Film: ‘If Beale Street Could Talk’

Subversieve kracht

KiKi Layne als Clementine ‘Tish’ Rivers en Stephan James als Alonzo ‘Fonny’ Hunt in If Beale Street Could Talk. Regie Barry Jenkins © Entertainment One Benelux

In de Amsterdamse studentenbioscoop Studio/K draaien momenteel films van zwarte makers die op het eerste gezicht elkaars tegenovergestelde zijn: een serie blaxploitation-films uit de jaren zeventig is te zien terwijl in een andere zaal If Beale Street Could Talk draait, de verfilming van James Baldwins roman uit 1974. Waar Beale Street een gevoelvol portret is van de liefde tussen twee jonge mensen ten tijde van sociaal onrecht zijn de blaxploitation-films, bijvoorbeeld Coffy (1973) en Foxy Brown (1974), thrillers vol seks en geweld. En toch delen deze films veel met elkaar.

Midden jaren zeventig hekelde Baldwin in een essay de wijze waarop Hollywood zwarte acteurs ‘incorporeerde’ in de witte wereld in films die slechts aan de oppervlakte vooruitstrevend waren. Het komt erop neer dat mainstreamfilms – Baldwin noemt vooral werk waarin de acteur Sidney Poitier speelde – de zwarte beleving van de werkelijkheid acceptabel maakte voor een wit publiek. Oppervlakkig beschouwd kun je dat ook zeggen van de blaxploitation: in deze films zijn zwarte personages stereotypen (prostituees, pooiers, drugsdealers), waardoor ze evenzeer behapbaar zijn voor witte kijkers. Toch hebben deze films onverminderd een subversieve kracht.

Dat zit ook in Beale Street. Regisseur Barry Jenkins, die twee jaar geleden het uitstekende Moonlight maakte, vertelt het verhaal van Tish en Fonny, tieners die in de jaren zeventig in Harlem op elkaar verliefd worden, door trouw te blijven aan Baldwin. Dat wil zeggen: verhaal en personages worden niet omgevormd zodat ze ‘acceptabel’ zijn voor witte kijkers die misschien zouden ‘schrikken’ als ze zien hoe zwarte mensen echt leven. Ook in de film is Tish, een debuut van KiKi Layne om nooit te vergeten, de verteller. Haar liefde voor Fonny is echt. Zijn arrestatie is schokkend, maar geheel in lijn met wat er in die tijd met zwarte jongens als hij gebeurde wanneer ze zichzelf waren en daarmee weerstand boden aan wit ‘baasschap’, hier in de gedaante van een racistische agent die Fonny laat opdraaien voor een verkrachting.

Nergens is er in Beale Street sprake van ideologisch preken. Het revolutionaire ligt in de nuance, in de puurheid van Tish’s liefde voor Fonny. Zo bezien valt de film uitstekend te bekijken naast de blaxploitation, bijvoorbeeld Coffy, waarin de godin van het genre, Pam Grier, wraak neemt op dealers die haar zusje verslaafd hebben gemaakt. Maar het allermooiste blijft de lach van privédetective John Shaft (Richard Roundtree) in Gordon Parks’ klassieker uit 1971 (helaas niet deel van de serie in Studio/K). Shaft lacht óns uit, want wat we in hem denken te zien, ís er niet eens. Zoals Isaac Hayes zingt in de titelsong, ‘Who’s the black private dick/ That’s a sex machine to all the chicks? (Shaft)’, is Shaft nóóit een zwarte man die acceptabel is gemaakt voor een wit publiek. Hiermee leeft Shaft in dezelfde wereld als Fonny. In Baldwins roman zegt Tish over Fonny: ‘He wasn’t anybody’s nigger. And that’s a crime in this fucking free country.’


If Beale Street Could Talk is vanaf 14 februari te zien, Blaxploitation Cinema is tot het eind van de maand te zien in Studio/K, Amsterdam