Interview striptekenaar Seth

«Succesverhalen boeien me niet»

De tijd van de strip als massamedium is voorbij. Tegelijkertijd ontdekken kunstverzamelaars geleidelijk het genre als kunstvorm. De toonaangevende striptekenaar Seth maakt literaire strips over gewone mensen, met gewone levens.

«De media vertellen ons dat het leven alleen maar zin heeft als je beroemd bent. Veel mensen geloven het ook nog. Dat vind ik zo ontzettend triest», vertelt Seth. Hij kiest juist alledaagse gebeurtenissen, middelmatige prestaties en onopvallende types als onderwerp voor zijn strips. In zijn tekeningen combineert hij fijne, soepele lijnen met een melancholieke sfeer. Zijn strips ademen de sfeer van de illustraties uit het tijdschrift The New Yorker van de jaren veertig en vijftig. Seth: «De hoofdfiguren uit mijn strips geloven dat het leven vroeger aangenamer was. Dat geloof ik zelf ook wel, maar naarmate ik ouder word toch steeds minder. Veel dingen zijn er natuurlijk wel degelijk op vooruit gegaan, maar die snelle, lompe wereld van nu past gewoon niet zo goed bij me. Als ik kijk naar het verleden zag alles er vaak zo veel mooier uit, bijvoorbeeld de architectuur, de kleding, de muziek, maar ook de tekenstijlen in strips.»

Seth is het pseudoniem van Gregory Gallant, in 1962 geboren in Ontario in Canada. Tegenwoordig woont hij in Toronto. Seths interesse voor striptekenen begon — zoals bij zoveel Amerikaanse en Canadese striptekenaars — bij de superhelden-comics. In zijn tienertijd tekende hij honderden pagina’s met zelfverzonnen superhelden. Zijn grote doel was om striptekenaar te worden bij het toonaangevende Marvel Comics. Eenmaal op de kunstacademie verschoof zijn focus naar het meer serieuze stripgenre. Toen ontstond ook zijn interesse voor de oude illustratoren uit The New Yorker én voor Hergé, die Seth nog steeds een van zijn belangrijkste voorbeelden noemt.

In de jaren tachtig tekende hij nog de verhalen van anderen uit. Zijn typische eigen stijl werd pas volop zichtbaar in de reeks Palooka Ville, die vanaf 1990 verschijnt bij het Canadese Drawn & Quarterly. Deze uitgeverij bood in de loop der jaren ook onderdak aan andere talentvolle striptekenaars, waaronder Chester Brown en Joe Matt, met wie Seth een hechte vriendschap ontwikkelde. Ze doken zelfs in elkaars werk op als stripfiguur. Tegelijkertijd werd Seth een veelgevraagd illustrator voor onder meer The New York Times, The Wall Street Journal, The Washington Post, Premiere en Time. Hij kreeg verscheidene prijzen voor zijn werk.

In het dagelijks leven gaat Seth gekleed als een dandy uit de jaren veertig, volledig in pak en met een hoed op. Zelfs zijn bewegingen zijn dandy-achtig en in overeenstemming met de sfeer in zijn strips. Seth: «Begin jaren tachtig zat ik in de punkscene en kleedde me in de stijl die daarbij paste. Ik had lang haar, dat ik spierwit verfde. Later raakte ik geïnteresseerd in de muziek uit de jaren dertig en veertig en ging me in de stijl van die tijd kleden. Toen ik mezelf begon te tekenen, was dat wel makkelijk, want iemand met een hoed op en een lange jas aan is herkenbaarder dan iemand in een T-shirtje.»

In 1996 verscheen de «beeldnovelle» It’s a Good Life If You Don’t Weaken, waarin zes afleveringen van Palooka Ville zijn gebundeld. Samen vormen ze een verhaal waarmee Seth een ode brengt aan de cartoonisten uit de eerste helft van de vorige eeuw. In het boek — waarvan ook een Franse en een Spaanstalige editie verscheen — is Seth zelf de hoofdfiguur, die op zoek gaat naar het leven en werk van de vergeten New Yorker-illustrator Kalo, in het echte leven Jack Kalloway geheten. Hij probeert te achterhalen waarom van Kalo na het begin van de jaren vijftig nergens meer een cartoon verscheen. Uiteindelijk vindt hij na veel omzwervingen de hoogbejaarde moeder van de overleden illustrator. Achter in het boek staan elf tekeningen en een foto van Kalo. Enige tijd na het verschijnen van het boek rees het vermoeden dat Kalo en zijn werk volledig waren ontsproten aan de fantasie van de auteur. Zelf wil Seth daar geen concrete uitspraken over doen. Het wel of niet bestaan van Kalo is naar zijn idee oninteressant.

Seth: «Voordat ik het verhaal over Kalo maakte, dacht ik dat als ik iets autobiografisch maakte het wel moest gaan over bijzondere, interessante gebeurtenissen. Het eerste nummer van Palooka Ville ging dan ook over hoe ik op straat in elkaar werd geslagen, en daarna maakte ik een verhaal over mijn verhouding met de vrouw van mijn baas in het restaurant waar ik werkte. Het werd me echter snel duidelijk dat juist dat de minst interessante verhalen zijn. Je kunt ze gebruiken voor een sterk verhaal op een feestje, maar ze zijn niet geschikt voor een strip. De mooiste strips gaan over veel minder grijpbare zaken zoals vage gedachten, dromen, fantasieën en de kleine dagelijkse dingen die je overkomen. Ik had een structuur nodig waar ik mijn verhaal op kon bouwen en dat werd Kalo. Zo werd het niet een verhaal waarin ik alleen maar denkend rondloop.»

Seth houdt van matig succesvolle figuren als Kalo: «Ik ben geïnteresseerd in het obscure, bijvoorbeeld in mensen die een klein winkeltje hebben, buiten de zogenaamd opwindende wereld van roem. De media zijn zo gericht op de ‹big time›-wereld van beroemde schrijvers en filmsterren. Met name in Amerika is men niet zo geïnteresseerd in verhalen over falen. Het gaat altijd over de succesverhalen, en die boeien me niet.» Seth vertelt in dit verband over de documentaire Belfast, Maine (1999) van de Amerikaanse regisseur Frederick Wiseman, die diepe indruk op hem maakte: «Die documentaire ging over een klein plaatsje in de VS. Gedurende drie uur rolde er een camera door de straten zonder enig nader commentaar. Het was alsof je zelf door het plaatsje liep. Je ging bijvoorbeeld een stomerij binnen en zag hoe mensen daar bezig waren. Juist het leven van alledag is zo ontzettend fascinerend. Je krijgt bijna nooit echt de gelegenheid om te zien hoe andere mensen hun dagelijks leven leiden. Je kent je eigen bestaan van binnenuit; van het leven van anderen kom je alleen maar kleine stukjes te weten. Je ziet nooit hoe mensen hun avondeten nuttigen.»

Toch zal Seth zelf niet gauw een obscuur winkeltje binnenstappen om er rond te kijken en met het personeel te praten: «Ik zou het wel willen, maar daar ben ik veel te verlegen voor. Ik haal de informatie voor mijn strips uit boeken en documentaires. Daarnaast kijk ik ook wel rond in het echte leven, maar ik ben zeker geen onderzoeksjournalist. Het is allemaal geromantiseerd.»

Kees Kousemaker is eigenaar van de Amsterdamse stripwinkel Lambiek, de oudste in zijn soort in Europa, en vermaard stripkenner. In de galerie bij de winkel vond in 1996 een expositie plaats van de striptekenaars van Seths uitgever Drawn & Quarterly. Op de website van Lambiek staat een virtuele expositie met tekeningen van Seth. Volgens Kousemaker behoort Seth met zijn strips tot de absolute wereldtop: «Kijk, van de beste dertig striptekenaars ter wereld zitten er zeker vijf bij deze uitgeverij. Ze zijn allemaal toonaangevend op een eigen manier. Voor Seth geldt dat ook. Wat hij maakt, is echt van een heel hoog niveau. Het is gewoon kunst.»

Kousemaker vindt dat het stripgenre in Nederland niet de erkenning krijgt die het verdient: «Er is nog nooit een directeur van het Stedelijk Museum hier binnen komen rondkijken. Er heeft ook nog nooit iets van hier gehangen in het Stedelijk, terwijl ik zeker weet dat dingen die ik hier heb ooit als de kunst van onze tijd zullen worden gezien. Het is treurig om vast te stellen, maar strips worden in kunstkringen nog steeds beschouwd als iets ordinairs. Tegelijkertijd ontdekken kunstverzamelaars geleidelijk de strip als kunstvorm. Maar in de wereld van de kunst kun je nog steeds beter niet gezien worden als je mijn winkel uit komt. Iemand zou je kunnen opmerken en zeggen: ‹Hé, heb jij daar de smurfen lopen lezen?› Nee, dat kan nog steeds echt niet.»

Intussen is de tijd van de strip als massa medium voorbij, constateert Kees Kousemaker. Vroeger haalden bladen als Eppo en Robbedoes gigantische oplagen. Anno 2002 is er in Nederland geen enkel echt stripblad meer. Kousemaker: «Er zijn andere dingen voor de strip in de plaats gekomen. Op een doorsnee avond zijn er vijf speelfilms op televisie en dan heb je natuurlijk ook nog de computerspelle tjes. De strips verdwijnen ook langzaam maar zeker uit de kranten. Die er nog wél in staan, zijn meestal antireclame voor de strip, bijvoorbeeld De stamgasten. Verder is de strip met name een literaire vorm geworden.»

De meest recente — nog lopende — strip reeks van Seth, Clyde Fans gaat over twee broers die samen gedurende vele jaren een ventilatordistributiebedrijf runnen. Het verhaal begint met een prachtige monoloog van de overgebleven oudste broer Abraham. Terwijl de bejaarde man door de stoffige winkelruimte, het magazijn en zijn woning loopt, vertelt hij over de «kunst van het verkopen». Daarna onthult Abraham waarom hij zelf nooit een goede verkoper werd: «Ik hield gewoon niet genoeg van mensen.» In een terugblik op 1957 gaat de jongere broer Simon op reis naar een klein plaatsje, waar hij — drijvend in het zweet — winkeliers probeert over te halen om Clyde Fans af te nemen. Bij het minste weerwoord geeft hij zijn verkooppoging al op. Zelfs het bestellen van een kop koffie in een restaurant gaat hem slecht af. Via de telefoon zet Abraham zijn jongere broer zwaar onder druk om te slagen in zijn verkoopmissie. Juist dat maakt de kans op succes nog kleiner. De fascinerende verhouding tussen de twee broers komt in het vervolg van het verhaal nog helderder naar voren.

Seth: «Ik kwam op het idee voor Clyde Fans doordat ik een winkel in Toronto kende die zo heette. Tien jaar lang liep ik er langs. Ik keek altijd naar binnen en zag dan een gedempt verlicht kantoor met aan de muur een foto van twee mannen. Ik begon te fantaseren wat daar voor verhaal achter zat. Uiteindelijk kwam ik uit op twee broers die een winkel runnen.» Situaties in het dagelijks leven inspireren Seth niet alleen voor zijn eigen strips, maar doen hem ook vaak terugdenken aan strips en gags van anderen: «Zo moest ik onlangs op mijn trouwdag, direct na de huwelijksvoltrekking, denken aan een oude gag uit Esquire. Daarin komt een net getrouwd stel het stadhuis uit. Terwijl er rijst naar ze wordt gegooid, zegt hij tegen haar: ‹Heb je ook weleens meegemaakt dat je iets heel graag wilde, maar dat je toen je dat ook echt kreeg, ontdekte dat je het eigenlijk helemaal niet wilde?› Die strip gaf niet mijn gevoel van dat moment weer, maar ik had wél die associatie. Daar kon ik niets aan doen.»

Het werk dat wellicht het dichtst bij Seth zelf staat, is het vorig jaar verschenen Vernacular Drawings met tweehonderd verzamelde tekeningen uit de schetsboeken van Seth. In het grote fullcolour-boek staan onder meer bekende jazzartiesten van weleer, gezamenlijk poserende tantes en een bizarre reeks portretten van verzekeringsagenten. De tekeningen hebben gemeen dat ze verwijzen naar de verdwenen wereld van de vroege twintigste eeuw waar Seth zo van houdt. Seth: «Ik werkte in mijn schetsboeken zonder er ooit aan te denken om ze te publiceren, totdat mijn uitgever op het idee kwam er een duur boek van te maken. Het zijn tekeningen die ik echt puur voor mijn plezier maakte. Het maken van tekeningen voor magazines maar ook voor Palooka Ville beschouw ik daarentegen echt als werk. Ik geniet er pas van als het af is. Van het tekenproces zelf geniet ik niet. Dat is nog steeds gewoon hard werken voor mij.»