussen verplettering of draai van negentig graden. Hij redt het laatste; zij gaat zijstraat in (verboden in te rijden); hij asgrauw van schrik verder; zij kijkt grijnzend om en steekt haar wijsvinger omhoog. Tot zover Normaal Amsterdams Peil 1995. Maar ik zie wat hij niet meer ziet. Hoe ze naar de dienstingang van het politiebureau rijdt, de code intoetst die de deur voor haar opent en haar fiets in de garage zet. Tien minuten later begint haar surveillance op dienstfiets met pistool op bil. Schandalig is het. En ik moet onbedaarlijk lachen.