‘suriname is geen one-night stand’ henry menckeberg

Een gesprek met Henry Menckeberg, schrijver van De vrolijke dood van David Caprino. Uitgeverij Meulenhoff, 320 blz., f39,95
AAN DE VOORAVOND van de Boekenweek verscheen De vrolijke dood van David Caprino, het romandebuut van de Surinaamse schrijver Henry Menckeberg. Menckeberg werd in 1950 geboren in Nieuw Nickerie. Hij studeerde psychologie en elektrotechniek in Nederland, keerde in 1980 terug naar Suriname en verhuisde in 1987 naar de Antillen. Hoewel Henry Menckeberg in zijn debuut een aantal persoonlijke ervaringen verwerkte, is De vrolijke dood van David Caprino geen autobiografische roman. Zijn verteller is David Caprino, een Surinaamse ingenieur die in Nederland heeft gestudeerd en met zijn vrouw Ellen op Curacao woont. Caprino leidt de Antilliaanse vestiging van een Nederlands automatiseringsbedrijf. Na een reorganisatie wordt hij ontslagen en neemt een manager ‘uit het Moederland’ zijn baan over. David en Ellen Caprino keren terug naar Nederland, waar David ten onder gaat aan het alomtegenwoordige racisme.

MENCKEBERG: ‘We hebben tot 1987 in Suriname gewoond. Ik geloofde niet langer dat de mensen in Suriname de wil hadden iets op te bouwen. Wanneer ik om mij heen keek, zag ik dat te weinig mensen het hoofd boven water konden houden. Daarom zijn mijn vrouw en ik naar Curacao vertrokken. Wij zijn op de Antillen gebleven, omdat ik vind dat wanneer je ergens heen gaat, je ook een bijdrage moet leveren. Ik wil mijn bijdrage leveren, via de literatuur of op welke andere wijze ook.
We zijn in 1980 uit Nederland vertrokken en in 1987 uit Suriname weggegaan. Van 1987 tot 1991 woonden wij op Curacao, van 1991 tot 1995 op Bonaire, en nu wonen we weer op Curacao. Ik was niet gelukkig met het feit dat ik mijn baan kwijtraakte. Er zijn namelijk geen redenen gegeven. Ik had een contract en dat was afgelopen. De ontslagscene in het boek is een compositie van wat mij is overkomen en wat ik om mij heen heb opgevangen. Aan de motivatie om het boek te schrijven hebben de gebeurtenissen met mijn vorige werkgever zeker bijgedragen.
Het boek werd getriggerd door iets anders. In 1993 liep ik in Hilversum over straat toen mij een kleurling voorbijholde, terwijl er op hetzelfde moment een alarm afging. Ik dacht: “Stel je voor dat men mij aanziet voor die kleurling?” Toen heb ik een persoon gefantaseerd die in Holland een goede job heeft en in deze situatie terechtkomt. Door de omstandigheid dat hij erg lijkt op de dief die wegrende, wordt hij gearresteerd, komt hij in de proble men en raakt hij zijn baan kwijt. Hij ontdekt dat de persoon die de diefstal pleegde, een broer van hem is die hij niet kent. Toen ik begon te begrijpen wat er op mijn werk met mij zou gaan gebeuren, heb ik de plot veranderd.
Ik ben, toen ik hier nog studeerde, eens op straat uitgescholden. Een meneer riep tegen me “Ga toch terug naar Rodekool!” of zoiets. Ik zei: “Sorry sir, zodra ik afgestudeerd ben gaat deze jongen terug!” Ik ben weggegaan, heb een baan en doe het goed. Maar mijn werkgever vervangt mij door een witte jongen uit een land waar men tegen mij heeft geroepen dat ik er niet mag zijn. Tegelijkertijd werpt Nederland barrieres op tegen de zwarte horden die hier het blanke bastion bestormen. Waar moet ik dan naartoe?’
'HET ONTSLAG van David zegt iets over de relatie tussen Nederland en de Nederlandse Antillen en over de relatie tussen het Westen en het niet-Westen. Nederlandse bedrijven halen hun goedkope arbeidskrachten uit Nederland in plaats van Antillianen in dienst te nemen. Ook de technici en de onderwijzers komen uit Nederland.
Ik beweer niet dat de Antillen nog hogere barrieres moeten opwerpen tegen de komst van blanken uit Nederland. Wat ik wel zou willen, is dat als iemand besluit naar de Antillen te gaan, hij dat niet alleen voor het avontuur doet. Het heeft me als kind in Suriname al verwonderd: waar zijn al onze gouverneurs gebleven? Zij bleven na hun ambtstermijn niet in Suriname. En de leraren van de middelbare school? De enigen die bleven, waren de fraters en de paters. Die kwamen om hun leven te geven, om het dramatisch te zeggen. Terwijl de anderen het land als een one-night stand zagen. Dat is waar ik tegen ageer.
Je gaat geen wortel schieten als je van tevoren al weet dat je over drie jaar toch weer teruggaat. Dat is funest voor onze gemeenschap, omdat die gemeenschap te klein is om dergelijke ontwortelingen te ondergaan. Wij gaan zelf geloven dat wat wij hebben niet deugt. Wij krijgen voldoende steun, voldoende geld. Maar de wil en overtuiging om er echt wat van te maken ontbreekt. Het is altijd korte-termijnwerk. De Bank van de Antillen schrijft een obligatielening uit tegen acht en een kwart, acht en drie kwart procent rente. Als de Nederlandsche Bank een obligatielening uitschrijft, is de rente vier en een kwart procent. Dat zegt iets over de bereidheid om te investeren.
De neiging om weg te trekken is een Caribisch verschijnsel. David Caprino’s ouders sjouwen op en neer van Suriname naar Nederland en terug. Vrij veel Surinamers zijn de laatste jaren naar de Antillen gegaan. Er is werk. Een dag werken op de Antillen betekent een maand leven in Suriname. En de Antillen zijn niet echt vervelend. Er zijn geen asielzoekerscentra. De trek is ook niet overweldigend. Het verstikt de samenleving niet.
Hier krijg ik het gevoel dat men vindt dat de asielzoekers de samenleving verstikken. Vijftigduizend asielzoekers per jaar, op een bevolking van vijftien miljoen. Het is zuiver een kleurkwestie. Tweeduizend Ghanezen vind men wel genoeg, maar tienduizend Zweden die men ook niet kan verstaan zijn geen probleem. Hoe zit het met je mondiale verantwoordelijkheden als rijk volk, denk ik dan? Ik wil dat de lezer stilstaat bij de problemen die ik heb beschreven en misschien in mijn woorden een aanknopingspunt vindt voor een oplossing. Ik heb het niet over geld. Geld voedt de aasgieren.’
'OP DE ACHTERFLAP staat dat mijn boek een navrant licht werpt op de werkelijkheid van de groep Surinamers die zich sinds de jaren tachtig op de Antillen vestigde. Dat klopt niet helemaal. De situatie in Nederland is navrant. Dat is waarneembaar. Janmaat zit in de Tweede Kamer. Dat een burgemeester moeite zou hebben met het verbieden van een extreem-rechtse demonstratie, was niet voorspelbaar. Of het ook in het dagelijks leven veranderd is, kan ik zelf moeilijk zeggen omdat ik hier niet woon. Een van de anekdoten in het boek, wanneer de verkoper in een platenzaak David en Ellen niet wil helpen, is wel autobiografisch.
David heeft twee keer in Nederland gewoond. De scenes uit het boek over die eerste periode gaan over zijn verhouding met Ellen. Ik beschrijf wat David en Ellen met de Nederlanders meemaken als zij terugkomen. Daaruit mag je niet de conclusie trekken dat de relatie tussen de Surinamers en de Nederlanders verslechterd is. Het is wel zo dat David in zijn tweede periode in Nederland het racisme eerder opmerkt. Dat heb ik in het boek willen leggen, want dat is ook mijn prive-ervaring. Ik ben er nu gevoeliger voor. Vroeger provoceerde ik liever; ik had een afrokapsel en ik keek nors. Dat is nu veranderd, maar niet uit een vergrote drang om me aan te passen. Ik hoef dat niet, ik woon niet hier. Davids gevoeligheid komt voort uit het niet kunnen omgaan met zijn ontslag. De gevoeligheid bij mijzelf kan ik niet verklaren. Misschien komt het doordat ik ouder ben of minder geduld heb gekregen met allerlei uitingen. Als ik hetzelfde blijf horen, denk ik: “Zijn dat nu mijn leeftijdsgenoten? Wat is er bij ze fout gegaan? Waar stellen zij zich voor open?”
Ik begrijp dat ik een vrij beperkt publiek bereik. Mensen pakken toch het liefst een boek dat aansluit op hun belevingswereld. Ik heb geprobeerd mijn boek zo toegankelijk mogelijk te maken voor mensen die onbekend zijn met de Cariben, door zoveel mogelijk in gangbaar Nederlands te schrijven. De thematiek op zich is al lastig genoeg, ik vond het niet efficient om dan het medium ook nog moeilijk te maken.
Het Surinaams Nederlands is mijn eerste taal. Mijn vader was radiotelegrafist bij de Surinaamse Telegraaf en Telefoondienst. De verschillende verbindingen tussen de regio’s en de dorpen werden toen nog onderhouden over de korte golf en hij bediende de seinsleutel. Ik heb op school net niet meer geleerd dat de Rijn bij Lobith ons land binnenkomt. Mijn zus heeft nog Soemba- Soembawa-Floris-Timor geleerd, dat komt in het boek voor. Surinaams leerde ik pas toen ik alleen het erf af mocht, toen ik op straat ging spelen met vriendjes.’
'ER ZIJN NOG geen reacties gekomen uit Suriname of de Antillen. Ik hoop dat de Antilliaanse en Surinaamse lezers zich er niet te veel aan storen dat de Surinaamse figuren in het boek Algemeen Beschaafd Nederlands spreken. Er is een platte reden voor: begrijpelijkheid voor de Nederlandse lezers. Ik weet dat Albert Helman deze kritiek heeft gekregen. Ik houd zelf ook niet van schrijvers die elk woordje verklaren. Als je alles uitlegt, heb je je boek kennelijk niet voor mij geschreven, denk ik dan.’