Voltaire

Superieure ironie

Voltaire, Filosofisch woordenboek: De rede op alfabet

Vertaald door Hannie Vermeer-Pardoen

uitg. Van Gennep, 597 blz., ƒ95,-

Eind 1790 schreef Benjamin Constant aan Belle van Zuylen dat hij met veel plezier de brieven van Voltaire las. Zijn vriendin reageerde nogal bits: «Het was geheel en al overbodig te zeggen dat je Voltaire las (dat was wel aan de stijl te zien!) en het is altijd geheel en al zinloos mij iets goeds te zeggen over die man, die iets verhuurde, uitleende of wegschonk wanneer hij iemand een dienst moest vragen, wanneer er een boek of toneel stuk moest worden toegejuicht, en die zich daarbuiten om niemand bekommerde, die nooit iemand heeft bemind, zelfs niet zijn markiezin de Châtelet, en die zo vinnig wist te haten en zo wreed te verscheuren wanneer iemand een krasje op zijn ijdelheid had gemaakt.»

De voorkeur van Van Zuylen ging uit naar Rousseau, de grote propagandist van het deugdzame leven. En al maakte die er in de praktijk vaak een zootje van, hij was tenminste niet zo negatief als Voltaire.

Wie Voltaires Filosofisch woordenboek leest, waarvan nu eindelijk een complete en door Hannie Vermeer-Pardoen schitterend vertaalde Nederlandse editie beschikbaar is, moet Belle van Zuylen in ten minste één opzicht gelijk geven. Voltaire wás negatief, en dat is ook de kracht en charme van dit curieuze boek uit 1764. Er is wel over gezegd dat het helemaal geen woordenboek is, en dat het ook niet over filosofie gaat. Inderdaad, wie een systematische behandeling van de meest gebruikte filosofische begrippen verwacht, voelt zich nogal bekocht bij het lezen van lemma’s als «Abraham», «Biecht», «Engel», «Job» of «Zondvloed».

Het ware karakter van het boek blijkt echter uit de ondertitel: De rede op alfabet. Want de Franse philosophes uit de achttiende eeuw waren natuurlijk geen zwaarwichtige of diepzinnige vakfilosofen, maar intellec tuelen, schrijvers en geleerden die waren aangeraakt door het rationalisme en hiermee de oude godsdienstige en maatschappelijke dogmata te lijf gingen.

Het Filosofisch woordenboek is een bonte verzameling artikelen waarin Voltaire vooroordelen, bijgeloof, fanatisme, obscurantisme en onverdraagzaamheid aanviel. Het boek verscheen anoniem, wat Voltaire de gelegenheid gaf er flink reclame voor te maken: «Wat een eruditie! Wat een durf! Het is een goddelijk boek!»

Met dat laatste zat Voltaire er behoorlijk naast, aangezien het boek van God heel wat beroerder is geschreven dan dit elegante en verrukkelijke pamflet. Ook al lijkt Voltaire het over de meest obscure en volstrekt achterhaalde zaken te hebben, zoals de Drie-eenheid, het is een genot om te lezen aan gezien elke bladzijde zindert en elke zin flonkert. Het is superieure ironie, die van alle bladzijden spat: «Alle concilies zijn onfeilbaar, dat spreekt; want zij worden gehouden door mensen.» Vaak behandelt hij een onderwerp door middel van een snedige dialoog. Zo laat hij in een gesprek tussen Pico della Mirandola en paus Alexander VI de laatste tot de conclusie komen dat het christelijk geloof volstrekt ongeloofwaardig was.

Af en toe gaat deze ironie, die soms doet denken aan Propria Cures-humor uit de jaren vijftig (toen veel studenten zich ook ontworstelden aan hun christelijke milieu), ook wel wat vervelen. Zo is Voltaires ontkenning dat de mens van nature slecht is nogal kinderachtig, aangezien hij uitrekent dat het percentage echte smeerlappen vrij klein is. Vaak echter is zijn nuchterheid na ruim tweehonderd jaar nog steeds verfrissend. Tegen lieden die beweren dat de deugd het hoogste goed is, brengt hij in dat deugd een plicht is. «Een deugdzaam man die aan niersteen en jicht lijdt, die nergens hulp kan vinden, geen vrienden heeft, het noodzakelijke moet ontberen, die wordt vervolgd en in de boeien geslagen door een sterke, genotzieke tiran, is heel ongelukkig; en zijn brutale vervolger, die op een purperen bed zijn minnares aan het liefkozen is, voelt zich heel gelukkig. U mag zeggen dat de gekwelde wijze te verkiezen is boven zijn brutale vervolger; u mag ook zeggen dat u de eerste sympathiek vindt, en de ander een afschuwelijke kerel; maar u moet wel toegeven dat de wijze in zijn ketenen dol van woede is. Als die wijze dat ontkent, dan speldt hij u iets op de mouw, dan is hij een oplichter.»

In tegenstelling tot Rousseau, met zijn hoogdravende beschouwingen over hoe men zou moeten leven, was Voltaire een praktisch man, die deed wat zijn hand te doen vond. Niet alleen nam hij het op voor mensen die vervolgd werden, ook schonk hij een groot deel van zijn rijkdom weg aan de mensen in zijn omgeving en bracht het dorp bij zijn landgoed tot welvaart. Belle van Zuylen maakte zich kwaad om het slot van Candide, waar de held zegt: «We moeten ons tuintje verzorgen». Volgens haar had er moeten staan: «Wij moeten goed doen wanneer dat in ons vermogen ligt, wij moeten proberen niemand te schaden, wij moeten onze geest bezighouden.» Mooi gezegd, maar waarschijnlijk waren de boeren van Ferney beter af met die negatieve Voltaire.