Economie

Super Mario

Met hoeveel Zuid-Europese bestuurders komt de reputatie van de Europese Centrale Bank (ECB) als inflatiebestrijder in het geding? De zorgen van Jan-Kees de Jager zijn wel te begrijpen.

Italië, Portugal en Spanje leveren de helft van de bestuurders en hebben belang bij inflatie. Want met hogere prijzen wordt hun staatsschuld minder waard. Toch lijkt ‘Super Mario’ Draghi de nieuwe president van de ECB te worden, nu Sarkozy en Merkel zijn kandidatuur steunen. Hij is weliswaar van Italiaanse afkomst maar heeft strenge, zeg maar Duitse opvattingen: politici moeten de staatskas op orde brengen.
Het is op zich een prettig idee dat bij de selectie van centrale bankiers niet afkomst de doorslag geeft. Het monetaire anker van de Europese Unie is gebaat bij bestuurders die aan hun eigen opvattingen vasthouden en niet schuiven onder druk van politici tot een lagere rente of meer inflatie om problemen in eigen land te verlichten. Ook de huidige Italiaanse bestuurder Bini Smaghi heeft de typische opvattingen van een typische centrale bankier. Hij verdwijnt als Super Mario president wordt. Van belang is slechts dat hij de opvattingen over financieel-economische stabiliteit in de eurozone nog eens uiteengezet heeft. Het belangrijkst is dat politici de overheidsbegroting en daarmee de staatsschuld onder controle houden. Nee, markten kunnen politici hiertoe niet dwingen: zij onder- of overschatten consequent (!) de risico’s van wanbeheer. Politici moeten zich daarom houden aan de Europese begrotingsregels, zoals vastgelegd in het Stabiliteits- en Groeipact. Het liefst automatisch. Kortom, de stabiliteit in de eurozone vereist discipline van nationale politici en disciplinering door Europese regels en instituties.
Het is een minder prettig idee dat de opvattingen van centrale bankiers wat wonderlijk zijn. Disciplinering vanuit Europa is misschien een voorwaarde voor stabiliteit maar is toch geen beproefde methode gebleken. Al bij de introductie van de euro, in 2000, zijn de normen voor staatsschuld opgerekt zodat een land als Griekenland kon toetreden. In 2005, hebben Duitsland en Frankrijk besloten dat de regels voor begrotingstekorten voor iedereen gelijk zijn maar dat kleine landen gelijker zijn dan grote landen. In 2010 is na lang dralen Griekenland te hulp geschoten, hoewel het Europese verdrag een no bail-out-clausule bevat die toch echt bedoeld is geweest om juist dat uit te sluiten. En in aanloop daarvan zijn Griekse problemen als frauduleuze statistieken en te hoge loonkosten niet vanuit Europa aangepakt. Na meer dan tien jaar ervaring met de euro is het dan nogal wonderlijk om te vertrouwen op disciplinering vanuit Europa. Het is prima dat centrale bankiers politici de les lezen. Maar het is wat anders om erop te hopen dat die les ook in de praktijk gebracht wordt. Bovendien is beperking van staatsschuld en begrotingstekort een verre van voldoende voorwaarde voor financiële stabiliteit. Landen als Ierland en Spanje hebben tot kort voor de kredietcrisis ruim aan de Europese normen voldaan. Zij zijn in de problemen gekomen door te riskante kredietverlening door banken. Met de crisis knapte de bubbel in huizenprijzen en kregen hun economieën een klap. De Ierse banken en hun schulden zijn inmiddels staatseigendom en de Spaanse cajas wacht een miljardeninjectie uit de staatskas.
Het is wonderlijk dat centrale bankiers alleen discipline en disciplinering van politici verlangen maar niet van financiële instellingen. Zij verzetten zich publiekelijk, en hysterisch, tegen het afstempelen van schulden. Die mogelijkheid wordt geopperd om de Griekse schuldenlast te verminderen en private schuldeisers, waaronder banken, te laten meebetalen. De vrees is dat banken en daarmee de financiële stabiliteit in het geding komen. Maar dat laat precies zien waar een belangrijk probleem schuilt. Financiële instellingen hebben willens en wetens te veel geld in te speculatieve investeringen en riskante staatsobligaties gestoken. Vóór de crisis konden projectontwikkelaars, huizenkopers en staten te goedkoop geld lenen. Na de crisis is er voor banken maar een beperkt verlies: zij krijgen soms direct steun van belastingbetalers, en diezelfde betalers staan garant voor de schulden. Het gevolg: een gebrek aan discipline bij en disciplinering door financiële instellingen. Geen wonder dat zij de risico’s van speculatieve investeringen of van wanbeheer door politici consequent verkeerd inschatten: ze hebben er onvoldoende belang bij om dat goed in te schatten. Zonder de straf van verlies kunnen ze geld steken in wankel onroerend goed of riskante staatsobligaties. De enigen die hen dan hiervan kunnen weerhouden zijn de toezichthouders, de centrale bankiers. Afstempelen van schuld is dus een bevestiging van hun schuld.
De centrale bankiers lijken over te lopen van (zelf)vertrouwen: ze denken de Europese politici te kunnen overtuigen en de banken in toom te houden. Dat is wonderlijk, want beide is hen al die jaren niet gelukt. Als u daarom dat vertrouwen niet deelt, kunt u altijd nog hopen: dat Mario inderdaad super is.