Superpoezen, of: Het zijn net mensen

Een nieuwe vrouwenencyclopedie lijkt een ouderwetse behoefte aan heldinnen te willen reanimeren, maar het boek van Els Kloek richt zich op de feiten en vermijdt waardeoordelen.

Els Kloek (red.), 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis, € 39,50

Medium 1

Het lijkt op het oog zoiets ouderwets: een boek van meer dan 1550 bladzijden waarin korte levensbeschrijvingen zijn opgenomen van zo’n duizend vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis, van de middeleeuwse mystica Hadewijch tot aan ‘onze’ Hella S. Haasse. Ouderwets vanwege het encyclopedische karakter – al dat papier – maar ook vanwege de invalshoek. Vrouwen. Is dat niet een te grove categorie anno 2013?

Ik heb het voor de zekerheid nog even opgezocht, maar inderdaad: boekwinkel Savannah Bay in Utrecht heet al sinds enige tijd een ‘bijzondere’ boekwinkel, en niet meer een vrouwenboekhandel. Xantippe aan de Prinsengracht in Amsterdam heet Xantippe Unlimited: een ‘algemene literaire boekhandel’, met als specialisme ‘vrouwenboeken’. Natuurlijk. Het zijn veranderingen die volkomen stroken met ook mijn veranderde inzichten, en het idee dat een basale inhaalslag inmiddels wel geleverd is. En dan nu toch dit mega-werk, gepaard gaande met een tentoonstelling die de vroegere behoefte aan heldinnen en rolmodellen tamelijk probleemloos lijkt te willen reanimeren.

Samenstelster Els Kloek, die een paar jaar geleden een meeslepende geschiedenis van de Nederlandse huisvrouw publiceerde, is in haar inleiding duidelijk over de motieven om zoiets als dit te maken. ‘Het bereiken van gelijkheid is een illusie,’ luidt haar ferme openingszin. ‘Het vinden van de waarheid ook.’ Desalniettemin, vervolgt ze, zal de mensheid zich altijd moeten inspannen voor meer gelijkheid, zoals de wetenschap erop uit zal moeten zijn de waarheid te achterhalen. In heldere snelle trekken schetst ze de opkomst van vrouwengeschiedenis in de jaren zeventig vorige eeuw, die in reactie op de gevestigde geschiedschrijving zich richtte op vooral ‘gewone’ vrouwen. ‘Dat kan interessante inzichten opleveren’, aldus Kloek, ‘maar op den duur vond ik die benadering niet bevredigend. Als “vrouwengeschiedenis” een legitieme inhaalmanoeuvre is en vrouwen inderdaad een plaats in de geschiedschrijving moeten krijgen, dan hebben ze óók recht op individualiteit.’

Het bracht haar op het idee van een biografisch woordenboek van vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis, waaruit onontkoombaar duidelijk zou worden dat vrouwen net mensen zijn: zo onderling verschillend als maar mogelijk. Zie hier de paradox: wat een grote gemene deler lijkt zou juist meer licht moeten werpen op al die unieke levens, uitzonderlijke prestaties, grootse werken.

Vanaf 2004 werkte Kloek aan het Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland: een website met een gestaag groeiend aantal korte biografieën van vrouwen, geschreven door diverse deskundigen. De focus lag op vrouwen geboren vóór 1850, maar toen eenmaal het idee ontstond de portretten ook in boekvorm op te nemen, werd de twintigste eeuw erbij gehaald. Ruim tweehonderd oudjes moesten toen alsnog sneuvelen, ten faveure van de nieuwe generatie.

Ik kan me voorstellen dat daarmee het selecteren ook een stuk lastiger werd. Vanwege de toenemende activiteiten van vrouwen in de openbaarheid, maar ook omdat we er nog dichter op zitten, en iemands historische belang nog niet helemaal uitgekristalliseerd is. Om er maar een eigen pre­occupatie in te gooien: waarom staat Elisabeth Keesing er wél in, maar A.H. Nijhoff niet? Om nog maar te zwijgen van Patricia de Martelaere, al begrijp ik uit Kloeks toelichting dat zij misschien te kort geleden is overleden. Alhoewel Hella Haasse nóg korter geleden is overleden, en wel een beschrijving krijgt. Een zeer adequate overigens, van de hand van Margot Dijkgraaf. (Achter in het boek kan worden opgezocht welke deskundige schuilgaat achter de initialen onder de teksten.) Komaf, levensloop, huwelijk, werk, gezin: alles komt aan de orde in een soort mini-essay, zakelijk verhalend en buitengewoon informatief. En als kers op de taart ook nog een mooie foto, van een schrander ogende Haasse in 1959.

Criteria om iemand al dan niet op te nemen, kunnen nooit spijkerhard zijn, dat begrijp ik ook wel. In ieder geval moest het leven ‘voltooid’ zijn. En daarna wordt het terrein glibberiger, gaat het om ‘gedenkwaardige’ prestaties, of vrouwen die ‘anderszins’ de aandacht op zich hebben weten te vestigen, bij tijdgenoten of in de geschiedschrijving. En dus heeft ook Mathilde Willink een plek gekregen in de galerij als ‘wandelend kunstwerk’. Een even fascinerend als tragisch levensverhaal is het, geplaveid met een stoet aan stokoude minnaars, te beginnen met haar geschiedenisleraar op het gymnasium en later met de schilder Carel Willink. Nooit geweten dat Mathilde (of Maria, zoals ze eigenlijk heette) eerst in dienst was bij de klm als stewardess, al was ze van meet af aan een risicofactor vanwege haar ‘onberekenbare persoonlijkheid’. ‘Ik ben een superpoes,’ zei ze over zichzelf. ‘Als men je niet opmerkt, kan je net zo goed niet bestaan.’ Hoe zou ze zich in deze tijd nog hebben kunnen handhaven, vraag je je onwillekeurig af. Met terugwerkende kracht lijkt haar roep om aandacht en roem zo ongelooflijk onschuldig, want zo niét media-gestuurd, op een enkel televisie-interview met Henk van der Meyden na dan.

Mathilde Willink wordt in dit boek gerubriceerd onder de intrigerende noemer ‘avontuur en sensatie’. Alle beschreven vrouwen zijn ingedeeld naar een rubriek, vijftien in totaal, zoals ‘Adel, elite en politiek’, ‘Kerk en godsdienst’, ‘Dicht- en letterkunde’. Een probleem op zich, dat indelen, zoals Els Kloek ook in haar inleiding uitlegt, maar wel een manier om zicht te krijgen op wat vrouwen zoal deden, op welke terreinen ze actief waren. Niet helemaal verrassend, maar nu toch maar weer eens geboekstaafd: sinds eeuwen her excelleren vrouwen vooral op het gebied van de schone kunsten. Geestelijke vrijheid hoeft uiteindelijk misschien niet veel te kosten, je hoeft er niet per se voor naar buiten, en kan ook op het puntje van de eettafel worden gebotvierd. Zoals Haasse zei in haar laatste interview, in dit boek geciteerd: ‘Mijn grootste vreugde is dat ik alles heb kunnen bedenken en schrijven wat ik wilde.’ En wij weten dat een groot deel van haar vroegere werk werd bedacht toen ze op de rand van de zandbak zat.

Ik denk dat het heel verstandig is geweest van de redactie om die twintigste eeuw erbij te halen. Juist het feit dat de nabije geschiedenis nog niet gestold is, geeft dit werk een zekere spanning mee, en een actuele lading. Al is die ook terug te lezen in het portret van Hadewijch bijvoorbeeld, naar wier identiteit nog steeds onderzoek wordt gedaan. Een paar jaar geleden dook een nieuwe hypothese op: ze zou pas in het begin van de veertiende eeuw actief zijn geweest, in plaats van midden dertiende eeuw zoals altijd werd aangenomen, en ze zou niet uit Antwerpen afkomstig zijn maar uit Brussel. Poteeto potaato voor de buitenstaander wellicht, maar voor de specialisten een potentiële bom onder de interpretaties van haar werk. Hoe het allemaal ‘echt’ zit, het blijft giswerk, maar de verdienste van dit portret is dat het op een nuchtere manier de balans opmaakt. Nadat alle mogelijke nieuwe hypothesen de revue zijn gepasseerd, heet het: ‘Geen van deze veronderstellingen heeft in het Hadewijch-onderzoek veel aanhang verworven.’

En om nog een keer op Mathilde Willink terug te komen: aan het slot van haar levensbeschrijving wordt het raadsel van haar dood benoemd, én intact gelaten. Moord of zelfmoord, het is nog steeds niet duidelijk.

Bijdragen als deze laten zien dat het ideaal van het achterhalen van de waarheid, waarover Els Kloek het in haar inleiding heeft, in dit biografische naslagwerk aardig wordt benaderd. Natuurlijk kan men de historische werkelijkheid inkleuren door sommige zaken wel en andere juist niet te melden, merkt ze op. ‘Daarom is ook het vinden van de waarheid een illusie.’ Maar het feit dat in deze minibiografieën zozeer wordt gefocust op de feiten, en waardeoordelen worden vermeden, maakt de bijdragen zo informatief en betrouwbaar tegelijk.

Inderdaad, ik kom terug op mijn aanvankelijke aarzeling bij een dergelijk boekwerk. In de aaneenschakeling van de portretten ontstaat een interessant en levendig beeld van het verleden, wat wil je nog meer. Een ander beeld ook, Kloek heeft het in dit verband over ‘de achterkant van de geschiedenis’. Wanneer lees je nu nog wel eens iets over Anneke van Baalen bijvoorbeeld, van beroep radicaal-feministe, oprichtster van uitgeverij De Bonte Was, initiator van de vrouwenstaking in 1981. Ze was ooit getrouwd, lees ik nu, had een zoon en een dochter, en ze werkte aan haar memoires.

Met name de laatste sectie, de twintigste eeuw, laat zich lezen als een spannend prentenboek, met een hoog ‘o god ja die’-gehalte. Het zal niet de bedoeling zijn, maar ik heb alle biografieën achter elkaar gelezen, mede gestimuleerd door de tot de verbeelding sprekende foto’s. Wat zag Audrey Hepburn, oftewel Edda Ruston, onze nationale trots, er ooit anders uit. En wat was Haya van Someren, het eerste ‘bevallende’ Kamerlid, knap, net als Nora Salomons, ‘ombudsman’, pvda-ster, en voormalig gemeentepolitica in Amsterdam. Als 28-jarige kwam ze in de Tweede Kamer terecht, haar gebied was onder meer volkshuisvesting, ze was initiatiefnemer van de Leegstandswet. Iemand die wars was van bureaucratie en regels, een enorme doorzetster en dwarsligger, die, zoals dat kennelijk gaat, uiteindelijk gewipt werd door haar eigen partij. ‘Eleanora Salomons bleef ongehuwd’ staat in het lemmaatje met de jaartallen dat aan iedere levensbeschrijving voorafgaat. Over zo’n zinnetje kan ik heel lang nadenken.

Sowieso, voorzover er toch iets ouderwets en grof gemeenschappelijks over deze o zo individueel opmerkelijke vrouwen valt te zeggen, ligt dat op het terrein van de vermenging privé-publiek. Vrouwen hadden gezinnen, of niet, en in beide gevallen had dat gevolgen voor hun werk en de manier waarop ze zich in de openbare ruimte begaven. Er moest altijd een prijs worden betaald voor een meerdimensionaal bestaan, een prijs die voor mannen niet aan de orde was/is. Het werk van documentaire­maakster Netty Rosenfeld stond op een laag pitje toen haar kinderen klein waren, maar erna werd ze des te productiever. Ik kan me haar documentaire over Primo Levi begin jaren negentig nog goed herinneren, net als de pijltjes die ze samen met Cherry Duyns richting de landkaart wierp voor hun programma Land­genoten, om te bepalen waar ze mensen gingen interviewen. Iedereen is in potentie interessant, was haar adagium. Illustratrice Fiep Westendorp had verschillende verhoudingen met mannen, maar bleef ongehuwd, wilde nooit ‘de vrouw van’ worden. Tegelijkertijd hield ze zich kennelijk maar al te blij schuil achter de brede rug van Annie M.G. Schmidt. Ik kan me niet eens heugen dat ik eerder een foto van haar zag.

Journaliste Jeanne Roos stopte met de verslaggeverij voor Het Parool na de geboorte van haar zoon, en stapte over op een huiselijker genre. Eerst had ze een consumentenrubriek, ‘Wat had u gehad willen hebben’ (waarin we de hand van collega en vriendin Annie M.G. Schmidt herkennen), en later werkte ze als mode­redactrice samen met Marte Röling. Haar persoonlijke, speelse ‘Roos’-stukjes groeiden uit tot een van de populairste krantencolumns. Jeanne Roos hield van haar werk en had het naar eigen zeggen altijd zeer naar haar zin bij ‘mannen­bolwerk’ Het Parool. ‘Ik heb het feminisme geen enkele dienst bewezen,’ zei ze in een interview. ‘Vrouwenhuizen? Daar ging ik niet naar binnen. Dat klonk als “verboden voor Joden”. Ik ben nooit man­vijandig geweest.’ Al die persoonlijk beleden en doorleefde hartstochten, dat maakt deze vrouwenlevens zo boeiend, en verbazingwekkend vaak ontroerend zelfs. Daar is weinig ouderwets aan bij nader inzien.


Van 15 februari t/m 20 mei is de gelijknamige tentoonstelling te zien bij Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, Oude Turfmarkt 10. 1001-vrouwen.nl

Els kloek (red.)
1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis
Van Tilt, 1556 blz., ¤ 39,50 (tot 14 mei, daarna ¤ 49,50)