DE KORTE GESCHIEDENIS VAN HET CHINESE NATIONALISME

Superieur, niet nationalistisch

Vijf millennia lang had China weinig op met nationalisme. Dat veranderde met de komst van Europese en Japanse agressors.

Is China nationalistisch? Tot 4 mei 1919 – zeer recent in een land waar de historici de vaderlandse geschiedenis vijfduizend jaar geleden laten beginnen – was dat niet het geval, althans niet in de moderne betekenis van het woord. Nationalisme veronderstelt het bestaan van een volk dat trots is op zijn land, dikwijls door zich af te zetten tegen andere volkeren. Onzekerheid over het voortbestaan van de eigen cultuur speelt ook een rol. Van dit alles was in het keizerlijke China (221 voor Christus - 1911) geen sprake.

De Chinese kijk op de wereld buiten China was in die lange periode fundamenteel hetzelfde. In het centrum van de wereld lag China, het enige beschaafde land op aarde. Niet geheel toevallig betekent Zhongguo (de Chinese naam voor China) dan ook Rijk van het Midden. Over dat gezegende land regeerden heersers die vertegenwoordigers waren van de Hemel, een kosmische orde die de seizoenen reguleerde, de oogsten deed slagen en de maat was voor de juiste menselijke verhoudingen.

Deze heersers noemen we in het Westen keizers, maar dat woord roept associaties op met Romeinse imperatoren, die hun legioenen er op uit stuurden om het rijk te pacificeren. Dat is misleidend. Het Chinese woord voor keizer betekent zoveel als ‘verheven goddelijk wezen’, wat erop wijst dat zijn functie op aarde eerder spiritueel dan militair was. Net als voor de paus was het bewaken en uitdragen van de hemelse orde zijn belangrijkste taak. Hij deed dat door het volgen van de juiste rituelen en het voeren van een deugdzaam bestuur. Dat gaf hem het recht, het mandaat om keizer te zijn. Indien dat recht werd verbruid door corruptie en wanbeheer, verloor de heersende familie het Mandaat des Hemels en kwam er een nieuwe dynastie aan de macht. Een soort kosmische rechtspraak die het komen en gaan van de talrijke dynastieën verklaart.

Wat te midden van alle veranderingen bleef, was de rotsvaste overtuiging dat de cultuur van het Hemelse Rijk superieur was: door de taal (het Chinese wen betekent zowel taal als cultuur), het op talent geselecteerde ambtenarenapparaat en de ijzersterke familiebanden. De familie is de kern van de samenleving. De keizer heeft de heilige plicht om over het totaal van de families goed bestuur uit te oefenen. Net zoals de vader die plicht heeft tegenover zijn familie. Als het land op familieniveau goed wordt bestuurd, gaat het ook goed met de staat. Vandaar het spreekwoord ‘Als er orde in de familie is, is de staat vredig’. Het individu identificeerde zich met zijn familie, en in groter verband met de keizer en diens ambtenaren op lokaal niveau. Noties als volk en land, essentieel voor het nationalisme, bestonden niet.

In principe was de staat niet begrensd. De keizer had het recht om de beschaving over de grenzen van het Chinese kerngebied (de middenloop van de Gele Rivier) uit te dragen. Hij was tenslotte aangesteld om ‘alles wat onder de Hemel ligt’ (tianxia, het woord voor rijk) te civiliseren. In periodes van militaire kracht schroomde hij niet om zijn gezag te doen gelden. De volken in wat nu het zuiden en westen van China is, werden stapsgewijs geassimileerd, een proces dat eeuwen in beslag nam en nog niet is afgerond – zeker niet in het geval van betrekkelijk recent veroverde gebieden als Tibet en Xinjiang. Buiten het huidige China deden de keizers ook hun invloed gelden, en iedere keer voerde de wens om te beschaven de boventoon.

De kracht en duurzaamheid van de klassieke orde was indrukwekkend. Nog in 1800 was China het grootste land ter wereld, had de grootste bevolking en verreweg de grootste economie (zo’n dertig procent van het mondiale bruto binnenlands product). Geen wonder dat de Chinese cultuur gezien werd als de maat van alle dingen en het buitenland eerder werd geminacht dan gevreesd. Dat wil niet zeggen dat de zonen van het Hemelse Rijk militair superieur waren aan de omringende volkeren. Integendeel, ruitervolken als de Hunnen, Mongoliërs en Manchu’s waren militair dominant en bezetten gedurende lange periodes het Rijk van het Midden. Maar ieder van deze bezetters werd meegezogen in de zuigkracht van de cultuur van het Midden: ze namen Chinese namen aan, schakelden Chinese ambtenaren in om te besturen en spraken Chinees. Zo werd buitenlandse overheersing eerder een bevestiging dan een ontkenning van de superioriteit van de enige cultuur die ertoe deed.

Omdat China de enige beschaving op aarde was, bestond er geen behoefte zich af te zetten tegen andere volken, ook wel barbaren genoemd. Daarmee werden alle volkeren bedoeld die nog niet door de keizers waren geciviliseerd; het ging niet om een etnisch onderscheid. Dit superioriteitsgevoel berustte niet op hoogmoed of onzekerheid, maar op de onwrikbare overtuiging dat de keizer als personificatie van de Hemelse wil een beschavende taak op aarde had.

In de negentiende eeuw werd dit wereldbeeld ruw verstoord. In 1793 had de Engelse gezant Macartney de keizer voorgesteld Engelse diplomaten in Peking te plaatsen en handelsrelaties te beginnen. Een ongehoord verzoek, dat resoluut werd afgewezen: ‘Uw verzoek om accreditatie van uw diplomaten aan mijn Hemelse Hof is in strijd met alle gebruiken van mijn Dynastie en kan niet worden ingewilligd… Ons Hemelse Rijk bezit alle dingen in uitbundige overvloed en we hebben geen tekort aan welk product ook.’ De eerste beschavingsbotsing tussen China en het Westen was een feit en zette de toon voor de langdurige, voor China uiterst vernederende confrontatie in de negentiende eeuw.

Het zelfingenomen, militair achtergebleven Hemelse Rijk bleek geen partij voor het agressieve, technologisch superieure Westen. Engeland, Rusland, Duitsland en Frankrijk dwongen met geweld territoriale concessies af, die eufemistisch ‘invloedssferen’ werden genoemd. Na de Tweede Opiumoorlog in 1860 werden de keizers gedwongen om buitenlandse ambassades in Peking toe te laten, waardoor de illusie van China’s unieke positie in de wereld voorgoed werd doorbroken. Behalve met de buitenlandse agressie kreeg het land ook te maken met binnenlandse opstanden, zoals die van de Taiping Tianguo (‘Het Hemelse Rijk van de Grote Vrede’), een messianistische, door het christendom geïnspireerde beweging die China wilde veranderen in een egalitaire heilstaat. Na een strijd van vijftien jaar werd de opstand neergeslagen ten koste van tientallen miljoenen doden.

Het is opmerkelijk dat ondanks al deze mokerslagen de ambtenarenelite heilig bleef geloven in de klassieke orde. Het probleem was volgens hen niet de orde zelf, maar het onvermogen van het land om zich aan te passen aan de moderne wereld. Vanaf de jaren zestig van de negentiende eeuw vertaalde dit denken zich in de Beweging van Zelfversterking, die zich met de leuze Xiyong Zhongti (Westen – toepassing, China – kern) tot doel stelde het land op grote schaal te moderniseren zonder de kern van de cultuur aan te tasten. Er werden spoorwegen aangelegd en schepen gebouwd en het leger werd gemoderniseerd.

Even leek het erop dat deze combinatie van oude cultuur en moderne techniek zou slagen, maar in 1895 volgde de totale ontluistering. In een oorlog om de heerschappij over Korea werd China door Japan vernietigend verslagen. Een vernedering die des te harder aankwam omdat het Land van de Rijzende Zon eeuwenlang ondergeschikt was geweest aan Peking en pas later aan het moderniseren was geslagen. Maar Japan deed wat China door zijn ingeboren conservatisme niet kon: het investeerde niet alleen in hardware, maar hervormde ook de staat door regering en leger in handen te leggen van moderne technocraten. Te laat probeerde China hetzelfde te doen. In 1905 werd het examensysteem afgeschaft, dat bijna tweeduizend jaar lang de ambtelijke elite had geselecteerd en de ruggengraat was van de klassieke orde. Kort daarop was het dan ook afgelopen met de laatste keizerlijke dynastie en werd in 1912 de Republiek China uitgeroepen.

De semi-kolonisatie door de westerse landen en de toenemende agressie van Japan leidden voor het eerst in de geschiedenis tot xenofobie onder het volk. Zo werden op het platteland honderden westerse zendelingen en missionarissen gedood omdat zij de ogen en harten van Chinese kinderen zouden opeten. In 1900 werd de westerse diplomatenwijk in Peking honderd dagen lang belegerd door de Boksers, een occulte sekte die meende door esoterische oefeningen immuun te zijn voor westerse kogels.

In 1919 vertaalden die gevoelens zich voor het eerst in een moderne, nationalistische beweging. Op 4 mei demonstreerden in Peking honderden studenten tegen de geheime overdracht van de Duitse concessie in de provincie Shandong aan Japan, ook al voorzag het Vredesverdrag van Versailles in zelfbeschikking voor alle volkeren. De demonstraties leidden al snel tot een boycot van Japanse goederen en een oproep om het land te redden: ‘Het Chinese grondgebied kan worden veroverd, maar niet weggegeven worden. Het Chinese volk kan afgeslacht worden, maar zal zich niet overgeven. Ons land staat op het punt vernietigd te worden. Broeders, staat op!’ Deze oproep benoemt alle elementen die steevast terugkeren in alle pro-China-demonstraties sinds die tijd: de heiligheid van het grondgebied, het onverzettelijke volk en de vijand die bestreden moet worden. 4 mei 1919 is de geboortedag van het Chinese nationalisme.

Henk Schulte Nordholt is auteur van De Chinacode ontcijferd (2006)