Het jaar van corona: Nederlands exceptionalisme

Superieur falen

In Nederland houden we van internationale vergelijkingen als we er goed op staan. En zo niet, dan klinkt het: ‘Dit is geen wedstrijd!’ Tijdens de coronacrisis wordt Nederlands falen dikwijls gepresenteerd als Nederlandse superioriteit.

Corona testlocatie in de Rijtuigenloods aan hetPiet Mondriaanplein in Amersfoort. 3 februari © Sander Koning / ANP

Ongeveer een jaar geleden werd ik Nederlands staatsburger. In het tijdperk van corona was dat een vreemde ervaring: ik fietste door lege straten naar het stadhuis, met een loeiende sirene van een ambulance in de verte, en moest een tijdje achter een glazen scherm wachten voordat ik een envelop met mijn nieuwe identiteitspapieren overhandigd kreeg. Er was geen ceremonie, geen handdruk van de burgemeester, geen volkslied. De hele ervaring leek meer op het afhalen van een nieuw rijbewijs dan op een feestelijk moment. Maar ondanks de sombere stemming was ik oprecht blij Nederlander te zijn geworden.

Ik was ongeveer tien jaar eerder naar Nederland verhuisd en had hier snel een goed leven opgebouwd; de Nederlandse taal geleerd, een half-Nederlands gezin gekregen, een huis gekocht in het Groene Hart en boeken geschreven over de Nederlandse geschiedenis en cultuur. In die context was ik er trots op Nederlander te zijn geworden; een gelukkig, welvarend burger van een land waarvan ik hield en dat ik bewonderde. Op een vreemde manier voelde het verkrijgen van het staatsburgerschap ook als het geven van een motie van vertrouwen aan het land als geheel.

Op het moment dat ik mijn papieren ging ophalen was de eerste golf van de Covid-19-pandemie net begonnen, en dit land leek de zaken opmerkelijk goed aan te pakken. Er waren enkele vroege misstappen geweest, maar over het algemeen, zelfs toen andere landen paniekaankopen van goederen zoals toiletpapier meldden, reageerden de Nederlanders met typische nuchterheid. ʻWe kunnen tien jaar poepen’, zei Mark Rutte met een glimlach. Het contrast met mijn oude vaderland, Groot-Brittannië, dat zich toen nog steeds een weg aan het banen was naar een Brexit-deal en vaker van regering wisselde dan de meeste mensen van sokken, was grimmig. En als er ergens ter wereld een land was dat een ʻeerste golf’ of een ʻtweede golf’ kon ʻindammen’, dan nam ik aan dat het dit land was: het land dat de rampenpreventie praktisch had uitgevonden. Op mijn blog schreef ik: ʻDit zou weleens het mooiste moment van het poldermodel kunnen zijn.’ Bijna een jaar later moet ik helaas zeggen dat die woorden een beetje naïef overkomen. Naar sommige maatstaven heeft Nederland het redelijk goed gedaan: het totale aantal doden als gevolg van corona ligt hier (in verhouding tot de totale bevolking) beduidend lager dan in Groot-Brittannië, Frankrijk of België.1 Maar als je een stapje terug doet, zie je al snel dat de prestaties van dit land weliswaar niet helemaal verschrikkelijk zijn geweest, maar ook niet erg goed. Gecorrigeerd naar de bevolkingsomvang heeft Nederland aanzienlijk meer sterfgevallen gekend dan Duitsland, en meer dan twee keer zoveel als Denemarken. Het aantal besmettingen was soms hoger dan bijna overal in Europa. Patiënten zijn naar het buitenland gevlogen omdat de Nederlandse ziekenhuizen het niet aankonden, en we behoorden in Europa tot de landen waar de levering van levensreddende vaccins het traagst verliep.

De kloof tussen wat mogelijk had moeten zijn in dit land en wat daadwerkelijk is bereikt, is enorm. Als nieuwe burger, die de regering ziet zwoegen om uit te leggen waarom iets verkeerd is gegaan, moet ik vaak denken aan wat mijn moeder tegen me zei als ik me als tiener had misdragen: ʻIk ben niet boos. Ik ben alleen heel erg teleurgesteld.’

Als een soort nieuwkomer heb ik me ook gerealiseerd dat sommige van de dingen die ik aanvankelijk bewonderde aan dit land nu cruciale zwakheden blijken te zijn. Ik herinner me dat toen ik jaren geleden in Nederland aankwam, nadat ik als politiek adviseur in Londen had gewerkt, ik verbaasd was over hoe volwassen de Nederlandse politiek leek, met haar constante nadruk op bewijzen en compromissen. Waar Westminster aanvoelde als een boksring waar iedereen voortdurend met elkaar op de vuist ging, leek Den Haag meer op een gezellige club of universiteit, vol aardige, slimme mensen die samenwerkten om dingen voor elkaar te krijgen. De dingen gingen langzaam, maar als je onder de zeespiegel woont, loonde het de moeite om geen plotselinge bewegingen te maken.

In normale tijden werkte dit polderen vaak fantastisch en hielp het Nederland om een van de rijkste, veiligste en gelukkigste samenlevingen ter wereld te worden. Maar het is duidelijk dat deze zelfde mechanismen tijdens een crisis tot verlamming kunnen leiden. Een voorbeeld hiervan was het beruchte debat over mondkapjes. De who adviseerde op 5 juni om in besloten openbare ruimten mondkapjes te dragen. Het Verenigd Koninkrijk stelde op 15 juni het dragen van mondkapjes in het openbaar vervoer verplicht, en vanaf 24 juli in winkels. Frankrijk stelde eind juli het dragen van mondkapjes in winkels verplicht, en zelfs McDonald’s in de Verenigde Staten stelde ze vanaf 1 augustus verplicht voor klanten. In het nuchtere Nederland bleef het eenvoudige dragen van een mondkapje op de een of andere manier echter net zo controversieel als Zwarte Piet.

Geconfronteerd met een situatie waarin het dringend nodig was impopulaire dingen te doen, verspilden de autoriteiten maanden aan dubben en debatteren. Burgemeesters zeiden dat mensen mondkapjes moesten dragen, het rivm zei dat dat niet nodig was, en ministers leken niet te kunnen beslissen. Als gevolg van dit alles werden mondkapjes in de publieke ruimte pas op 1 december verplicht – vier maanden na McDonald’s; tegen die tijd waren al bijna tienduizend Nederlanders aan het virus overleden, onder wie (vermoedelijk) sommigen die het overleefd zouden hebben als het dragen van mondkapjes routine zou zijn geweest. Terwijl leiders als Joe Biden, Angela Merkel en Boris Johnson zelden zonder mondkapje worden gezien, zien we Rutte er bijna nooit een dragen.

En het zijn niet alleen de mondkapjes die te laat kwamen. Ook ander verstandig beleid – het testen van kinderen op symptomen, het ontmoedigen van buitenlandse vakanties, het maken van meer ruimte in de winkels – werd veel later ingevoerd dan had gemoeten. De beroemde corona-app van Hugo de Jonge werd in het voorjaar aangekondigd, maar pas maanden later gelanceerd, toen de Duitse versie al bijna net zoveel gebruikers had als Nederland inwoners heeft.

Elke week lijkt er weer een nieuw voorbeeld te komen van dit ʻregeren door te aarzelen’: een belofte dat het omt ergens over zal gaan nadenken, dat het rivm de gegevens opnieuw zal bekijken, dat het kabinet over drie weken een vergadering zal houden om te besluiten of er over een eventuele beleidswijziging zal worden nagedacht. Geconfronteerd met een dodelijk crisis lijkt de Nederlandse staat op een olietanker die in erwtensoep drijft: niet in staat om snel van richting te veranderen.

Minister Hugo de Jonge na de bekendmaking dat begin januari begonnen kan worden met vaccineren. Den Haag, december 2020 © Sandra Uittenbogaart / de Beeldunie

Een andere verrassing is de vreemde arrogantie waarvan de Nederlandse reactie doortrokken is. We horen veel over Amerikaans ʻexceptionalisme’ – het idee, zoals dat onder meer is verwoord door Alexis de Tocqueville, dat Amerikanen zouden denken dat hun land superieur is aan andere landen, en bij uitstek gekwalificeerd is om de wereld te leiden. Toch heb ik de indruk dat Nederlanders net zo’n trekje vertonen; dat ze er gemakzuchtig van uitgaan dat hun aanpak de beste is, en dat andere landen het alleen maar slecht doen omdat ze te lui of te slecht georganiseerd zijn om dingen goed te regelen. (Kijk bijvoorbeeld naar de beruchte bewering van Jeroen Dijsselbloem dat Zuid-Europese landen ʻal hun geld uitgeven aan sterke drank en vrouwen’, of naar Rutte die zegt dat Engeland ʻpolitiek, monetair, constitutioneel en economisch is ingestort.’)

De kloof tussen wat mogelijk had moeten zijn in dit land en wat daadwerkelijk is bereikt, is enorm

Tijdens de pandemie hebben we steevast te horen gekregen dat Nederland geen harde lockdowns nodig heeft zoals andere landen, omdat we hier verstandiger zouden zijn. Op de vraag in maart 2020 waarom er geen hardere lockdown kwam, antwoordde Rutte: ʻDat… past niet bij het volwassen, democratische, trotse Nederland… Bij een volwassen democratisch land.’ In de maanden daarna bleef de boodschap grotendeels hetzelfde: ʻWij zijn volwassen mensen’, en de situatie hier was niet ʻzoals in andere landen’. Zelfs de naam van het vlaggenschip van het regeringsbeleid sprak boekdelen: ʻintelligente lockdown’, met de duidelijke implicatie dat alle andere versies dom waren.

Politiek gezien was deze retoriek begrijpelijk: het is onwaarschijnlijk dat leiders stemmen zullen verliezen als ze het publiek vertellen dat ze slim zijn. Maar het probleem is dat als je tegen mensen zegt dat ze minder risico lopen, je riskant gedrag kunt bevorderen. Een groot deel van de afgelopen zomer hebben veel mensen hier gedaan alsof er een speciale Nederlandse variant van het coronavirus bestond die hen op de een of andere manier immuun maakte en bleven ze dingen doen die andere Europeanen voor onmogelijk hielden: naar de sportschool gaan, in drukke restaurants zitten, feestjes houden in overvolle huiskamers en naar het buitenland vliegen voor vakantie, zelfs toen andere landen in lockdown gingen. Volgens enquêtes van het rivm blijft slechts de helft van de Nederlanders thuis als ze symptomen hebben en laat slechts de helft zich testen. Nuchterheid lijkt vaak meer op roekeloosheid.

Medio december had Nederland een van de hoogste besmettingspercentages van Europa2, was het concept van de ʻintelligente lockdown’ stilletjes losgelaten en stevenden we in plaats daarvan af op een echte lockdown. ʻVolwassen, eigenwijze’ Nederlanders bleken net zo kwetsbaar als ieder ander. Desondanks ben ik de tel kwijtgeraakt van alle keren dat iemand iets tegen me zei als: ʻHet is verschrikkelijk hoe het in jullie land gaat’, waarmee Groot-Brittannië werd bedoeld – zelfs op momenten dat het in Nederland eigenlijk slechter ging. De mislukkingen van andere landen bewijzen dat wij gelijk hebben, maar de successen van andere landen worden grotendeels genegeerd. Ik kan me bijna voorstellen hoe de jongens in mijn favoriete bar in Rotterdam roepen: ʻJa, het aantal besmettingen in België is lager, maar heb je gezien in welke toestand hun wegen verkeren?!’

Meer recentelijk hebben we ook een exceptionalistische houding gezien met betrekking tot vaccins. Als er één land is dat vaccinaties goed zou moeten kunnen regelen, dan is het dit land wel: klein en dichtbevolkt, rijker dan Duitsland of Saoedi-Arabië3, met uitstekende vervoersverbindingen; bijna iedereen woont in de buurt van een huisarts of een ziekenhuis. Maar ondanks deze voordelen zijn onze prestaties bedroevend: begin februari was het totale aantal Nederlanders dat een vaccin had gekregen veel lager dan het aantal Britten dat elke dag wordt gevaccineerd. Duizenden mensen zijn overleden sinds de eerste vaccins werden goedgekeurd door de toezichthouder, en het is duidelijk dat het normale leven niet kan worden hervat voordat de meeste mensen zijn gevaccineerd.

Veel mensen lijken echter nog steeds te denken dat lange vertragingen er niet toe doen, zolang we er uiteindelijk maar komen – wat een beetje hetzelfde is als zeggen dat als je huis in brand staat, het niet uitmaakt of de brandweer vandaag komt of pas in september. Hoewel we van internationale vergelijkingen houden als we er goed op staan (groei van het bbp, schulden, tekorten), worden ze bespot als we er slecht vanaf komen (besmettingscijfers, vaccinaties): ʻDit is geen wedstrijd!’

In plaats van eerlijk te zijn over mislukkingen, suggereren mensen dat het anderen zijn die een probleem hebben en dat Nederland alles goed doet. ʻWij kiezen juist niet voor een symbolische prik’, zei De Jonge in december. ʻHet is niet verantwoord om het eerder te doen.’ Met andere woorden: als het hier langzaam gaat, komt dat doordat anderen onzorgvuldig zijn, niet omdat wij het slecht hebben gedaan. Nederlands falen wordt zo gepresenteerd als bewijs van Nederlandse superioriteit. George Orwell zou er trots op zijn.

Als je nadenkt over de oorzaken van een dergelijke houding, zou je op zoek kunnen gaan naar diepe historische wortels: oude religieuze gewoonten om slecht gedrag te veroordelen; de ʻvoc-mentaliteit’ die berust op de veronderstelling dat slimme Hollanders weten hoe ze de wereld moeten besturen. Het lijkt mij echter dat de onbeholpen reactie op corona voor een deel aan het politieke systeem kan worden toegeschreven. In landen als Engeland of de VS is er een duidelijke scheidslijn tussen (ruwweg) één grote regeringspartij en één grote oppositiepartij. Als de eerste iets verknoeit, zal de tweede dat hevig bekritiseren.

In Nederland echter zitten sommige van Rutte’s grootste rivalen in zijn eigen kabinet. Als er iets misgaat, komt de felste kritiek vaak niet van de mainstream maar van koppige individuen als Peter Omtzigt (cda) – maar als je op die critici stemt, help je hun partijen misschien wel een nieuwe coalitie te vormen met Rutte aan de top. De standpunten zijn de afgelopen jaren verhard, en er zijn genoeg populistische politici die van zich doen spreken. Maar de politieke cultuur blijft opmerkelijk vergevingsgezind.

Nederlanders hebben de reputatie direct te zijn, maar als er dingen misgaan of mensen zich slecht gedragen (een bruiloftsfeest houden in weerwil van de lockdown, bijvoorbeeld) is het instinct meestal nog steeds om te zeggen: ʻLaten we niet te hard oordelen, het is wat het is, we zijn hier allemaal vrienden!’ Met een vierpartijencoalitie vervaagt de aansprakelijkheid: als de regering fouten maakt, wie kan dan zeggen wie schuldig is? Net als een bende kinderen die betrapt wordt bij het ingooien van een ruit, kunnen de coalitiepartijen naar elkaar wijzen en roepen: ʻIk was het niet, zij waren het!’

Ook de media spelen een rol. Veel Nederlandse journalisten doen geweldig werk, maar er is soms ook een onwil om harde vragen te stellen. Is het echt goed voor het land dat wanneer de minister-president een uitgebreide presentatie geeft over duizenden mensen die overlijden en vaccins die niet worden geleverd, de eerste vraag altijd zoiets is als: ʻWat betekent dit voor onze vakantieplannen?’

Na een grimmig begin van 2021 lijkt de houding nu te zijn veranderd. Iedereen is gestrest en verveeld, en het geduld raakt op. De regering wordt hard bekritiseerd, en zelfs Rutte heeft kritiek op de ʻeigenwijze’ Nederlanders die zich niet aan de regels houden. Maar als we kijken naar de enquêtes uit het afgelopen jaar, lijkt de overheersende publieke stemming er een van welwillende acceptatie te zijn. Uit enquêtes van I&O blijkt dat de steun voor de aanpak van corona door het kabinet tussen maart 2020 en mei 2020 is gedaald, maar daarna maandenlang stabiel is gebleven.4

‘Ja, het aantal besmettingen in België is lager, maar heb je gezien in welke toestand hun wegen verkeren?!’

In mei 2020 zei 75 procent van de Nederlanders het coronabeleid van de regering grotendeels te steunen; in januari 2021 was dat nog 72 procent – hoger dan in oktober, vóór de laatste golf besmettingen.5 In januari zei 58 procent van de Nederlanders tevreden te zijn met de vaccinatiecampagne van het land, tegen slechts 31 procent van de Fransen.6 Politieke opiniepeilingen laten een vergelijkbare passiviteit zien. Na een jaar corona, zo’n vijftienduizend doden, een economische crisis, de toeslagenaffaire, rellen en het vaccinatiedebacle ligt de vvd op koers om twee keer zoveel zetels te winnen als welke andere partij ook.

Welke partij je ook steunt, die tegenstelling is opmerkelijk. Op basis van de huidige trends zou Rutte bitterballen kunnen verbieden en het Catshuis aan de Duitsers kunnen verkopen en nog steeds meer stemmen krijgen dan voorheen.

Een jaar na mijn bescheiden ‘staatsburgerschapsceremonie’ ben ik nog steeds blij Nederlander te zijn; ik ben dol op veel dingen in dit land: onze mensen, ons landschap, onze geschiedenis, het feit dat je bij het ontbijt prima kaas kunt eten. Er zijn een aantal dingen in de reactie op corona die ik bewonder, zoals de heldhaftige manier waarop veel openbare diensten zijn blijven draaien. Het is mogelijk dat we over een paar jaar terugkijken en denken dat we het helemaal niet zo slecht hebben gedaan.

Maar het valt ook niet te ontkennen dat in mijn eerste jaar als Nederlander mijn kijk op Nederland is veranderd op een manier die ik nooit voor mogelijk had gehouden. Een land waarvan ik dacht dat het een eiland van stabiliteit en efficiëntie was, heeft dingen verknoeid die rechttoe rechtaan hadden moeten zijn. Bij het ontkennen van de omvang van het probleem hebben veel mensen zich onzorgvuldig gedragen, of alleen maar passief de schouders opgehaald terwijl de dingen erger werden. En het systeem zelf lijkt te kraken.

Als Brit raakte ik er na 2016 aan gewend om argumenten te horen voor het feit dat Groot-Brittannië een land is dat er niet in is geslaagd een overtuigende rol voor zichzelf te vinden na de ineenstorting van zijn imperium, en dat het te lang heeft geteerd op vergane glorie en fantasieën. Nu, als Nederlander, lijkt dat een waarschuwing. Het is moeilijk om niet verontrust te raken door de manier waarop we onze mislukkingen goedpraten en ons vastklampen aan de vergane glorie van het poldermodel, de Gouden Eeuw en de Deltawerken.

Terwijl ik dit schrijf, ligt mijn nieuwe Nederlandse paspoort in de lade van mijn bureau, ongekreukt en nog steeds wachtend om gebruikt te worden. Als ik weer op reis ga en iemand me vraagt waar ik vandaan kom, zal ik met gepaste trots kunnen zeggen: ʻIk ben Nederlander, afkomstig uit het prachtige land Nederland.’ Maar als ze vragen hoe ons land wordt bestuurd, zal ik zeggen: ʻWe doen veel dingen goed, maar sommige dingen heel erg fout.’


Vertaling Menno Grootveld. Ben Coates is de auteur van The Rhine en Going Dutch: Nederland door de ogen van een Engelsman (Thomas Rap)