De moord op Theo van Gogh

Subversief cineast

Cineast Theo van Gogh had zijn eigen dood kunnen regisseren. Het hoofdmotief zou hem hebben aangesproken: bekende opiniemaker valt ten prooi aan reactionaire krachten in een geestelijk vervallen maatschappij die laveert tussen hoop en vrees. Vergezocht zou dit allerminst zijn geweest. Het is de realiteit. Want Van Gogh was juist bezig met het filmen van iets soortgelijks: 06-05, over de moord op Pim Fortuyn.

Weinig filmmakers in Nederland waren zo gefascineerd door maatschappelijke ontwikkelingen als Van Gogh. Het leek wel of hij sinds de moord op Fortuyn in 2002 obsessief is gaan draaien. Behalve aan 06-05 legde hij voor zijn dood ook de laatste hand aan Medea, een televisieserie over seks, politiek en media, en was hij al bezig met de planning van Bad, een lesbische roadmovie. Recent had Van Goghs engagement met de «multiculturele samenleving» al een hoogtepunt bereikt met Cool!, een in sneltreinvaart gemaakte film over criminele jongeren in de grote stad.

Misschien was Van Gogh wel te betrokken bij zijn thematiek. In ieder geval ligt zijn kracht als cineast in het onbeschaamd subversieve karakter van zijn beelden. Nergens is dit beter zichtbaar dan in Submission, de korte film die hij maakte samen met VVD-kamerlid Ayaan Hirsi Ali, waarin een jonge moslimvrouw vertelt over hoe zij verkracht en mishandeld is terwijl teksten uit de koran op de achtergrond zichtbaar zijn.

De film raakt een zenuw doordat Van Gogh het onnoemelijke bruut zichtbaar maakt. Een moslimvrouw verschijnt halfnaakt in beeld, haar zwarte sluier doorzichtig, haar jonge borsten geaccentueerd. Zij bidt, knielend, haar ogen naar boven gedraaid. Haar lichaamshouding reflecteert de titel van de film: onderwerping. De scène kon net zo goed uit een pornofilm komen; ook in dat genre zijn de lusten van de man allesoverheersend en dienen vrouwen slechts als gebruiksvoorwerp. Maar hier spreekt de vrouw. Om de een of andere reden heeft zij een Amerikaans accent en is haar stem daardoor juist verleidelijker: «O Allah, terwijl ik hier gewond lig, m’n geest gebroken, hoor ik in m’n hoofd de stem van de rechter die me schuldig bevond.» De rechter is tegelijkertijd de onderdrukker: zowel Allah als de man.

Wat hij met Submission voor ogen had, stak Theo van Gogh niet onder stoelen of banken. «Een pamflet,» zei hij in het televisieprogramma Nova. «Ik wil er een discussie mee losmaken.» En over de blote borsten: «Het gaat toch om mensen als u en ik, niet om iemand die je kunt vertrappen en weggooien.»

Submission is exemplarisch voor het oeuvre van Van Gogh omdat het werk zowel maatschappelijk geëngageerd is als tegen geaccepteerde regels van het filmmaken indruist. Zo zijn de verwondingen van het slachtoffer amateuristisch aangebracht en articuleert de actrice dermate overdreven dat het gevaar bestaat dat zij irritatie bij de kijker gaat oproepen. Deze bezwaren zijn gedeeltelijk terug te voeren naar het kunstenaarschap van de regisseur: door iets uit te vergroten, juist op het witte doek, wilde hij de maatschappelijke aandacht erop vestigen. Maar Van Gogh werkte doorgaans ook met karige budgets, waardoor hij nauwelijks in staat was behoorlijk aandacht te schenken aan vormgeving. Dat is een tragedie op zich.

De vraag wat voor cineast Theo van Gogh zou zijn geweest als hij genoeg geld had gehad om grotere films te maken, blijft onbeantwoord. Vast staat dat hij wars was van de subsidiecultuur in Nederland: het steeds maar weer schrijven van voorstellen die aan eindeloze adviescommissies moeten worden voorgelegd, om de stukken per kerende post terug te ontvangen met een afwijzing geschreven door politiek correcte bureaucraten. Om duidelijk te zijn: velen die moesten oordelen over het wel of niet geven van subsidie zagen Van Gogh ook niet zitten. Hij was nooit deel zijn van het bizarre, afgesloten wereldje van fondsen, cineasten en filmjournalisten. Net als Eddy Terstall en Alex van Warmerdam was Van Gogh een hoogst getalenteerde filmmaker die wegens gebrek aan geld niet werkelijk kon laten zien waartoe hij in staat was.

Hij maakte niettemin minstens twee prachtige films: 06 (1994) en Interview (2003). En één schitterende televisieserie: Najib & Julia (2002), waarmee hij de weg baande voor tele visiefictie die dwingende maatschappelijke kwesties behandelt rond de multiculturele samenleving. Hij had een instinct voor dramatische dialoog. Dat bleek voor het eerst in 1994, toen hij op het Nederlands Film Festival in Utrecht de speciale juryprijs en de prijs van de Nederlandse filmkritiek kreeg voor 06.

Ook Van Gogh zelf vond 06 een van zijn beste films. Het is een film die voor het eerst liet zien hoe goed hij met acteurs kon werken. Het verhaal draait om twee eenzame mensen, gespeeld door Ariane Schluter en Ad van Kempen, die elkaar ontmoeten via een contact advertentie. Door de telefoon communiceren zij hun angsten en verlangens tegenover elkaar. Van Gogh gebruikt een sociaal onacceptabele vorm – telefoonseks – om de diepste zielenroerselen van zijn personages bloot te leggen. In het proces ondermijnt hij de goede smaak.

Iets soortgelijks is aan de hand in Interview, waarin een falende journalist (Pierre Bokma) een soapsterretje (Katja Schuurman) moet interviewen, maar in werkelijkheid wordt geconfronteerd met zijn eigen leven. Met deze film groeide Van Gogh als kunstenaar. Opnieuw haalden zijn acteurs, vooral de briljante Pierre Bokma, een hoog niveau, maar in Interview mocht de nerveuze visuele stijl er ook zijn. De constant bewegende digitale camera’s laten de gezichten van de personages geen moment met rust. Vorm en inhoud smelten samen.

Het zegt veel over de tijdgeest dat Van Gogh na Interview weinig films maakte over abstracte onderwerpen als seks of eenzaamheid. Opeens waren er meer dwingende thema’s. De moord op Fortuyn en het in de ogen van Van Gogh mislukken van het multiculturele ideaal hadden een verreikende invloed op hem als regisseur.

Het is zowel vertederend als tragisch dat zelfs de cynische Van Gogh de consequenties van zijn artistieke engagement niet echt kon doorzien. Na Submission zei hij in Nova: «Er is geen bom ontploft. Ik ben in het geheel niet bedreigd; ik voel me ook niet bedreigd. Volgens mij is er niets aan de hand.»