Suffe meisjes met suffe besognes

Mary McCarthy, The group, € 11,75
Mary McCarthy, De groep. Vertaald door J.F. Kliphuis en R.W.M. Kliphuis-Vlaskamp, € 19,95

‘De macho prins van de Amerikaanse literatuur’, zoals de Associated Press Norman Mailer ooit doopte, deed zijn naam eer aan toen hij in The New York Review of Books een vlammend stuk schreef over The Group van Mary McCarthy. In feite was het meer een afrekening met de schrijfster zelf dan met haar boek, zoals ook blijkt uit de titel van zijn schotschrift: The Mary McCarthy Case. Hij richt zich tot haar als 'our First Lady of Letters’, onze heilige, onze scheidsrechter, onze Jeanne d'Arc, 'de enige Jeanne d'Arc die heen en weer reist door onze afgesleten literaire wereld’. Met De groep had zij, vond hij, een roman geconcipieerd die aan de geheimste ambities van de redacteuren van damesbladen tegemoetkwam, verder was ze niet gekomen. Mailer verduidelijkte dat met een venijnige metafoor: De groep is een boek dat zich als een rommelig klein boetiekje tussen de statige panden aan de Grote Avenue van de Roman had gewurmd, een plaats waar de shabby verkoopster McCarthy tussen de troep af en toe iets van waarde aanbood, maar hoe dan ook het soort winkeltje dat op die avenue niet thuishoorde, en dat óf een flinke 'upgrading’ nodig had óf met de grond gelijk gemaakt moest worden.

Toen De groep in 1963 verscheen was het meteen een succes de scandale. Mary McCarthy schreef zo onverbloemd over zaken waar alle vrouwen mee te maken krijgen, maar meestal decent over zwegen, zaken als anticonceptie, belabberde seks, ontrouwe echtgenoten en borstvoeding, dat het boek in Canada verboden werd. Er werd haar door critici verweten dat ze een 'geperverteerde blik op het leven’ had, maar tegelijkertijd werd haar roman 'briljant’ genoemd, een 'prachtig gecomponeerd tableau’ van een groep jonge vrouwen. Die botsende opinies, en het hoge schokgehalte van het boek, maakten dat het bijna twee jaar boven aan de bestsellerlijst van The New York Times prijkte.

Norman Mailer moest natuurlijk ook niets hebben van de triviale vrouwelijke wissewasjes - de 'cultivated banalities’ van de hoofdpersonen - die de First Lady of Letters nauwgezet beschrijft. Maar hij was er niet door geschokt, de machoschrijver kon wel tegen een stootje. Zijn kritiek was fundamenteler en daarom nog steeds interessant. Die kritiek komt hierop neer: De groep is een collectieve roman, met acht aardige meisjes als hoofdpersoon, die geen van allen passie en dramatiek genoeg hebben om de roman te dragen. De jongedames mogen dan wel hun probleempjes hebben, geen van hen heeft een Probleem met een hoofdletter. Geen van hen gaat gebukt onder een grote tragische liefde, valt hardhandig uit haar sociale klasse, raakt aan lager wal, is egocentrisch genoeg om bruut met de andere jongedames te breken, kortom, geen van hen breekt uit de kooi van haar karakter. Wat Mailer tot de conclusie brengt dat de kooi waarin de meisjes opgesloten zitten niet zo wreed is. Ze hebben gewoon gebrek aan ambitie, hetzelfde gebrek aan ambitie dat McCarthy zelf had toen ze haar roman schreef.

Suffe meisjes met suffe besognes, daar komt De groep volgens Mailer op neer. Kijk maar naar hun obsessie voor de meubilering van de appartementen die ze met hun kersverse echtgenoot betrekken, voor de drankjes die geschonken worden op hun recepties, voor de goede jurk voor elke gelegenheid. Er kan nog één dubieus compliment vanaf: het boek zal herinnerd worden als klassieker in de sociologie.

De groep is inderdaad ook voer voor sociologen. Mailer heeft gelijk als hij stilstaat bij de grote opmerkingsgave van McCarthy. Maar de roman is toch bovenal een literaire klassieker, en de redenen daarvoor draagt Mailer ook aan, al waardeert hij ze negatief. Au fond neemt hij McCarthy kwalijk dat zij geen mannelijke hoofdpersoon heeft gecreëerd, dat wil zeggen: een hoofdpersoon met de dramatische kenmerken die nu eenmaal traditiegetrouw aan mannen worden toegekend. Mary McCarthy laat in De groep nu juist zien dat meisjes net als jongens groots en meeslepend willen leven. Haar personages, acht vriendinnen die net zijn afgestudeerd aan het prestigieuze Vassar College, hebben wel degelijk ambities, ze dromen van betekenisvol werk, van bezigheden die ertoe doen. Maar tussen droom en daad staan veel praktische bezwaren; bezwaren die kenmerkend zijn voor vrouwenlevens in de jaren dertig, en ook nog in de jaren zestig, het decennium waarin de roman werd gepubliceerd.

Mary McCarthy schreef uit eigen ervaring: ze rondde zelf haar studie in 1933 aan Vassar College af; de vriendinnen die ze beschrijft hebben de karaktertrekken van haar eigen studiegenotes. Niet voor niets herkenden die zich in haar portretteringen, waardoor McCarthy niet echt meer warm werd onthaald op reünies. En ze mocht zichzelf dan distantiëren van het feminisme, dat ze ooit als een cocktail van 'zelfmedelijden, schrilheid en hebzucht’ omschreef, haar boek gaf uitdrukking aan 'the problem that has no name’ dat Betty Friedan beschreef in The Feminine Mystique, het traktaat dat een paar maanden voor De groep was verschenen en het begin vormde van de tweede feministische golf. Misschien behelst het probleem zonder naam inderdaad vooral probleempjes, maar dan probleempjes die zo knagend en zeurend zijn dat de vrouwen die eraan leden, ondanks de comfortabele financiële positie waarin ze verkeerden, hun moderne doorzonwoning, hun fijne man en kinderen, doodongelukkig waren.

McCarthy weet het prefeministisch onbehagen haarscherp te vatten. Net als de vrouwen die centraal staan in Friedans boek maken de vriendinnen in De groep deel uit van de hogere middenklasse. Ze kennen geld- noch andere nood. Het leven lijkt ze toe te lachen, maar zonder dat ze er bewust voor hebben gekozen vinden ze zichzelf opeens terug naast een man voor wie ze geen werkelijke passie voelen en hebben ze kleine kinderen die beslag op ze leggen. Ze zitten zogezegd in Mailers kooi, en al is die van fluweel, gevangen voelen ze zich niettemin.

Juist de bijzondere vorm van de roman, die geen 'portret van een dame’ is, maar een groepsportret, sluit uitstekend aan bij de thematiek. McCarthy schildert geen individueel drama, maar een collectief probleem, dat uiteraard wel allerlei individuele varianten kent. Maar er is voor alles de constante: eenmaal getrouwd is er geen ruimte meer voor individuele ontplooiing. En zelfs buiten het huwelijk zijn vrouwen afhankelijk van de goedertierenheid van mannen, die over het algemeen niet zo groot is. Kijk bijvoorbeeld naar Dottie Renfrew, die op een bruiloft een aantrekkelijke man ontmoet en meteen met hem mee naar huis gaat. Ze verliest haar maagdelijkheid bij hem en al behandelt hij haar honds, ze heeft toch goede hoop dat het wat met hem wordt, al is het maar een erotische affaire, omdat hij haar aanraadt een pessarium ('Dutch cap’) aan te schaffen.

In het bemachtigen van het dan behoorlijk vooruitstrevende anticonceptiemiddel, door McCarthy scherp, geestig en tegelijk met compassie beschreven, balt de situatie van de moderne vrouw zich samen. Manhaftig neemt Dottie haar eigen seksualiteit in de hand, trotseert ze de vrouwelijke arts door wie ze zich genitaal moet laten onderzoeken en bij wie ze moet oefenen met het inbrengen van het ding. Trots verlaat ze de praktijk met het voorbehoedmiddel. Maar dan dringt zich een praktische omstandigheid op die aantoont dat vrouwen niet werkelijk meester kunnen zijn over hun seksualiteit: waar moet ze het pessarium laten? Ze kon het toch moeilijk verstoppen in de studentenkamer die ze met een ander deelde? Ze probeert haar minnaar te bereiken, maar die neemt de telefoon niet op. Urenlang wacht ze op hem op een bankje op Washington Square en als hij niet komt, kan ze maar één ding doen: 'Hopend dat niemand het zou zien liet ze de anticonceptionele uitrusting onder de bank glijden waarop ze zat, en liep toen zo snel mogelijk en zonder om te kijken naar Fifth Avenue.’ >

Of kijk naar Libby MacAusland, die Engels studeerde aan Vassar en in de redactie van het literaire tijdschrift van het College zat. Zij is vastbesloten om een positie te bereiken in de uitgeverswereld van New York. Elke week meldt ze zich bij een redacteur van een uitgeverij om manuscripten te halen die ze nauwgezet van commentaar voorziet. Na verloop van tijd laat hij haar weten dat zij er niet geschikt voor is. En hij voegt daar nog aan toe: 'De uitgeverij is een mannenwereld. De boekenwereld in elk geval. Kunt u me één vrouw noemen die aan het hoofd van een uitgeverij staat, afgezien van Blanche Knopf, die met Alfred is getrouwd? Vrouwen werken alleen in lagere functies, op de afdelingen publiciteit en reclame. Of ze maken boeken persklaar en corrigeren drukproeven. De meeste zijn oude vrijsters, met een potlood achter hun oor en een slechte spijsvertering. (…) Nee. Tenzij u met een uitgever trouwt, zult u het in dit vak nooit ver brengen.’

McCarthy glijdt subtiel tussen de jongedames heen en weer, zoomt telkens op een ander in, kruipt in haar hoofd en weet, hoezeer ze ook met overeenkomstige problemen worstelen, de verschillende karakters mooi uit te tekenen. De roman begint en eindigt met een tableau de la troupe, waarin alle vriendinnen tegelijk optreden, waarbij McCarthy heen en weer springt tussen de een en de ander. Aan het begin is iedereen aanwezig bij het onconventionele huwelijk van de brutale Kay Strong, die als eerste van de vriendinnen trouwt, met Harald Petersen, een toneelschrijver en -regisseur die maar niet weet door te breken, ofwel omdat hij niet zo geniaal is als hij zelf denkt, ofwel omdat hij domweg onmogelijk is. Aan het einde van het boek meldt iedereen zich bij de begrafenis van Kay, die inmiddels is gescheiden van Harald, en van de twintigste verdieping van de Vassar Club naar beneden is gevallen. Is het een ongeluk? Is het zelfmoord? McCarthy laat het in het midden. Iemand noemt Kay 'het eerste Amerikaanse oorlogsslachtoffer’, omdat ze de gewoonte had vanuit het raam vliegtuigen te identificeren.

Aan het eind van de roman is in Europa de Tweede Wereldoorlog uitgebroken. De jaren dertig, waar ondanks de belemmeringen voor vrouwen alle ruimte was om politiek avonturier te zijn (verschillende personages flirten met het trotskisme), zijn voorbij. Een periode van nog grotere ernst dient zich aan, waarin het voor de getrouwde vriendinnen nog moeilijker zal zijn uit hun fluwelen kooi te ontsnappen. Er is slechts één vriendin die zich aan dat sombere scenario lijkt te onttrekken, en dat is Elionor 'Lakey’ Eastlake, die uit Italië terugkeert, om niet in de oorlog verstrikt te raken, een stevig gebouwde barones in haar kielzog. De mooie, rijke vrouwelijke Lakey is lesbisch geworden. En hoe besmuikt de vriendinnen ook over die 'perverse’ verhouding praten, ze zien ook in dat Lakey als enige van hen voor de vrijheid heeft gekozen.

MARY MCCARTHY
DE GROEP
Vertaald door J.F. Kliphuis en R.W.M. Kliphuis,
De Arbeiderspers, 408 blz., € 19,95