Such a sad reflection on humankind

Een tijdje geleden kreeg ik een mailtje van een Engelse vriendin. Ze had van een Nederlandse collega gehoord dat ik haar vereeuwigd had in een van mijn boeken. Het was een mail waarvoor ik al lang bang was, en die al met al vier jaar op zich had laten wachten.

Wat doe je als ze erachter komt? had mijn thuisfront al vaak gevraagd.
Ik had altijd wel een verdediging paraat. Bijvoorbeeld dat ze me er zelf om had gevraagd. Wat een heel vrije vertaling was voor een opdracht die ze een keer voor in een boek had geschreven dat ze voor me had gekocht: ‘feel free to use our story in your own’.
Ik had die vrijheid maar al te graag opgepakt. Dat ik er toch niet helemaal een koosjer gevoel bij had, bleek toen het boek werd gepubliceerd en ik tegen de gewone routine in het niet aan haar cadeau deed. Ze kon weliswaar geen Nederlands lezen, maar zou wel om de zoveel bladzijden de naam van haar woonplaats tegenkomen wat haar ongetwijfeld op een idee zou brengen.
Waarom ik dan niet op z'n minst een andere plaatsnaam had gebruikt? Op de een of andere manier dacht ik toch dat het verhaal dan niet meer zou kloppen. Alsof ik de magie van de geschiedenis dan teniet zou doen, en alleen maar een verhaaltje had geschreven dat zich overal had kunnen afspelen.
'I can’t remember if I ever knew that you were going to use my awful story in one of your novels’, mailde ze. 'If so, I had forgotten, and am now intrigued.’
Vervolgens schreef ze hoe frustrerend ze ’t vond dat ze mijn boek zelf niet kon lezen. En dat ik haar echt moest waarschuwen als ik de internationale bestsellerslijst zou bereiken en het vertaald zou zijn in het Engels. Een paar dagen later kreeg ik weer een mail van haar. Dat ook een andere Nederlandse collega m'n boek had gelezen en haar had herkend in een van mijn hoofdpersonages.
'He has been teasing me about the kind of character she is. Is she likeable, at least?’
Ze schreef dat deze collega haar ook het einde van het boek had naverteld.
'I like that twist’, schreef ze, 'although it is such a sad reflection on humankind.’
Ik schreef haar terug, onder meer dat het personage op haar geënt meer dan likeable was. Ik mailde haar niet dat ik het boek nooit had kunnen schrijven als ik had geweten dat het haar ooit onder ogen zou komen. Je kunt nog zo'n likeable personage van iemand maken, het blijft een personage. Iemand vastleggen in een gestolde vorm heeft iets intrinsiek beledigends.
Een daad van verraad.
Schrijven is plagiaat plegen op de werkelijkheid, vond Patricia de Martelaere.
Vroeger dacht ik dat schrijvers mensen waren die situaties en personages verzonnen, maar inmiddels ben ik erachter dat dat wel meevalt.
Toen de roman waarin dat derivaat van de Engelse vriendin figureerde net uitkwam, durfde ik in interviews niet te zeggen dat het verhaal geïnspireerd was op wat een vriendenstel uit mijn omgeving was overkomen. Ik dacht dat dat te goedkoop zou klinken. Inmiddels denk ik: wat een onzin.
Ik had zoveel ontzag voor fantasie dat ik geneigd was om alles wat te herleiden is tot de realiteit minder te vinden. Verbeelding is de jus van het leven, werd Hella Haasse onlangs op de cover van De Groene Amsterdammer geciteerd. Charlotte Brontë bedoelde iets soortgelijks toen ze in een brief schreef dat ze bij het schrijven genoot van 'het voorrecht van de rêverie’. Maar jus heeft aardappels nodig, en dromen kunnen alleen in wakkere toestand worden naverteld (en zijn dan nog steeds vervelend).
Wat de praktijk leert: dat mensen, schrijvers ook, ontstellend weinig fantasie hebben. Dat maakt het ook zo moeilijk een boek te lezen van iemand die je redelijk goed kent. Je ziet precies waar ze liegen. Of neutraler gezegd: waar ze de boel naar hun hand zetten. Het is net als dat je iemand langer kent dan vandaag. Naar nieuwe, onbekende mensen kun je bij wijze van spreken nog ademloos luisteren. Je kunt ze bewonderen en ze geloven. Maar bij de mensen die je kent denk je maar al te vaak: ja ja, lul maar raak. Of netter gezegd: hou je bek gewoon maar.
Ik denk dat zoiets een andere vriendin van vroeger ook bedoelde toen ze me deze week verontschuldigend per brief liet weten niet de moed te hebben een boek van me te lezen. 'Als ik jouw boeken probeer te lezen, denk ik tussen de regels andere dingen te lezen. Of ik denk mensen of dingen te herkennen. En dat vind ik dus moeilijk.’
Lieve Godelief, ik heb nog geen tijd gehad om terug te schrijven. Maar ik weet dat je dit leest. En ik wil je zeggen: het maakt niet uit. De slechterik in deze ben ik.