Profiel: Kamala Harris

Superhelden zijn overal om ons heen

Als kind uit een gemengd huwelijk van twee niet-westerse migranten belichaamt Joe Bidens running mate Kamala Harris de veranderende demografie van Amerika. Haar verhaal is dat van een moderne Amerikaanse droom come true.

Gemengdheid, dat is het verhaal van Kamala Harris © Drew Angerer / Getty Images

Op een grijze winterdag begin 1972 neemt Shirley Chisholm plaats achter een katheder in een baptistenkerk in Brooklyn, New York. Een frêle vrouw met een grote bos zwart haar en een studieuze bril, die bijna lijkt te verdwijnen achter het woud van microfoons die kriskras voor haar staan opgesteld. Chisholm was vier jaar eerder de eerste Afrikaans-Amerikaanse vrouw die werd gekozen in het Huis van Afgevaardigden, nu gaat ze bekendmaken dat ze namens de Democratische Partij een gooi wil doen naar het presidentschap.

Dat ze zwart is, en vrouw, moeten de toehoorders maar even vergeten – al schrijft ze met haar deelname aan de nominaties, 37 jaar voordat met Obama de eerste zwarte president van de Verenigde Staten wordt ingehuldigd, geschiedenis. ‘I am not the candidate for Black America, although I am Black and proud’, speecht ze. ‘I am not a candidate of the women’s movement of this country, although I am a woman and I’m equally proud of that.’ Ze verklaart dat ze geen politieke bazen heeft, niet ondersteund wordt door grote namen of beroemdheden en geen speciale belangen vertegenwoordigt – vandaar haar campagneslogan ‘Unbought and Unbossed’, niet voor niets ook de titel van haar autobiografie die ze in 1970 publiceerde. Ze is, zegt ze ferm, ‘the candidate of the people of America’.

Kandidaat zijn voor ‘het volk’, en nadrukkelijk niet voor één enkele specifieke groep, het geeft niet alleen aan waar Chisholms engagement ligt – bij het bestrijden van ongelijkheid en armoede, bij het ijveren voor hogere lonen en verbetering van het openbare onderwijs –, het verraadt ook het ongemak van de politicus die, omdat ze nu eenmaal geen witte man is, automatisch wordt gezien als een representant van haar sekse en kleur. Iets wat a priori tot omhelzing of verwerping leidt. Ze wordt de heldin van feministen en krijgt te maken met de vijandigheid van racisten die haar campagnemateriaal bekladden met het n-woord en met die van mannen die vinden dat ze ‘vaginapolitiek’ bedrijft.

Chisholm weet natuurlijk best dat alleen al haar kandidatuur, als eerste zwarte vrouw, belangrijk is om het beeld bij te stellen dat alleen witte mannen van het materiaal zijn waar presidenten van worden gemaakt, maar tegelijk heeft ze er een hekel aan als ze louter wordt gezien als symbool. Als de eerste dit en eerste dat. ‘Ik hoop dat ik uiteindelijk herinnerd word om wat ik heb gedaan, niet om wat ik toevallig ben’, zal ze later zeggen. ‘I’d like them to say Shirley Chisholm had guts. That’s how I’d like to be remembered.’

Kamala met haar vader Donald, 1965 © Privé-archief

Als Kamala Harris zich begin dit jaar opwerpt als Democratische presidentskandidaat voert ze de leuze ‘Kamala Harris for The People’. Dat is een knipoog naar haar eerdere werk als officier van justitie, waarbij ze aantrad in het belang van ‘the people’, maar het is evengoed een hommage aan Shirley Chisholm. Voor het promotiemateriaal voor haar campagne en haar logo gebruikt ze dezelfde typografie en hetzelfde kleurenschema als Chisholm destijds. Harris geeft ook expliciet aan dat ze op de schouders van reuzen staat, en Chisholm is een heel grote. Maar het eerbetoon aan Chisholm reflecteert meer dan bewondering voor haar strijdbaarheid en moed, het echoot ook Chisholms ongemak. Ook Harris wil niet worden vastgepind op haar sekse en kleur.

In interviews geeft Harris aan dat ze er ziek van wordt als haar telkens weer naar haar ervaringen met racisme wordt gevraagd. In haar autobiografie The Truths We Hold lepelt ze er uiteindelijk toch twee op, zij het met tegenzin: hoe buurmeisjes niet met haar en haar zusje mogen spelen omdat ze zwart zijn; hoe haar moeder, de gepromoveerde kankeronderzoekster, voor schoonmaakster wordt aangezien.

Even moe wordt ze ervan als haar verzocht wordt te vertellen hoe het is om als eerste vrouw, en helemaal als eerste zwarte vrouw, posities te verwerven – en het waren er nogal wat: van openbaar aanklager van San Francisco tot procureur-generaal van Californië, van senator voor Californië tot vice-presidentskandidaat, telkens was ze de eerste zwarte vrouw. Tijdens een campagnebijeenkomst maakt ze er een grap van: hoe kan ze dat weten, hoe dat voelt, ze is nooit iemand anders geweest, en een man kan het werk misschien net zo goed doen.

Shirley Chisholm, zei Harris in een interview in 2019, deed haar denken aan een van de uitspraken van haar moeder. ‘Laat niemand je vertellen wie je bent’, zei die vaak. ‘Jij moet hen vertellen wie je bent.’ Maar hoe vertel je je eigen verhaal als anderen er al een voor je klaar hebben liggen, en als je ook nog eens geleerd hebt niet te veel over jezelf te vertellen, zo schrijft Harris in The Truths We Hold, omdat dat narcistisch en opschepperig is? Als je het moeilijk vindt een helder verhaal over je leven te vertellen, maar vol ongeduld bent over de verhalen die anderen over je vertellen?

Eén ding is echter zeker: als je ambities hebt voor het hoogste publieke ambt, dat van president, moet je verhaal stáán. Juist als je niet van het witte-mannenmateriaal bent. The Truths We Hold, dat verschijnt in 2019, het jaar voordat Kamala Harris haar kandidatuur bekendmaakt, is een poging dat verhaal in eigen hand te nemen. Het is het verhaal van het eigentijdse Amerika, dat steeds minder wit en steeds multicultureler wordt. Het is een verhaal van kleur en gemengdheid, dat zich niet zo makkelijk in zwart of wit laat schrijven. Het is ook een verhaal dat de plooien moet gladstrijken van het beeld van haar als harde ‘crimefighter’ – in een tijd van Black Lives Matter en ‘defunding the police’ ligt het ambt van openbaar aanklager niet zo lekker bij progressieve kiezers.

Kamala Harris vertegenwoordigt de toekomst van de Verenigde Staten. Omdat ze nu de running mate is van een presidentskandidaat die, mocht hij de verkiezingen winnen, te oud is om voor een tweede termijn te opteren. Maar ook omdat ze als kind uit een gemengd huwelijk van twee niet-westerse migranten de veranderende demografie van het land belichaamt. Haar verhaal is dat van een moderne Amerikaanse droom come true.

met haar jongere zusje Maya en moeder Shyamala, 1970 © Privé-archief

Je zou kunnen zeggen dat Kamala Harris opgroeide in de schaduw van Shirley Chisholm. Haar ouders, Donald Harris en Shyamala Gopalan, leerden elkaar begin jaren zestig kennen in Berkeley, waar ze beiden studeerden. Haar vader kwam uit Jamaica, een Britse kolonie die in 1962 onafhankelijk werd, toen hij al naar de Verenigde Staten was vertrokken. Haar moeder groeide op in India, in een vooraanstaande Tamil-Brahmaanse familie, die zich voor onafhankelijkheid inzette. Haar grootvader was ambtenaar onder het Britse bestuur, en daarna onder de onafhankelijke Indiase regering. Beiden kozen ervoor niet in Engeland te gaan studeren, maar in een land dat voor hen ongekende mogelijkheden inhield – zoals de ouders van Chisholm uit de Cariben naar Amerika kwamen.

Haar hele publieke leven manoeuvreert Kamala Harris tussen activisme en establishment, tussen 'law and order' en ‘softe’ hervormingsgezindheid

Ze ontmoetten elkaar op de campus van de universiteit toen Donald Harris een groep studenten toesprak over de parallellen tussen de onafhankelijkheidsstrijd tegen het Britse koloniale regime in Jamaica en het gevecht voor rechten van zwarten in de VS. Shyamala Gopalan, een kleine, tengere vrouw gekleed in een sari en op sandalen, was de enige buitenlandse student tussen de toehoorders. Harris’ verhaal interesseerde haar en van het een kwam het ander. Ze werden verliefd, aldus Harris, ‘op de meest Amerikaanse manier – samen demonstrerend voor rechtvaardigheid in de burgerrechtenbeweging van de jaren zestig’.

Begin jaren zestig waren er in Berkeley zo’n honderd zwarte studenten, op een studentenpopulatie van twintigduizend. ‘De opkomst van het activisme maakte dat ze zich thuis voelden’, zou de Indiase econoom Amartya Sen, die met hen bevriend was, later zeggen. Kamala Harris, die in 1964 werd geboren, herinnert zich dat ze in haar kinderwagen werd meegenomen naar protestdemonstraties; vooral het beeld van een zee van lange benen waar zij tegen opkeek staat haar nog bij.

Haar vader zou carrière maken als econoom – hij werd de eerste zwarte wetenschapper die een aanstelling kreeg aan Stanford, waar hij ook hoogleraar zou worden. Haar moeder zou zich aan verschillende universiteiten specialiseren in onderzoek naar de rol van hormonen bij borstkanker. Ze gingen uit elkaar toen Harris zeven jaar oud was; haar moeder woonde met haar en haar jongere zusje Maya in Berkeley en later Oakland. Als alleenstaande, werkende moeder zorgde Shyamala Gopalan voor een web van steun, dat vooral bestond uit haar activistische, zwarte vriendinnen. ‘In een land waar ze geen familie had, waren zij haar familie – en zij was familie van hen’, schrijft Harris in The Truths We Hold. ‘Vrijwel vanaf het moment dat ze aankwam uit India koos ze voor en werd ze welkom geheten en opgenomen in de zwarte gemeenschap.’

In haar autobiografie benadrukt Harris dat ze opgroeide als zwart meisje. ‘Mijn moeder begreep heel goed dat ze twee zwarte dochters opvoedde’, schrijft ze. ‘Ze wist dat haar geadopteerde moederland Maya en mij als zwarte meisjes zou zien, en ze was vastbesloten om ervoor te zorgen dat we zelfverzekerde, trotse zwarte vrouwen zouden worden.’ Hier neemt het verhaal dat Harris over zichzelf vertelt een programmatische wending; ze weet heel goed dat de mate waarin ze ‘zwart’ is van politiek belang is – en inderdaad wordt haar ‘zwartheid’ tijdens de presidentscampagne door haar criticasters betwist. Omdat haar vader van de Cariben afkomstig is en haar moeder uit India, zo luidt het argument, moet zij wegblijven van de term ‘Afrikaans-Amerikaans’. Donald Trump junior retweette (en verwijderde) een bericht waarin gesteld werd dat Harris geen zwarte Amerikaan is.

‘Kijk, dit is hetzelfde als ze deden bij Barack’, zei Harris erover bij The Breakfast Club. ‘Dit is niet nieuw voor ons en dus denk ik dat we weten wat ze proberen te doen.’

Maar in The Truths We Hold probeert ze het twijfel zaaien bij voorbaat te ondervangen door te wijzen op intellectuele zwarte tantes die over de vloer kwamen; op de kinderopvang van een zwarte vriendin van haar moeder, waar ze dagelijks naartoe ging en waar de portretten van zwarte leiders als Frederick Douglas en Sojourner Truth aan de muur hingen; op de zwarte kerk die ze bezochten; op Rainbow Sign, het zwarte culturele centrum dat was gevestigd in een oud mortuarium en waar ze kind aan huis waren. In het centrum traden formidabele figuren op als Alice Walker, Maya Angelou, Nina Simone – en Shirley Chisholm, die zich toen nog aan het beraden was op haar presidentscampagne.

En ze geeft op over de vier jaar dat ze studeerde aan Howard University, de zwarte universiteit in Washington D.C. die ook wel het ‘zwarte Harvard’ werd genoemd. Beroemde schrijfsters als Toni Morrison en Zora Neale Hurston en burgerrechtenactivisten als Stokely Carmichael en Vernon Jordan behoorden tot de alumni.

In The Truths We Hold beschrijft Harris haar aankomst aan Howard als de hemel: ‘er waren honderden mensen, en iedereen zag eruit als ik’. Ze zag daar ook op hoeveel manieren je zwart kon zijn; op de universiteit studeerden hiphoppers uit New York, skaters uit Los Angeles, kakkers uit Midden-Amerika en rijke Nigerianen. Allemaal leerden ze er hard werken, omdat je, zo werd hun bijgebracht, als je zwart was niet moest klagen maar beter moest zijn dan anderen. ‘Dit waren de jaren voordat “woke” een vermelding werd waar je op kon bogen’, schreef The Washington Post over die tijd. ‘Succes binnen het systeem was nog een lovenswaardige daad van subversiviteit.’

Kamala (rechts) op een anti-apartheids- demonstratie met haar vriendin Gwen in de tijd dat ze op Howard University studeert, 1982 © Foto’s afkomstig uit Harris’ autobiografie The Truths We Hold

Gemengdheid, dat is het verhaal van Kamala Harris eerder. Een verhaal van zwart en bruin en wit. Haar ouders kwamen eind jaren vijftig naar Berkeley, als voorlopers van de golf niet-westerse migranten die vanaf de jaren zestig naar de VS trokken. Toen Shyamala Gopalan in Amerika ging studeren, waren er maar zo’n twaalfduizend Indiërs in het land. Donald Harris was nog één van de slechts honderd Jamaicaanse immigranten die jaarlijks werden toegelaten. Na het aannemen van de Immigration and Nationality Act in 1965, waarmee de quota uit de jaren twintig die Amerika wit en protestants moesten houden in de prullenbak verdwenen, stroomden de immigranten uit landen als China, Korea, Mexico en India toe.

Kamala Harris is het gezicht van de demografische verandering die daar het gevolg van was. De kinderen van die immigratiegolf zijn tweede generatie-Amerikanen en hebben de Verenigde Staten van een wit land tot een multiculturele smeltkroes getransformeerd; ze vormen een toenemende politieke en culturele macht. De cijfers onderstrepen dat: van de babyboomgeneratie is 71,6 procent wit, van de millennials 55 procent en van de kinderen die na 2012 zijn geboren is dat minder dan de helft. Ondertussen neemt het aantal interraciale huwelijken ook toe. Gemengdheid is de toekomst van het land.

Behalve zwart was Harris’ opvoeding evenzeer Indiaas en Jamaicaans. In haar jeugd logeerde ze bij haar Jamaicaanse oma; het gezin reisde eens in de twee jaar naar India, naar Chennai, een stad aan de zuidkust van het land. Haar moeder kookte Indiase maaltijden als dosa en idli, bracht haar de hindoe-mythologie bij en nam haar mee naar de hindoe-tempel in de buurt. Toen Harris in de race was als procureur-generaal van Californië vroeg ze een Indiase tante kokosnoten te breken in een hindoe-tempel om haar geluk te brengen.

Gemengdheid was er ook anderszins in haar jeugd. Harris is het product van een progressief experiment, een integratieplan voor Berkeley, waarbij kinderen uit lagere-middenklassewijken met schoolbussen naar openbare scholen in betere buurten werden gestuurd om die gemengd te maken. Op de school waar Kamala Harris naartoe ging was in 1963 2,5 procent van de leerlingen zwart; in 1969 was dat 40,2 procent, door het ‘school busing’-experiment. Ze kapittelde er Joe Biden nog scherp over tijdens een debat, toen ze zelf nog presidentskandidaat was – in het verleden was hij tegen het verplichte ‘busing’.

Als je van ander materiaal bent, moet je misschien voorzichtig zijn om groot te worden, maar als je echt groot wil zijn moet je de voorzichtigheid laten varen

En ze zat in Canada, waar ze met haar moeder naartoe verhuisde toen ze aan McGill University ging lesgeven, op Westmount High, de meest multiculturele highschool van Montreal.

Laveren tussen wit en zwart – Kamala Harris kent het ongemakkelijke gevoel om niet in een heldere raciale categorie te passen in een land waar mensen je graag veilig in een hokje willen stoppen. Die ongrijpbaarheid gaat verder: haar hele publieke leven manoeuvreert ze tussen uiteenliggende werelden, tussen activisme en establishment, tussen law and order en ‘softe’ hervormingsgezindheid. En dan is er al dat ‘eerste dit’ en ‘eerste dat’. ‘Misschien’, oppert Dana Goodyear in een groot profiel van Harris in The New Yorker, ‘was het, gegeven al dat “eerste” dat ze representeert, strategisch noodzakelijk om in het begin van haar carrière definities te weerstaan – beter om zich te mengen, zonder aanstoot te geven, als de instrumentele versie van een popsong.’ Maar de paradox is: als je van ander materiaal bent, moet je misschien voorzichtig zijn om groot te worden, maar als je echt groot wil zijn moet je de voorzichtigheid weer laten varen.

Opa en oma van moederskant op bezoek, 1972 © Foto’s afkomstig uit Harris’ autobiografie The Truths We Hold

Een van de meest geciteerde oneliners van Shirley Chisholm luidt: ‘If they don’t give you a seat at the table, bring a folding chair.’ Kamala Harris hoefde niet direct een klapstoel mee te nemen om een baan bij het Openbaar Ministerie te krijgen, maar wetshandhaving vertegenwoordigde in de wereld waar zij uit voortkwam hoe dan ook geen tafel waaraan je wilde aanschuiven. Haar familie bezag haar beroepskeuze met scepsis. Harris verklaarde haar ambitie om openbaar aanklager te worden juist uit het feit dat ze het kind was van ouders die de straat op gingen om te demonstreren voor gerechtigdheid. Zij wilde verandering bewerkstelligen van binnenuit, aan de tafel waar de beslissingen worden genomen. Zoals ze in haar autobiografie schrijft: ‘When activists came marching and banging on the doors, I wanted to be on the other side to let them in.’

Maar de carrière die Harris als ‘top cop’ maakte, levert wel een dubbelzinnig verhaal op. Ze werd twee keer verkozen als officier van justitie van San Francisco – hilarisch zijn de anekdotes over hoe ze op campagne ging met een strijkplank, die uitstekend dienst deed als tafel om haar folders op te leggen – en was vijf jaar procureur-generaal van Californië, waarbij ze leiding gaf aan zo’n vijfduizend mensen in een staat met het op één na grootste gevangenissysteem van de VS, met ongeveer 135.000 gevangenen. En al was zij als zwarte vrouw de grote uitzondering in een door witte mannen beheerste wereld – 95 procent van de districtsofficieren is wit en 83 procent is man – zij bevond zich toch ook ‘aan de andere kant’ toen de Democraten meegingen in de Republikeinse mode van excessieve straffen.

Haar verleden bij het OM leverde haar het imago op van hardheid – gunstig, want vrouwelijke politici lopen nog altijd aan tegen het vooroordeel dat ze niet taai genoeg zijn – maar zorgde ook voor kritische commentaren in de progressieve pers toen ze zich opwierp als presidentskandidaat, en toen Joe Biden haar koos als running mate. In The Truth We Hold probeert ze het verhaal over haar veronderstelde meedogenloosheid om te buigen. Dat er maar twee opties lijken te zijn als het om misdaadbestrijding gaat, tough of soft, noemt ze een oversimplificatie, die eraan voorbijgaat dat de slachtoffers van misdaden uit dezelfde gemeenschappen komen als de daders. Die slachtoffers willen dat de politie zowel de criminaliteit in hun buurt aanpakt als stopt met het uitoefenen van buitensporig geweld.

Liever presenteert Harris zich als ‘smart on crime’, ook de titel van het boek dat ze in 2009 publiceerde. Ze ontwikkelde twee vooruitstrevende, data-gedreven initiatieven waar ze graag op boogt. Omdat ze wist dat zeventig procent van de veroordeelde criminelen binnen drie jaar weer een misdaad begaat en de overgrote meerderheid van hen bestaat uit schoolverlaters, bedacht ze een programma voor een betere terugkeer in de maatschappij: Back on Track, door haar tegenstanders spottend omgedoopt tot Hugh a Thugh. Jonge veroordeelden voor een licht vergrijp konden kiezen tussen gevangenisstraf of het afronden van highschool, met baangarantie daarna. De resultaten waren bemoedigend: slechts tien procent van de Back on Track-deelnemers ging weer in de fout.

Het andere initiatief kwam voort uit cijfers waaruit bleek dat bijna een derde van de highschool-studenten in San Francisco op z’n minst een dag per week niet op school kwam. Van de vermoorde jongeren onder de 25 was 94 procent highschool-drop-out, een statistiek die ook opging voor jonge moordenaars. Openbaar onderwijs was de beste verdedigingswal tegen een leven in de criminaliteit, concludeerde Harris. Ze richtte daarom een ‘spijbelhof’ op, dat ouders van chronisch spijbelende kinderen vervolgde. Hoewel het aantal ouders dat daadwerkelijk voor het hof kwam gering was, klopte Harris zich op de borst voor het feit dat het schoolverzuim in haar district met een derde afnam.

Harris zette zich ook in voor hulp aan slachtoffers, zorgde voor traumabehandeling voor kinderen die getuige waren geweest van geweld en verzette zich tegen het borgtochtensysteem, dat arme verdachten sterk benadeelde. Voor haar progressieve critici is het allemaal niet genoeg.

In een ontroerend stuk in The New York Times‘Kamala Harris, Mass Incarceration and Me’ – neemt de zwarte dichter en advocaat Reginald Dwayne Betts het voor haar op. Hij beschrijft hoe hij als zestienjarige zelf negen jaar gevangenisstraf kreeg voor autodiefstal, het dragen van een wapen en het beroven van twee vrouwen. In de gevangenis, die ‘fabriek van geweld en wanhoop’, raakte hij bevriend met meerdere tieners die waren veroordeeld tot straffen van soms wel decennia. Toen zijn straf erop zat, ging hij rechten studeren om hen vervroegd vrij te krijgen. Maar toen hij hoorde dat zijn moeder was verkracht door een zwarte man wilde hij dat die nooit meer op vrije voeten zou komen.

Het is, schrijft hij, het dilemma waar ook Harris mee worstelt. Zwarte mensen zijn ‘overpoliced and underprotected’. Hij is bij een optreden van Harris in een zwarte kerk en ziet dat de toehoorders daar instemmend knikken als zij zegt dat álle gemeenschappen het verdienen om veilig te zijn. Haar taak was het om criminelen te vervolgen die zwarte slachtoffers maakten én de rechten van zwarte verdachten te beschermen. Niemand in de kerk lijkt moeite te hebben met haar verleden als openbaar aanklager.

Tegelijk met The Truth We Hold publiceerde Kamala Harris een kinderboek. Het uitbrengen van een autobiografie met een gestileerde versie van het eigen levensverhaal verknoopt met een politiek programma dat daar als vanzelf uit voortkomt, is voor veel politici de eerste stap in een campagne. Een kinderboek is minder gebruikelijk, maar juist dat van Harris biedt zicht op de rode lijn die door haar verhaal loopt. Ze voert daarin de familieleden en bekenden op die haar maakten tot wie ze is. Superheroes Are Everywhere heet het, en het bevat de boodschap dat superhelden overal om ons heen zijn en iedereen een superheld kan worden.

Het is een boodschap die lijkt samen te vallen met de aloude Amerikaanse Droom, maar Harris biedt daar toch eerder de moderne migrantenversie van. Het blijkt ook uit haar autobiografie: haar grootste superheldin is haar moeder, Shyamala Gopalan, de kleine, tengere vrouw die naar de Verenigde Staten kwam om er te studeren en nooit meer vertrok. Ze gaf haar dochters een typische migrantenopvoeding waarin ‘te moeilijk’ niet bestond en waarin de onverwoestbare overtuiging gold dat hard werken het panacee voor alles is. Als Harris ooit klaagde, zei haar moeder tot haar frustratie: ‘En, Kamala, wat denk je dat je eraan gaat doen?’ Haar werd geleerd dat ze niks half moest doen.

Superheroes Are Everywhere eindigt met de ‘Hero Code’. Die moet je eigenlijk reciteren, de rechterhand geheven: ‘I promise to be the very best me I can be!’ De code houdt een bijna onmogelijke belofte aan jezelf in, en het is ook maar de vraag of je het met het plechtig uitspreken ervan gaat redden in het leven. Maar er spreekt ook een optimisme uit dat tekenend is voor het moderne Amerika waar Harris voor staat. Een optimisme dat op geen enkele manier werkelijkheid kan worden zonder politieke ondersteuning. Daar is Kamala Harris zich maar al te goed van bewust.