Roderik six ,Vloed

Suizende druppels

Rampen komen. Hoe zet je dit oude nieuws om in een interessante roman? De ramp zelf is in literatuur alleen aanleiding om het over de gevolgen te gaan hebben.

Medium 4000119606385

De schipbreuk in The Life and Strange Surprizing Adventures of Robinson Crusoe of York, Mariner (1719) is niet belangrijk, al maakt Defoe er wel een heel spektakel van; het gaat om het overleven van de superindividualist Crusoe. Camus zoomt in La peste (1947) in op de reacties van een gemeenschap op de pest. In de recente Nederlandse literatuur komt het rampenboek weinig voor. De Friese schrijver Trinus Riemersma schreef met Nei de klap (1999) een prima roman over de gevolgen van een atoomoorlog in Europa. Juist zijn kale, documentaire stijl maakte de beschreven verschrikkingen extra indringend. Bas van Putten beschreef in Almacht (2002) een groep mensen die in een soort niemandsland terechtkomt en daar probeert te overleven. Misschien moet je het voor dit genre eerder zoeken in fantasy en sciencefiction, waarbinnen honderden romans geschreven zijn over geïsoleerde maatschappijen of individuen die onder zware omstandigheden proberen te overleven. Dune (1965), plus de vervolgdelen erop van Frank Herbert en anderen is het schoolvoorbeeld. Als je er wat langer over nadenkt is iedere roman in de grond een rampenboek: een steen valt in de vijver en toen… en toen… en toen.

Roderik Six situeert in zijn debuutroman vier jongeren in een vrijwel ondergelopen wereld waar alleen nog een paar torenspitsen boven het water uitsteken. Nina, Joke, Michael en de uitermate onsympathieke ik-verteller. Ze studeren in een verder niet met name genoemde stad en wonen daar op een berg in een studentenflat. De flat is verlaten, de stad is vrijwel geheel verzwolgen door de regen die jaren aan een stuk valt en gedurende de roman blijft vallen. Wat Six tussen neus en lippen door de gelegenheid geeft zijn beschrijvingskunst los te laten op allerlei vormen van regen. ‘Vandaag motregent het. Misschien miezert het morgen. Wie weet.’ En verderop: ‘Later, terwijl het dak al verlaten is, zwelt de stofregen aan tot dikke harde druppels, die gaten in de zwartgeblakerde glooiing kogelen (…).’ Of weer elders: ‘Druppels suizen hier niet meer loodrecht naar beneden, maar buitelen onvoorspelbaar door het dichte bladerdek, om dan zijwaarts tegen onze wangen open te spatten.’ Gedurfde beelden: ‘stofregen’, ‘kogelen’, ‘buitelen’, dit is een schrijver die op zoek is naar woorden die de werkelijkheid proeven.

Over de oorzaken van de steeds neervallende regen laat Six zijn personages weinig reflecteren. Ik maakte me in het begin van de roman grote zorgen dat ik me door een rijstebrij aan wie weet zelfs up to date ecologische rampenessays over opwarming zou moeten worstelen. Daar lees ik geen romans voor. We krijgen af en toe wel een terugblik maar het gaat vooral om de problemen van het romanheden. De regen valt, spoelt alles weg, jaagt iedereen op de vlucht of maakt iedereen gek en dat is het dan. Six vertelt zijn verhaal vanuit een egocentrische, paranoïde en cynische ex-student die vooral veel zuipt en verslaafd is aan de drug Ultra. De problemen zijn groot maar wel overzichtelijk: waar is nog eten te vinden, hoe houden we de kachel brandende, willen de vrouwen nog wel, wie is gek aan het worden, stort de boel niet helemaal in en is elders hulp te verwachten? De personages vallen terug in verveling, ze werken elkaar sterk op de zenuwen, er vindt moord en doodslag plaats, voor dit genre is dat allemaal niet verrassend, en uiteindelijk proberen twee overlevenden zich met een kano in veiligheid te brengen.

De schrijver slaagde erin een broeierige sfeer op te roepen. Mij ging het allemaal langzamerhand wel wat minder interesseren omdat de zwartgalligheid en het cynisme er met erg dikke klodders op gesmeerd zijn en ik er wat op uitgekeken raakte. Ik begon naar een forse grap te verlangen, dat doe ik bij literatuur altijd, dus mij hoef je niet serieus te nemen. Maar toch: weer een kwaadaardige streek, een kille seksscène of een obscene fantasie van de verteller – nu weten we het wel. Afhaken deed ik niet. Six kreeg dit voor elkaar door uiterst korte zinnen die zonder meer een sfeer van desolate wanhoop en kilte oproepen. ‘Joke vraagt of er nog Ultra is. Ik maak een slap gebaar naar de blauwe frigobox. Er is nog meer dan genoeg. Anders halen we gewoon bij. Makkelijk zat.’ Daarnaast geeft hij uitvoerige verslagen van hallucinerende overlevingstochten door de verlaten, kletsnatte wereld. Op dit gebied beschikt hij over een grote en inventieve woordenschat. Hij slaagde erin me ervan te overtuigen dat zijn cynische en asociale antiheld alles daadwerkelijk ziet en meemaakt. Geen geringe prestatie. Neem de beelden van de plantenwoekeringen die de resten van een verlaten stad aanvreten. ‘Aan de onderste verdiepingen, waar het licht nóg schaarser is, kleven dikke trossen mos, harde knobbels die uit de keldergaten groeien en aan broccoli doen denken. Andere planten lijken weer op armdikke guirlandes, een krioelen van taaie sprieten die om elkaar heen krullen en samenklitten tot een lange kaki worst.’


Roderik six
Vloed
De Arbeiderspers, 262 blz, 19.95