Sumf’n wrong

BRIAN CHIKWAVA
HARARE NORTH
Jonathan Cape, 231 blz., € 18,95

Dialect in romans vindt doorgaans zijn vorm in de dialogen. Een eenvoudige manier om een personage een plek te geven in de sociale stratosfeer van een verhaal. Beroemd voorbeeld is neger Jim in Mark Twains Huckleberry Finn (1884). ‘Well, looky here, boss, dey’s sumf’n wrong, dey is.’ De lezer weet meteen dat hier niet de heer des huizes aan het woord is. Soms gaan schrijvers een stap verder. In Trainspotting (1993) verwerkt Irvine Welsh Schots dialect in zijn vertelstem. Welsh’ structurele gebruik van straattaal (‘ah’m fuckin freezing ma baws oaf here’) geeft het perspectief van zijn verteller Renton iets onontkoombaars, het impliceert een hogere graad van realisme. Een welkome stijlfiguur en geloofwaardiger dan een personage met een hoofd vol verheven volzinnen, maar dergelijke kunstgrepen blijven even bestudeerd als elke andere literaire poging de werkelijkheid te vatten.
Dat geldt ook voor Brian Chikwava (Victoria Falls, 1972). In zijn debuutroman Harare North bedient zijn naamloze ik-figuur, een vluchteling uit Zimbabwe, zich van een eigenzinnige grammatica, doorspekt met exotisch slang. Wie niet uit Zimbabwe komt zal moeilijk kunnen inschatten of Chikwava het beoogde dialect correct heeft weergegeven. De auteur kan, door zijn achternaam en Zimbabwaanse afkomst, zijn faux Afrikaans-Engels naar believen inzetten zonder angst voor algemene ontmaskering. Toch wringt er iets aan Chikwava’s idioom. Zijn zinnen zijn hoekig, bijna schematisch. Hij introduceert geen nieuwe of inventieve vertelwijze, hij speelt voorspelbaar met zijn voornaamwoorden (‘she face’) en persoonsvormen (‘he say’), zinsbouw en -structuur blijven nagenoeg conventioneel. Tussen alle yari yari yari’s en al het ge-kak kak kak blijkt er eigenlijk tamelijk ordinair Engels te staan. Een besef dat argwaan wekt ten aanzien van de pretenties van de schrijver.
Maar dan het verhaal. Een jonge Zimbabwaan vlucht uit zijn geboorteland naar Londen, het ‘Harare North’ uit de titel. Als voormalig soldaat die deel uitmaakte van een opsporings- en executie-eenheid genaamd The Green Bombers probeert hij in zijn nieuwe stad geld te verdienen om een schuld af te kopen in een wat warrige afpersingszaak. Hij zoekt een neef op die hem weinig hartelijk ontvangt en komt terecht in een kraakpand met andere Zimbabwaanse vluchtelingen. De gebruikelijke problemen van de immigrant krijgen ruimte in het boek: vervallen behuizing, arbeidsuitbuiting, angst voor ontdekking, problemen met geld, voedsel. De verteller mijmert over immigratiefraude, Zimbabwaanse familieverhoudingen, zijn bejubelde held Mugabe, en over BBC’s (‘British Buttock Cleaners’). Verfrissend in de roman is het onvoorbeeldige gedrag van mede-immigranten. Huisbaas Aleck heft ten onrechte huur in het kraakpand; licht gestoorde vriend Shingi ontdekt de geneugten van heroïne; minderjarige Tsitsi verhuurt haar baby aan landgenoten zodat ze steunfraude kunnen plegen. ‘History is littered with them ruined underpants of small people leaping about in vex style and trying to save they bread from the long throats of big people.’ Overigens zijn de enige blanke personages van betekenis twee drugsverslaafden.
Dat alle kommer en kwel maar niet wil beklijven komt door de ik-figuur. Die heeft zogenaamd een gewelddadig verleden, maar Chikwava houdt de gruwelijke details te vaag. In plaats daarvan staat de auteur vaak stil bij de nobele vriendschap van zijn hoofdpersoon met de onfortuinlijke Shingi. Even sentimenteel zijn de dromen en herinneringen van de verteller aan zijn overleden moeder. Ook politiek is het zwabberen: hij vindt Mugabe een groot man en beschimpt de oppositie, maar zelf levert hij regelmatig kritiek op de armoe en het onrecht in zijn land. En blinkend sociaal inzicht wordt afgewisseld met verbazingwekkende onnozelheid. Zo denkt hij bijvoorbeeld dat hij aids heeft, omdat zijn test ‘negative’ was. Het is duidelijk dat Chikwava heeft ingezet op een onbetrouwbare verteller, maar diens uiteenlopende eigenschappen weet hij niet te verenigen in een geloofwaardig mens. Aan het eind van de roman komt de aap uit de mouw: de naamloze jongeman blijkt niet meer dan een gestoorde, een nieuwe zwerver die verward en vervuild luide conversaties met zichzelf voert. Een zwaktebod.
Harare North speelt zich af in Brixton, een voorstad van Londen en het Britse hart van de Jamaicaanse gemeenschap. Jaren voor de komst van Zimbabwanen waren het mensen uit West-Indië die met hun bezittingen hun verhalen verhuisden in het Gemenebest. De roman The Lonely Londoners (1956) van Sam Selvon (San Fernando, Trinidad, 1923) vertelt ook een verhaal over immigranten, over ontheemding en eenzaamheid, over aankomen met een kartonnen koffer en de schok van het koude klimaat. Ook in dit boek heeft de vertelstem een accent, maar deze heeft meer lyriek in de zinnen. In Harare North stapelt Chikwava anekdote op weinig treffende anekdote, met schouderophalen als resultaat. Selvons mozaïek van verhalen is geraffineerder uitgevoerd: met korte maar heldere fragmenten brengt hij zijn immigranten tot leven. Zijn beslissing de alwetende verteller een West-Indische stem te geven is een poëtische daad van solidariteit, maar ook een oprechte poging om een nieuwe taal haar schoonheid te laten vinden.
Van een afstand lijkt Chikwava’s debuut op een authentiek en indringend verhaal. Maar afkomst is ook niet alles. Er is nog genoeg ruimte voor een goede Zimbabwaans-Britse roman.