Kolonie dertig jaar onafhankelijk

Suriname en het lusofone model

Suriname is sinds vorig najaar dertig jaar onafhankelijk. Voor Nederland is het land inmiddels ver-van-mijn-bed. De tegenstelling tot de verhouding tussen Portugal en zijn voormalige koloniën in Afrika, eveneens drie decennia op eigen benen, kan niet groter zijn. Een lesje voor Nederland én Suriname.

LISSABON – Op 12 augustus 1912 legde de Portugese gouverneur van Angola, generaal Norton de Matos, midden in de jungle, op het plateau van Huambo in het noordwesten van het uitgestrekte land, de eerste steen van wat in zijn ogen de nieuwe hoofdstad moest worden van het grote Portugese rijk. De stad moest de allure krijgen van een grote metropool, met brede boulevards en moderne architectuur. De stad werd toepasselijk Nova Lisboa gedoopt.

De gouverneur, die behalve generaal ook nog grootmeester was van de Portugese vrijmetselaars, zag in dat Portugal zijn Afrikaanse koloniën – in die tijd sprak men liever van provincies – onmogelijk zou kunnen behouden als men deze uitsluitend als wingewesten beschouwde, die straffeloos konden worden leeggezogen zonder er iets voor terug te doen. Om de Afrikaanse gebiedsdelen – en alle olie, koffie, goud en diamanten – te behouden was een fundamentele koerswijziging nodig. Portugal moest één worden met zijn koloniën, en de verhuizing van de hoofdstad van het rijk naar de binnenlanden van Angola werd het symbool van deze gedachte.

Die droom stond in lijnrechte tegenstelling tot de koloniale politiek van dictator Salazar, die geen stap buiten Lissabon zette en Angola, net als de andere landen van Portugees Afrika – Mozambique, Guinee-Bissau, de Kaapverdische eilanden en São Tomé e Principe – alleen uit de atlas kende. Later, in 1949, nam Norton de Matos het nog eens op als presidentskandidaat tegen Salazars stroman Carmona. Hij verloor, wat niet verwonderlijk was voor verkiezingen binnen een dictatuur.

Nova Lisboa, net als de Braziliaanse hoofdstad Brasilia ontstaan uit een droom en in één keer op de landkaart gezet in het midden van het oerwoud, heet tegenwoordig Huambo. De stad werd midden jaren negentig aan flarden gebombardeerd door de troepen van Unita-leider Jonas Savimbi en is tegenwoordig een van de meest miserabele plekken die Angola rijk is.

De huidige gouverneur van Huambo heet Paulo Kassoma. Kassoma toog onlangs naar Portugal voor een historische daad: hij bracht een bezoek aan Ponte de Lima, de geboortestad van generaal Norton de Matos, en sprak daar lovende woorden over de stichter van Nova Lisboa, casu quo Huambo. Norton de Matos, aldus gouverneur Kassoma, was «een visionair», een man die zijn tijd vooruit was in zijn pogingen Afrika en Europa te verenigen in een nieuw organisch model. Kassoma deed daarbij een oproep aan Portugese onder nemers om hun weg wederom naar Angola te vinden.

Het waren verrassende woorden. Want Kassoma is behalve gouverneur van Huambo ook secretaris van de MPLA, het gewezen marxistische bevrijdingsfront van Angola dat sinds de proclamatie van de onafhankelijkheid op 11 november 1974 de lakens uitdeelt in het land. Verrassend omdat Kassoma geen enkele keer refereerde aan de oorlogen en de uitbuiting tijdens de Portugese overheersing, waar Norton de Matos als gouverneur ondanks alles toch het symbool van was. Eerder deed Joaquim Chissano, president van het eveneens dertig jaar van Portugal onafhankelijke Mozambique, eveneens op bezoek in het voormalige moederland, nog wel harde uitspraken over de noodzaak dat Portugal zijn excuses zou aanbieden voor de verschrikkingen van de slavernij eer sprake kon zijn van een normalisering van de verhoudingen. Kassoma was duidelijk op verbroederingsmissie.

Dat mag symbolisch heten voor de nieuwe wind die is gaan waaien in de verhouding tussen Portugal en zijn voormalige koloniën in Afrika. De lusofonie – vernoemd naar Lusus, een Romeinse god die als schutspatroon van de Portugezen gold – is anno 2005 bezig aan een opmerkelijke renaissance. Lusofonie behelst de gedeelde identiteit van de Portugees sprekende volken, of die nu Afrikaans, Zuid-Amerikaans (Brazilië), Aziatisch (Oost-Timor) of Europees zijn. Vijfhonderd jaar lang regeerden de Portugezen over Angola, Mozambique en Guinee-Bissau, alsmede over de eilanden São Tomé e Principe en de Kaapverdische eilanden. Die overheersing ging gepaard met slavernij (met name gericht op Brazilië, dat tot 1822 eveneens een Portugese kolonie was en nog tot 1889 een doorstart beleefde als keizerrijk onder het Portugese Huis van Bragança), bloedige koloniale oorlogen en institutioneel racisme tijdens de lange jaren van fascistisch bestuur vanuit Lissabon.

Portugal was de laatste Europese koloniale macht die zich terugtrok uit Afrika. Het land zond in de periode van 1961 tot 1975 bijna een miljoen soldaten naar Angola, Mozambique en Guinee-Bissau om de plaatselijke onafhankelijkheidsbewegingen de kop in te drukken. Leden van die bevrijdingsbewegingen – de PAIGG in Guinee, de Frelimo in Mozambique en de MPLA in Angola – werden gebrandmerkt als «terroristen» en gevangen gezet in beruchte strafkampen als Tarafal, de strafkolonie voor politieke delinquenten in een voormalig slavenfort op het Kaapverdische eiland São Vicente. De PIDE, de geheime dienst van dictator Salazar, liquideerde grote antikoloniale denkers als Amilcar Cabral en Eduardo Mondlane met bombrieven. En ook na de onafhankelijkheid speelden Portugese bedrijven en politici vaak nog een bedenkelijke rol, vooral in steun acties ten bate van de moordzuchtige Unita-beweging van Savimbi in Angola en de niet minder zachtzinnige communistenvreters van Renamo in Mozambique, die de eenpartijstaat van respectievelijk de MPLA en de Frelimo ten val wilden brengen en Angola en Mozambique daarmee bijna drie decennia in miljoenen levens kostende burgeroorlogen stortten.

Ook bij de voormalige kolonisator zijn er legio trauma’s aanwezig. Om te beginnen bij de honderdduizenden Portugese ex-militairen die onder Salazar en diens opvolger Marcelo Caetano naar de drie Afrikaanse fronten werden uitgezonden. Zij kampen massaal met posttraumatische stress, de herinnering aan gevallen broeders in de strijd (bijna tienduizend soldaten lieten het leven in Afrika), nachtmerries aan wrede guerrilla in de jungle, malaria, en vooral het idee dat hun leven werd opgeofferd aan een dwaze droom van een dictator die weigerde zijn verlies te nemen.

Daarnaast zijn er tienduizenden Portugese burgergezinnen in Afrika die in de loop van het dekolonisatieproces haastig de grond moes ten verlaten waar zij sinds generaties hadden gewoond, uit – de niet zelden gerechtvaardigde – vrees anders aan mootjes te worden gehakt in de euforie van de lokale bevolking over de nieuwe tijd. Deze «retornados» zijn bij aankomst in Portugal beland in deprimerende nieuwbouwgetto’s, aan hun lot overgelaten in hun plotselinge armoede, terwijl ze in Afrika gewend waren aan trouwe bediendes en uit ge strekte landerijen. Ze voelden zich beroofd van alles waar ze tot voor kort voor hadden geleefd.

Kortom, er zijn motieven genoeg voor een eeuwenlange diplomatieke ijstijd aan beide zijden. En toch is er dertig jaar na de onafhankelijkheid iets anders aan de hand. Portugal en de voormalige koloniën komen steeds nader tot elkaar. Op alle gebieden bestaat er een levendige interactie. Portugese politici lopen de deur plat in de voormalige koloniën. Afrikaanse politici zijn eveneens kind aan huis in Portugal. Portugese schrijvers en historici staan garant voor een nimmer opdrogende stroom aan publicaties over voormalig Portugees Afrika.

De journalist Miguel Sousa Tavares brak afgelopen jaar in Portugal alle records met Ecuador – in het Nederlands verschenen als Evenaar –, een massieve historische roman over een koloniaal drama op het voormalige slaveneiland São Tomé. Afrikaanse schrijvers, zoals Mia Couto uit Mozambique, staan in Portugal eveneens garant voor verkoop successen.

Ook in de populaire cultuur weten Portugal en Afrika elkaar nog steeds te vinden. Op de Portugese televisie ging eind vorig jaar een nieuwe soap van start die geheel in het teken staat van de Portugees-Afrikaanse verhoudingen sinds de Anjerrevolutie van 1974. Afrikaanse musici, zoals de Kaapverdische zangeres Césaria Evora, zijn in Portugal nog geliefder dan in eigen land. En wie door Angola en Mozambique reist, voelt al snel de nog immer oer-Portugese achtergrond van die landen. Als Benfica een wedstrijd wint, gaan de mensen in Maputo en Luanda massaal de straat op. Dit dankzij het feit dat zij via de Portugese satellietzender RTP-Africa de wedstrijd live hebben kunnen volgen.

Deze verwantschap kent ook een geïnstitutionaliseerde dimensie, en wel in de Comuninade dos Países da Lingua Portuguesa (CPLP), zeg maar de Portugeestalige evenknie van het Britse Gemenebest, waarin naast Portugal en de voormalige Afrikaanse koloniën ook Brazilië en Oost-Timor zitting hebben. De huidige voorzitter van de CPLP is de Kaapverdiaanse diplomaat Luis de Fonseca, gewezen ambassadeur van zijn land in Den Haag. Fonseca verbleef van 1969 tot 1973 als politiek gevangene in de strafkolonie te Praia, nadat hij als student was gearresteerd als koerier van de onafhankelijkheidsstrijder Amilcar Cabral, maar hij koestert geen wrok tegen de voormalige kolonisator. «De Portugezen gingen even goed gebukt onder de dictatuur als wij Afrikanen», meent hij.

De CPLP heeft de hoofdzetel in Lissabon maar vergadert ook in de andere aangesloten landen. Doel van de organisatie is het in stand houden van de Portugese taal in de voormalige koloniën, het stimuleren van de parlementaire democratie, samenwerking op het gebied van gezondheidszorg (met name anti-aids-programma’s), armoedebestrijding alsmede de stimulering van goederen- en personenverkeer tussen de aangesloten landen. Nieuw zijn de Lusofone Spelen, die vorig jaar hun wereldpremière beleefden in Angola.

Hoewel de CPLP in het verleden de nodige kritiek te verwerken heeft gekregen, gaat er ontegenzeglijk een positieve kracht vanuit. Dat bleek bijvoorbeeld toen de CPLP met succes ingreep toen Guinee-Bissau in de aanloop naar de verkiezingen van afgelopen jaar in een burger oorlog terecht dreigde te komen.

Binnen de CPLP is de verscheidenheid groot, zowel op economisch als op politiek terrein. De Kaapverdische eilanden zijn voor Afrikaanse begrippen uiterst draagkrachtig en staan dan ook niet voor niets op het punt een status als buitenlid te krijgen van de Europese Unie. Guinee-Bissau daarentegen behoort tot de armste landen van de wereld en kampt de laatste jaren met een enorme leegloop van non-gouvernementele organisaties, die op de vlucht slaan voor de politieke instabiliteit van het land. Het eiland São Tomé is politiek hete grond sinds voor de kust grote olievoorraden zijn gevonden waar zowel de Verenigde Staten als Nigeria graag mee op de loop gaan. Angola is ondanks alle vrome beloftes van president Eduardo dos Santos nauwelijks een democratie te noemen. Beter wat dat betreft gaat het met Mozambique, maar ook dat land slaagt er maar niet in grote vorderingen te maken op het gebied van armoedebestrijding. Oost-Timor is nog maar net af van de Indonesische overheersers en staat op alle gebieden in de kinderschoenen.

Toch zijn al deze landen in staat geweest oude trauma’s af te zweren en binnen de CPLP een nauw samenwerkingsverband op vrijwillige basis aan te gaan. Luis Fonseca: «Waar het om gaat is de gedeelde identiteit die voortkomt uit het koloniale verleden om te buigen naar constructieve samenwerking. Het heeft geen zin te blijven hangen aan de conflicten van het ver leden, eindeloos te debatteren over de vraag of de dekolonisatie wel of niet goed is uitgevoerd. Die dekolonisatie is een feit en van daaruit moeten we verder. De gedeelde geschiedenis moet worden opgepakt ten faveure van alle deelnemende landen binnen de CPLP.»

Dat getuigt van een pragmatische aanpak die in schril contrast staat met de krampachtige verhouding tussen Nederland en de voormalige kolonie Suriname, dat 25 november 2005 eveneens zijn dertigjarige onafhankelijkheid vierde.

Premier Balkenende was laatstelijk ter ere van de onafhankelijkheidsviering twee dagen op bezoek in Paramaribo. Hij was de eerste Nederlandse premier op Surinaamse bodem sinds Joop den Uyl dertig jaar geleden bij de proclamatie van de onafhankelijkheid aan wezig was. Het bezoek werd gekenmerkt door spanningen. Tijdens de speech van Balkenende in het Surinaamse parlement verliet de oppositie onder leiding van Desi Bouterse demonstratief de zaal omdat Balkenende had verklaard dat hij pertinent zou weigeren de voormalige legercommandant de hand te schudden. Er werd ook nog eens een Surinaamse ex-militair gearresteerd die van plan zou zijn geweest een aanslag te plegen op de Nederlandse premier. Het was een stroef bezoek, en in die zin tekenend voor het gebrekkige verkeer tussen Nederland en Suriname.

In Nederland wonen 325.000 mensen van Surinaamse afkomst, terwijl er in Suriname nu 428.000 wonen. Toch is Suriname in Nederland anno 2005 zo goed als non-existent. Goed, er is een NPS-talkshow van Surinaamse origine op de tv – Jörgen Raymann – maar daarmee heb je het wel zo’n beetje gehad. Culturele interactie tussen Nederland en Suriname is er nauwelijks. Heldhaftige pogingen van Surinaamse schrijvers, zoals wijlen Edgar Cairo, om het Sranan en de daarbij behorende gevoelswereld in Nederland te introduceren, liepen stuk op een muur van desinteresse bij de «bakra». Met uitzondering van het succes van het slavernijdrama Hoe duur was de suiker? van Cynthia McLeod en Clark Accords De koningin van Paramaribo, over het leven van de Surinaamse hoerenmadam Maxi Linder, is de Surinaamse stem nauwelijks hoorbaar in de Nederlandse letteren. De belangstelling voor het Hollandse verleden in Suriname is eveneens zo goed als non-existent.

Er is dertig jaar na dato iets aan de hand wat het best als culturele apartheid kan worden bestempeld. Nederland wil het liefst zo min mogelijk te maken hebben met Suriname. Het koloniale verleden is in de grote vergeet machine beland.

Vergeten is iets anders dan verwerken. Dat is de afgelopen twee jaar gebleken tijdens de herdenkingen bij het monument ter herinnering aan de afschaffing van de slavernij in het Amsterdamse Oosterpark, waar Surinaamse emoties zo hoog opliepen dat Nederlandse politici – in casu Rita Verdonk – haastig een veilig heenkomen moesten zoeken.

Het wil maar niet boteren tussen Suriname en Nederland. Dit alles kan niet alleen worden verklaard aan de hand van de nasleep van het drama van de Decembermoorden, in het teken waarvan het min of meer mislukte bezoek van Balkenende aan Suriname ook stond. Natuurlijk, die moordpartij was een schande, maar de jarenlange slachtingen die plaatsvonden in het woeste dekolonisatieproces in Angola en Mozambique waren dat ook. Die vonden zelfs op aanzienlijk massalere schaal plaats. Toch schudden Portugese en Afrikaanse politici – gewezen erfvijanden – elkaar voortdurend de hand, ook als er bloed aan die handen kleeft. De gezamenlijk opgebouwde identiteit wordt erkend.

Nederland op zijn beurt wil juist zo weinig mogelijk van Suriname weten. De laatste film over Suriname die enige belangstelling trok in Nederland was Wan pipel van Pim de la Parra, en die dateert inmiddels ook al weer van dertig jaar terug. Nooit heeft een Nederlandse regisseur zich gezet aan een verfilming van Anton de Koms epos Wij slaven van Suriname, dat toch een pracht van een film zou kunnen opleveren. Of een soap desnoods.

Het resultaat is dat Suriname dertig jaar na de onafhankelijkheid zo min mogelijk van Nederland wil weten (afgezien van de voedselpakketten die de familie in Nederland naar huis stuurt) en in Nederland bijna niemand meer weet waar Suriname precies ligt. Aan beide zijden is er sprake van postkoloniale verkramping. En dat nu al dertig jaar lang.

Met als resultaat dat Suriname anno 2005 op het punt staat opgeslokt te worden door de machtige buurman Brazilië, niet alleen via de houtkap en het goud delven van Braziliaanse bedrijven in de Amazone, maar ook door de snel groeiende Braziliaanse gemeenschap in het land. Eén willekeurige favela in Rio de Janeiro of São Paulo telt evenveel bewoners als heel Suriname. Veel moeite zou het Brazilië dus niet kosten om Suriname in een mum van tijd langs demografische weg in te lijven.

Om het Nederlands – en alles wat met de taal samenhangt – in stand te houden in Suriname is er dan ook acuut een politiek- cultureel deltaplan nodig. Daarbij kan de lusofone politiek van de CPLP-landen tot voorbeeld strekken. Gebeurt dat niet, dan spreekt men ook in Suriname nog in de loop van deze eeuw exclusief Portugees en kan ook dit land toetreden tot de CPLP.

Dat kan nooit de bedoeling zijn geweest van Joop den Uyl en ook de Surinaamse leiders zullen niet staan te springen bij dit vooruitzicht.

Dit artikel kwam tot stand met steun van het Humanistisch Instituut voor Ontwikkelings samenwerking (Hivos)