Toneel

Superwezens in de war

Toneel: De Theatercompagnie speelt Gilgamesj

Toen iemand me vroeg waaróm ik zo geraakt was door de voorstelling Gilgamesj (Theatercompagnie, regie: Theu Boermans) flapte ik het eruit voor ik het wist: «Omdat de Trust weer even terug was.» Ik had meteen spijt, want het gesprek ging vervolgens over nostalgie en daar wilde ik het nu juist niet over hebben. De Trust is het ensemble dat Theu Boermans jarenlang leidde en dat vijf jaar geleden in de Theatercompagnie is opgegaan. Het leek erop dat de energie van de Trust in de Theatercompagnie verdampt was. Nu is die energie terug. In een grote vertelling, die handelt over sterfelijkheid.

Gilgamesj begint als een spannend jongensboek. De titelfiguur is geboren met een gouden lepel in zijn mond: hij is niet eens een halfgod, hij is tweederde god. Hij slaagt in alles als koning, hij bouwt de mooiste stad ter wereld, Uruk, hij tart zijn bevolking én zijn goden. Die goden scheppen voor hem een soort alter ego, de wildeman Endiku. Het eerste deel van de vertelling gaat over die twee jongens. Gilgamesj die naar het leven kijkt als naar een avonturenroman; Endiku die uit een modderig oerbestaan in een beschaving kruipt die hem totaal vreemd is. De twee jongens vallen voor elkaar als een blok – geen homo-erotiek, eerder een bloedbroedergevoel, wij-samen-tegen-de-rest-van-de-wereld, en vooral ook: tegen de goden. Ze vechten zich een weg naar de helden status. De godin van de liefde, Isjtar, is zo onder de indruk dat ze zich aan Gilgamesj aanbiedt. Die weigert: hij wil met Endiku verder strijden voor een nog hogere statuur. Isjtar haalt haar godenfamilie over om deze hoogmoed te bestraffen: Endiku moet dood, Gilgamesj moet zijn sterfelijkheid in de ogen zien.

Fedja van Huêt (Gilgamesj) en de Vlaamse acteur Stefaan Degand (Endiku – een ontdekking) spelen het relaas van hun bloedbroederschap energiek, aandoenlijk, af standelijk, alsof ze vol verbazing naar hun personages kijken. De godenwereld, deels op videoscherm, deels delibererend op een balustrade, uiteindelijk in totale verwarring ruziënd op de geurige grasweide die de speelvloer is, werkt als cabaretesk commentaar: superwezens in de war, ruggelings gevallen in de kuilen die ze zelf hebben gegraven. Met als komisch epicentrum Hans Leen dertse als Anu, de godenvader, die zijn nakroost niet meer in de hand heeft. Met de dood van Endiku («Er zal niets blijven van mij» – een waarschuwing aan Gilgamesj’ verlangen naar onsterfelijkheid) en de rouw van de jonge koning om zijn metgezel – elegie van een vriend voor een vriend – worden we met dichtgeknepen keel de pauze in gestuurd.

De kracht van de voorstelling is dat de toeschouwer daarna nieuws gierig blijft. Niet zozeer naar de afloop – die ken je, de raamvertelling begint en eindigt met het sterven van de Uruk-koning – maar naar het verloop: hoe gaat die tweederde god Gilgamesj het niet redden? In het tweede deel van de voorstelling pakken Boermans, zijn ensemble en zijn technici spectaculair uit. Een woud van tentjes wordt omvergeblazen, we maken met terugwerkende kracht de zondvloed mee. Het Gilgamesj-epos is ouder dan het Oude Testament. De overeenkomsten zijn evident, de verschillen zijn geestig. De zondvloed is hier niet de straf van die ene Jahweh, maar een besluit van alle goden. En Enki, de god van het grondwater, die altijd al een zwak voor de mensen had, sluit achter de rug van zijn godenfamilie een deal met de Noach uit het Gilgamesj-epos, die hier Uta-napisjti heet. Hij mag van Enki een ark bouwen, waarin hij één paar van alle diersoorten redt uit de watervloed.

De goden schrikken zelf van de zondvloed, verkassen naar het hoogste punt, en krijgen achteraf slaande ruzie als ze ontdekken dat één mens de schepping van de totale ondergang heeft gered. Ze belonen – o, ironie – die redder, Uta-napisjti, met onsterfelijkheid, maar dan wel op een plek waar je nog niet dood gevonden wilt worden. En daar zoekt Gilgamesj de Noach van het Gilgamesj-epos op, om hem te bevragen over onsterfelijkheid. Het personage Uta-napisjti wordt gespeeld door Theu Boermans, en hij doet dat met een aanstekelijke knipoog, geestig, nuchter. Hij beveelt Gilgamesj niet te zeuren, gewoon zijn werk te doen. De onsterfelijkheid kan hij hem niet verstrekken, wel onthult hij de plek waar hij kan duiken naar een kruid dat hem zal verjongen. Die duik van Fedja van Huêt is een van de vernuftigste scènes uit de voorstelling. Becommentarieerd door Ur-sjanabi, de veerman over de dodenrivier, een mooie rol van Harry van Rijthoven, die een wonder van vertelkunst laat zien, zonder pronk of franje.

Dat laatste is ook de kracht van de voorstelling: spektakel zonder spierballen, alles in dienst van het verhaal. Gilgamesj (tekst: Raoul Schrott; vertaling Tom Kleijn) is adembenemend maar neemt ook de tijd. De plezierige onrust van de Trust. Ik kwam er erg gelukkig uit.

Nog t/m 26 maart te zien in het Compagnietheater, Kloveniersburgwal 50, Amsterdam, 020-5205320, www.theatercompagnie.nl