Subjecten zonder voorgekauwde identiteit

Fuga’s en pimpelmezen: Over actualiteit, kunst en kritiek. Uitgeverij Meulenhoff, 208 blz., f36,90
STEFAN HERTMANS’ nieuwe essaybundel Fuga’s en pimpelmezen kan worden gelezen als een hartstochtelijk pleidooi voor een denken dat volledig op eigen benen loopt, dat zich door niets en niemand de weg laat voorschrijven, zelfs niet door bewonderde voorgangers. Ver weg van de snelweg, van het gemakkelijke rechttoe-rechtaan redeneren, moet het zichzelf een weg banen vanuit de houding dat niets zeker is en dat je onderweg voortdurend moet openstaan voor het onbekende en onverwachte. Vergelijkbaar met wat een nomade doet. Niet voor niets gaat een van de mooiste essays uit de bundel over verhouding tussen snelheid en verplaatsing in een landschap. ‘De wandelschool’ heet het heel toepasselijk.

Hertmans koerst bij zijn essayistische omzwervingen overwegend op het kompas van de kunstenaar. Dat is uiteraard geen toeval. In de eerste plaats niet omdat hij zelf een kunstenaar is: dichter en romancier, nog onlangs Libris-genomineerde met zijn prachtige roman Naar Merelbeke (1994). Daarnaast omdat de artistieke geest zich als gevolg van zijn manier van denken kan onttrekken aan de waan van de dag. Wat de meerwaarde van zo'n positiebepaling is, wordt al snel duidelijk in een aantal met kennis van zaken, persoonlijke betrokkenheid en affectie geschreven essay over schrijvers die door Europa trekken (onder andere Magris, Fermor, Sebald), over theaterman Jan Fabre, de filosoof Zizek, de muziek van Sjostakovitsj, Janacek en Elvis Costello en de moeizame samenwerking tussen Hindemith en Benn. Maar ook in zijn analyse van die actualiteit zelf, want anders dan in zijn vorige essaybundel Sneeuwdoosjes (1989), waarin alleen de literatuur aan bod kwam, stort Hertmans zich nu met overgave op de wereld om hem heen.
OVER HET bijzondere van de kunstenaarsblik, het feit dat deze onthechting mogelijk maakt, is Hertmans nog het meest uitgesproken in een essay met de veelzeggende titel ‘De vlam overleeft de brandstof’. Daarin demonstreert hij onder meer aan de positie van de krant en de kunstkritiek de 'neurose van het nieuwe, van de actualiteit’, de attitude namelijk om alles wat vandaag belangrijk wordt gevonden aan personen en hun ideeen maar meteen van het vergankelijkheidslabel te voorzien en zo al historisch te maken terwijl het nog wordt gecelebreerd. Wat telt is het moment en de reeks momentopnamen; het zicht op het grote geheel ontbreekt.
Binnen dit kader brengt Hertmans een bekende controverse tussen twee grote denkers ter sprake, de poeet Goethe en de wetenschapper Newton. Dit ingelast oponthoud krijgt op deze plek in het boek een bijna emblematische betekenis. Hertmans beschrijft hoe Goethe zich tot op zijn sterfbed verzette tegen de door Newton ontworpen theorie van de lichtbreking. Voor de Duitser was het licht een en ondeelbaar. De idee dat licht in kleuren brak, was Goethe een gruwel die tot in zijn laatste woorden doorklinkt : 'Meer licht.’ Uit dit gevecht vlamt een vraag op die in het actuele debat nog steeds voortduurt, namelijk of 'de wereld door samenhang dan wel verbrokkeling wordt getypeerd’. Bij de beantwoordind daarvan gaat Hertmans’ sympathie uit naar Goethe en niet alleen omdat diens kleurenleer jaren later zeer bruikbaar bleek voor Wittgensteins taalonderzoek. Want, zo redeneert hij verder: 'Het lijkt aannemelijk dat de kunstenaar van vandaag nog net zo'n synthetisch ervarend type in zich bergt dat de breking, ja zelfs de onderbreking van de dingen niet aangrijpt om het heden leeg te maken, maar dat op zoek blijft gaan naar de verborgen of vergeten geraakte band tussen dingen en mensen onderling, zonder dat hij daarbij in conservatieve retoriek over traditionele waarden hoeft te vervallen.’
Conservatisme en in het verlengde daarvan fundamentalisme steekt weer overal de kop op, zo betoogt Hertmans op tal van plaatsen. Allerlei vormen van behoudzucht proberen de leegte te bezetten die sinds de doodverklaring van God is ontstaan. Dat zelfs George Steiner aan de zuigkracht daarvan niet ontkomt - zoals blijkt uit zijn wanhopige poging om het deconstructivisme van een alternatief te voorzien - moet extra pijn hebben gedaan omdat er zoveel in hem te prijzen valt. Maar waar afstand moet worden genomen, wordt afstand gedaan, alle bewondering ten spijt.
Steiners afwijzing van gefundeerde kritiek (in zijn boek Real Presence), zijn idee om critici en recensenten monddood te maken en zijn keuze voor een woordeloze inleving is Hertmans een gruwel, zoals blijkt uit de terminologie waaronder hij dit denken vat: 'esthetisch fundamentalisme’ omdat het 'samenvalt met het geloof in God’.
DAT IS NIET de enige ambivalentie waarmee Hertmans kampt. Een andere heeft met zijn eigen Vlaanderen te maken en kristalliseert zich uit rondom wat hij in het openingsessay het 'christelijk renouveau’ noemt, een in intellectuele kringen aldaar gekoesterd nostalgisch verlangen dat, voortgekomen uit de teleurstelling dat de wetenschap niet onfeilbaar is gebleken, een wending naar God maakt, 'de ultieme waarheid die geen tegenspraak meer behoeft’. De filippica tegen dit soort herboren behoudzucht is - zoals overigens zijn hele manier van redeneren - gevoed door het verlichtingsdenken, de theorieen van de Frankfurters (Adorno, Benjamin, Bloch) en het postmodernisme (Baudrillard, Lyotard). En ze overtuigt. Niet in het minst omdat hij steeds de balans zoekt. Zo ook hier waar hij op een belangrijk hiaat, een leegte in het rationalisme wijst waarin conservatieve krachten steeds weer kunnen woekeren: 'Natuurlijk heeft het westers rationalisme dingen verwaarloosd waaraan de mens blijkbaar altijd behoefte zal hebben; dingen als emotie, geborgenheid, onbepaaldheid, onvoorspelbaarheid, transcendentie. Dingen die door een gereduceerd rationalisme werden terugvertaald naar “random processes”, maar waarmee het specifieke levensgevoel van een open, geheime en avontuurlijke wereld niet terug kon keren.’
In het laatste hoofdstuk van zijn bundel, 'Het geweld van zuiverheid’, analyseert Stefan Hertmans in het kielzog van de Franse filosoof Bernard-Henry Levy de nieuwe ideologische situatie in het Europa van na de val van de Berlijnse Muur. Wat de euforie van toen beloofde, de uiteindelijke overwinning van de democratie, is schrijnend genoeg niet uitgekomen. In plaats van versterking van de democratie ontstond alom 'schandalige machteloosheid’ en die blijkt, evenals in de jaren dertig, andermaal een bruikbare voedingsbodem voor de meest vreselijke ideologieen zoals racisme, religie en nationalisme. Een situatie die onder meer een pervertering van het begrip identiteit met zich heeft meegebracht, nu dat door populisten als Karadzic, Le Pen of Filip Dewinter op de maat van de zuiverheid wordt toegesneden. Niet om wie je bent, gaat het, aldus Hertmans, een onafhankelijk en kritisch denkend mens, maar om wat je in een groter verband moet betekenen: een 'nationaal ego’ moet je zijn, een lid van een superieure volksgroep. En andermaal zijn kunstenaars zijn tegenvoorbeeld, 'omdat ze nooit een identiteit nodig hebben gehad die groter was dan hun eigen lijf en leven’. Maar ook omdat ze als kosmopoliet, als vertegenwoordigers van de smeltkroes die stad heet, subjecten zijn 'zonder voorgekauwde identiteit’. Zie Salman Rushdie of Anil Ramdas.
Stefan Hertmans zet hoog in met de eis om tot een denken te komen dat de eigen twijfels opzoekt, de idee accepteert dat veel ongrijpbaar is, ja dat er zelfs op uit is om de eigen blinde vlekken op te sporen. Of dat allemaal haalbaar is, blijft een vraag. Maar zoals het gezegde luidt: niet gespeeld is altijd verloren. En daarbij zal hij zelf ook wel begrijpen dat enkele van zijn ideeen vooralsnog meer zijn ingegeven door wat mogelijk is dan door werkelijkheidszin. Daarom alleen al zijn deze essays mij sympathiek. Maar eveneens omdat hier een lenig en scherpzinnig denker aan het werk is, iemand die zijn opvattingen met de nodige souplesse onder woorden weet te brengen en te verdedigen. Wanneer ze een vervolg willen krijgen, zal dat toch moeten gebeuren in een discussie tussen kunstenaars, critici, politici en geinteresseerden. En waar zal die, paradoxaal genoeg, anders moeten plaatsvinden dan in de media die Hertmans hier zo terecht en hartgrondig de les leest?