J.A. Knip: Aquarellen van Italië zijn te zien tot 21 september

Subliem onvoltooid

Tijdens de regering van Lodewijk Napoleon werd aan dertien Nederlandse kunstenaars voor het eerst een Prix de Rome verleend, waardoor zij geruime tijd in Parijs en Italië konden doorbrengen om hun vaardigheid te vergroten en een portefeuille bruikbaar beeldmateriaal te vergaren. Een van hen was Josephus Augustus Knip (1777-1847).

Medium kunst

Hij was de oudste zoon van de Tilburgse behangsel- en stillevenschilder Nicolaas Frederik Knip. Josephus nam de zaak van zijn vader over toen die blind werd, maar in 1801 ging hij in de leer bij Van Spaendonck in Parijs, kennelijk met het doel zijn praktijk op een hoger plan te brengen. Hij viel op door zijn ijver en zijn talent; zijn mentor regelde vervolgens die Prix voor hem, verleend in 1807 aan ‘Le Sieur J. A. Knip, peintre en paijsage et en animaux’, groot 2400 livres.

Knip verbleef van november 1809 tot september 1812 in Italië in gezelschap van twee andere kwekelingen, Joannes Alberti en Pieter Kleyn. Hij maakte in en rond Rome meer dan vijfhonderd werken, voornamelijk aquarellen van monumenten en landschappen. Deze grote aquarellen bewaarde hij in een portefeuille om ze op een later tijdstip te gebruiken. Het Rijksmuseum verwierf een deel van die portefeuille in 2014 uit de collectie I.Q. van Regteren Altena en toont er nu 46 bladen van.

De kunsthistoricus Jan Knoef zag die schetsen in 1939, toen ze voor het eerst op de veiling kwamen, en hij zag Knip als ‘een observator van zeldzame scherpte’ en als ‘een colorist van nog 18e eeuwsche koudheid, maar met subtiel begrip voor fijne gradaties in de kleur’. Op die ‘koudheid’ na klopt dat als een bus, sterker nog: dit zijn fantastische tekeningen.

Het merkwaardige is dat ze niet af zijn. Ze zijn gemaakt als studiemateriaal, bedoeld om later te gebruiken als basis van welgevormde schilderijen, en dus concentreerde Knip zich op maar een deel van het landschap of een fragment van een gebouw. Hij liet grote stukken wit: zo zijn alleen de vaag-paarse en zachtgroene heuvels in de verte opgenomen, en niet de Tiber in de voorgrond; alleen de bakstenen bogen van een aquaduct zijn weergegeven, niet het zonnige landschap daaromheen.

Als Knip dat studiemateriaal later tot een compleet werk samenbrengt, dan voegt hij ordentelijke stoffering toe, koetjes aan de bron, meisjes van de Campagna met manden bevallig op het hoofd, enzovoort, en dan worden die Romeinse landschappen en stadsgezichten meteen Biedermeierbraaf als de decors van Romantische operettes. Maar die tekeningen, half-uitgewerkt, half wit, zijn van een onbegrijpelijk stille, bijna zuivere schoonheid. Knips technisch kunnen is verbijsterend, en misschien juist daarom is die onvoltooidheid, dat niet-ingevulde, zo sprekend. Anderhalve eeuw lang vond niemand dat, natuurlijk; Knips tijdgenoten kochten zijn werk uitsluitend in die voltooide, popperig-romantische staat, maar nu houden wij kennelijk van die nobele onafheid, dat ‘subliem imperfecte’.


J.A. Knip: Aquarellen van Italië, te zien met Uit en Thuis: Landschapstekeningen uit de John en Marine van Vlissingen Collectie, Rijksmuseum Amsterdam, t/m 21 september

Beeld: Rijksmuseum Amsterdam / Aankoop met steun van het Gerhard Fonds, de Vereniging Rembrandt, het VSBFonds en het Mondriaan Fonds