Sufgelulde wildebeestentuin

In het schemergebied tussen de afsluiting van het theaterseizoen en de start van de moedeloos makende reeks zomerfestivals volvoer ik graag inhaalmanoeuvres: ik probeer te zien wat is gemist. Voor de toneelminnaar die ik ben zijn dat feestweken. Voor de makers staat er niks meer op het spel - behalve de voorstelling prachtig te spelen. De criticus kan een ‘pretpakket’ bij elkaar winkelen. Afgelopen week was het helemaal raak. Het Onafhankelijk Toneel had de grote zaal van de Toneelschuur verbouwd voor Vrouw van de zee, een tekst uit 1888 van de Noorse schrijver Henrik Ibsen (1828-1906) in de regie van Mirjam Koen, een decor van Gerrit Timmers, kostuumontwerp: Carly Everaert, lichtontwerp: Paul van Laak. Het werd een memorabele avond.

Fruen fra Havet is een weinig gespeeld stuk van Ibsen. Daar zijn waarschijnlijk twee redenen voor. Het centrale personage Ellida, tweede echtgenote van de arts Wangel, heeft een passie - zij is ‘de vrouw van de zee’ - die pas vrij laat wordt ont huld. Ellida is een ui. Je kunt haar laag voor laag afpellen, aan het eind blijkt ook de kern een raadsel. Haar binding met de zee wordt verpersoonlijkt door een geheimzinnige figuur die laat in het stuk opduikt: een Amerikaanse zeeman die Ellida ooit heeft proberen te verleiden mee op de grote oceanen weg te reizen uit een verstikkend bestaan. Nu hij terugkeert om Ellida dit verzoek nóg een keer te doen - een verleidelijk aanbod, ze leeft in de dwangbuis van een doodgelopen huwelijk, met om zich heen twee dochters uit de vorige echtverbintenis van haar man Wangel, kinderen met wie ze maar geen contact kan krijgen - komt Ellida Wangel onder grote druk te staan. En mensen onder extreme pressie - zeker in de stukken van Ibsen - worden weergaloos mooi. Daar zit het tweede probleem van het stuk: Ellida gaat tegen het eind óm. Hóe, dat verklap ik niet. Maar zoals José Kuijpers (Ellida) en Bert Luppes (Wangel) de dilemma’s in dit huwelijk neerzetten is weergaloos. Ze draaien om elkaar heen als twee blijvend in hun puberteit verdwaalde mensenkinderen die maar niet volwassen willen worden - en gelijk hebben ze! Om hen heen draaien de twee dochters uit het vorige huwelijk van Wangel mee in de carrousel van de op jonge leeftijd in doodlopende stegen gestrande levens: Bolette (Joke Tjalsma) en Hilde (Pauline Kalker), begeerd door de voormalige leraar Arnholm (een droogkomische - met veel 'hm hm’ gekruide rol van 0 Hans Dagelet) en een doodzieke quasi-kunstenaar (beheerst gespeeld door Ruurt de Maesschalck). Nu hebben we de feiten wel ongeveer gehad - en ik ding er niks op af. Het effect van de voorstelling is verpletterend. Vooral de bedrijven vlak vóór en meteen ná de pauze. Daar worden de doorgeroeste levens van de centrale personages op scherp gezet. Alles gaat maar over één ding: wie overleeft in deze sufgelulde wildebeestentuin? En nogmaals: in deze gevechten zijn regisseur Mirjam Koen, haar acteurs en actrices op hun best. Je voelt aan alles: hier staan essentiële dingen op het spel. Je ruikt het zweet van een bokswedstrijd: blijf ik hier of ga ik weg, beland ik in de touwen of word ik rotgebeukt? Het gevecht om die vraag stinkt naar verrotting, maar het is ook mooi om naar te kijken, zeker omdat de uitkomst zo ongewis is. En de uitkomst blijft tot het laatste moment onzeker. Daar zorgt de combine Ibsen/Koen voor. Bij aanvang verkocht de garderobebewaakster van de Toneelschuur me een voorjaarsdepressie: de voorstelling ging duren van 20.00 tot 23.30 uur. Hemel - drieënhalf uur! Ik heb me geen seconde verveeld. Ook omdat ik mocht wandelen in het door Gerrit Timmers - jawel! - getimmerde decor. En ik was blij met een volgepakte theateravond, waarmee ik nog dagenlang rondliep. Over hoe je almaar bezig kunt zijn keuzes uit te stellen die je onder normale omstandigheden allang had kunnen maken. Enfin, ja, dát is precies de brille van Henrik Ibsen. Hij creëerde nooit normale omstandigheden.