Sukkelachtige dochter

Delphine Lecompte, Blinde gedichten, 19,95

Na de woningbrand ben ik niet veranderd
Niet van muze
Niet van dieet
Niet van kledingstijl
Ik verdraag geen dak meer boven mijn hoofd
Wanneer het regent schuil ik in de wachtzaal van mijn dermatoloog.

Mijn huid is ziek geboren
Daar kan mijn dermatoloog niets aan doen
Hij is nauwelijks vaderlijker dan mijn vader
Ik mis mijn vader
Nu hij geen calvados meer drinkt
Belt hij nooit meer op
Om me te vragen waarom ik mijzelf uithonger.
Delphine Lecompte, de protagoniste in de nieuwe bundel van de gelijknamige dichter, is gek, zoals zij zelf toegeeft. Niet alleen koketteert ze met haar anorexia, de ongezonde relatie met haar ouders, haar kleptomanie en haar belangstelling voor naargeestige seks, bovendien zit er geen rem op haar drang tot fabuleren. De oeverloosheid van de anekdotes en de uitzonderlijke omvang van Blinde gedichten representeren het geratel van een vrouw die is opgehouden zich af te vragen of er nog wel iemand luistert. De uitknop lijkt zoek. In hoeverre dit een literair spel is valt niet na te gaan, maar het effect is tamelijk overdonderend.
Vanaf de eerste bladzijde wordt de lezer een wereld binnen getrokken die nog het meeste weg heeft van een kermis waar gesjeesde clowns, morsige kinderlokkers en zieken met dubieuze hobby’s elkaar proberen te ontmoeten. Catastrofes blijven meestal uit, maar prettig wordt het nooit, en iedereen is mislukt. De ex-croupier, de ex-orthodontist, de ex-schoenmaker en de ex-pedofiel - ze roepen associaties op met Brusselmans’ ex-drummer - hebben afscheid moeten nemen van hun stiel, maar zijn er blijkbaar niet in geslaagd een nieuwe wending aan hun leven te geven. Ieder zit verstrikt in de treurnis van zijn geschiedenis. ‘Ik ben een zieke toerist in het leven van mijn moeder’, zegt Delphine, die in bed een artikel leest over een 'bontmagnaat die motors steelt/ Uit hoteljacuzzi’s in Boston en Leiden’. De mate van specialisatie is typerend. De spreker lijkt haar eigen niche nog niet gevonden te hebben, want 'om te kloppen heb ik drie blouses verbrand’. Maar helaas klopt er niets:

Ik wil heilig zijn
Zoals mijn moeder die
Gezelschapsspelen koopt voor begeleid wonende ex-pedofielen
Breinaalden voor samenwonende drielingen
En rum voor door de wol geverfde paardendieven.

Waanzin misschien, maar er zit wel degelijk systeem in. Het spel met ei- en ie-klanken is betoverend, het feit dat 'die’ terugkomt in 'paardendieven’ suggereert dat er aan moeders heiligheid een steekje los zit, het wonen legt een verband tussen de ex-pedofielen en de drielingen, de wol lijkt logisch voort te komen uit de breinaalden, die in dit kader allereerst een vruchtafdrijving oproepen. Is moeder soms een engeltjesmaakster? En wat zegt dat dan over haar dochter?
In een ander gedicht bevindt deze zich in de lege wachtkamer van een dierenarts, in haar optiek 'de ideale plek om na te denken over mijn moeder’. Haar gedachten zijn pervers, want enerzijds wil ze haar moeder redden, anderzijds doden. Bij voorkeur dient de moeder zelfredzaam te worden, zodat 'ik opnieuw haar wrakkige sukkelachtige dochter kan zijn’. Tot zo ver is het gedicht niet wereldschokkend, en bijna een parodie op psychologisch gezwatel over verstoorde relaties tussen moeders en dochters. Maar meteen daarna slaat de gekte toe, want er komt een vrouw binnen: 'Zonder dier is ze hier om de dierenarts te pijpen’. Wanneer de vrouw vraagt 'wat ik hier kom doen’, lijkt het antwoord te zijn ingegeven door een ongemak dat aan paniek grenst:
Ik zeg dat ik wacht tot Fred is bekomen van zijn narcose
'Fred is een zwaarmoedige varaan’, voeg ik eraan toe
Ik denk dat ze denkt dat Fred niet bestaat

Maar Fred bestaat wel, hij is alleen niet treurig, maar 'wild en schuimbekkend vrolijk/ In een terrarium op de vensterbank van mijn ex-leraar aardrijkskunde’. Twee strofen later roept de dierenarts haar binnen. 'Hoe gaat het met je moeder in je gedichten?’ vraagt hij. Delphine zegt dat haar moeder het moeilijk heeft, waarop de arts zich uitkleedt, niest 'op een reclameposter van antibiotica voor Siamese katten’ en zich door de getroebleerde dichteres laat bevredigen. Het is de zoveelste scène die je liever niet op je netvlies zou hebben.
Sommige vormen van krankzinnigheid worden gekenmerkt door een onvermogen enige lijn aan te brengen in de stroom van indrukken en gedachten. De Delphine die aan het woord is verliest zich bijna wellustig in details, die elk voor zich weer een volgend leven van hilarische verschrikkingen oproepen. Lecompte draagt er virtuoos zorg voor dat de lezer verdwaalt en zich na een paar pagina’s de habitué van een opvanglocatie voor daklozenkrantverkopers waant.
Dat betekent niet dat er geen pogingen worden gedaan de springvloed in te dammen. Opmerkelijk is de frequente opkomst van een taxidermist en een handelaar in sponzen. De eerste zet dode dieren op, als was dat de enige manier om de wildheid van het leven te domesticeren. 'Mijn nicht zegt dat de onderpastoor vroeger taxidermist was’, een ambacht dat 'alles met zielloosheid te maken’ heeft. De sponzenverkoper deugt al evenmin, niettegenstaande de reinigende functie van zijn negotie:

Hij neemt mij mee naar zijn studio en
Ontfermt zich quasi onbaatzuchtig over mij
Eerst eten we rauwe zalm en radijzen
Daarna mag ik sponzen verknippen
Tot het verguisde hoefdieren en devote herders zijn.

Ook deze man is vermoedelijk een smeerlap die misbruik maakt van Delphine’s verlangen naar geborgenheid, maar hij geeft haar wel de gelegenheid vorm te geven aan haar verknipte verbeelding. De taxidermist en de sponzenverkoper vertegenwoordigen essentiële aspecten van Lecompte’s dichterschap. De dichter zelf is moe genoeg om alles te geloven:

Een menstruerende vos op de schoot van Sinterklaas
Een haas zonder oren in de fruitschaal
Welke fruitschaal?
De gekopieerde.

Al die absurditeiten matten ook de lezer af. Waarom dan niet stoppen met lezen? Dat gaat niet. Delphine Lecompte brengt je in een roes.

DELPHINE LECOMPTE
Blinde gedichten
De Bezige Bij, 128 blz., € 19,95
uit: Opgeruimd staat ontmoedigend kil: