Suriname op afstand

Astrid H. Roemer, Lijken op liefde. Uitg. De Arbeiderspers, 256 blz., 329,90
Astrid Roemer heeft zich in haar talrijke publikaties, gedichten, toneelstukken en romans steeds een strijdster tegen racisme en een voorvechtster van vrouwenemancipatie getoond. Die houding bepaalt ook de kleur van haar nieuwste roman, deel twee uit een trilogie die begon met Gewaagd leven in 1996. Daarin zijn opnieuw alle ingrediënten voor een geëngageerde roman in veelvoud aanwezig, te beginnen bij de titel Lijken op liefde. In zijn opzichtige dubbelzinnigheid refereert die niet alleen aan het lot van de hoofdpersoon, maar ook aan dat van Roemers land van herkomst.

Wie een boek in Suriname situeert, nog wel aan de vooravond van het jaar 2000, en daarbij in Paramaribo een lang verwacht tribunaal laat opvoeren dat voor eens en altijd het land van zijn schande moet verlossen, roept uiteraard welbewust de slachtoffers van destijds in herinnering.
Het moet gezegd, Astrid Roemer houdt met deze nieuwe roman hun geest levend. Ze plaatst hun dood in een kader van eigenliefde, cynisme en macht, en laat de verwoestende werking zien van dit wurgende netwerk op zaken als vriendschap, onderlinge afhankelijkheid en trouw. Dat ze desondanks blijft geloven in de uiteindelijk overwinning van de liefde, zal tegen beter weten in zijn. Of moet ik de mededeling aan het eind dat het tribunaal ten slotte doodbloedt, dan toch lezen als een uiting van scepsis?
Om iets bloot te leggen van de complexe verhoudingen die een land kunnen teisteren dat tijdenlang in de greep is geweest van kolonisatie en onderlinge strijd, stuurt Roemer een vrouw op pad ‘die in ongeveer zeven huizen had gediend’. Uiteraard een vrouw, en nog wel een die in de omgeving van machtigen heeft verkeerd, maar als sloof. In Gewaagd leven maakte Astrid Roemer ons al duidelijk dat vooral de stadscreoolse mannen schuldig zijn aan de politieke verloedering van dit prachtige land. Daarbij werden ze tevens terechtgesteld als de verwoesters van het gezinsleven. In Lijken op liefde heet het dat 'vrouwen er zijn om de aarde te behoeden, maar mannen zijn gebouwd op het beheersen van de wereld’.
Alleen vrouwen bezitten in de ogen van Roemer nog een zuiverende kracht, zij het dat die in deze roman niet wordt aangewend om er de tragedie van de decembermoorden mee te analyseren. Een van de gevolgen daarvan, het overal aanwezige maatschappelijk geweld, speelt slechts vaag mee op de achtergrond. Het boek is vooral een familierelaas dat bol staat van een te zwaar aangezette geboorte- en doodssymboliek, waarin verwijzingen naar heden en verleden van de Surinaamse samenleving schuilgaan. De koppeling tussen macro- en microniveau, familie en land, overtuigt mij in elk geval niet.
Hoofdpersoon in Lijken op liefde is de 65-jarige Cora Sewa, geboren Dumfries, dochter uit een gemengd creools-hindoestaans huwelijk. Zij is een eenvoudige ziel. Haar grote en enige liefde is Herman Sewa, een natuurgenezer met een creools-joodse achtergrond, met wie ze inmiddels zo'n vijftig jaar getrouwd is en die er een uitgebreide abortuspraktijk op na houdt om vrouwen uit de nood te helpen. Vrouwen die bang waren dat hun man van het ene op het andere moment 'van een geliefde in een ellendeling kon veranderen’, zoals eens de militaire putchisten. Hun huwelijk bleef op zijn uitdrukkelijk verzoek kinderloos, volgens het adagium: wie geen kinderen heeft kan ook geen schuld doorgeven.
Niet alleen trouw, maar ook een onwankelbaar geloof in de goedheid van de mens houdt haar blijmoedig op de been. En dat terwijl haar leven toch een afgrijselijk moment heeft gekend. Ooit is ze tegen haar wil betrokken geraakt bij de afwikkeling van de moord op An Andijk, buitenvrouw van de prominente diplomaat Cor Crommeling en de grote liefde van Onno Sewa, een onwettig kind dat doorgaat voor de broer van haar Herman. Voor het afleggen van Ans opengescheurde lijk heeft ze een stevige duit zwijggeld ontvangen. Zo kleeft er ook bloed aan haar handen - een zoektocht naar de waarheid over de toedracht ervan kan zuiverend werken. Nu, in dit late levensuur, besluit ze alsnog tot haar eigen tribunaal. Cora verlaat man en geboortegrond en zwerft met het geld dat ze ontving om 'doof, blind en stom’ te zijn, de laatste drie weken van december 1999 over de wereld om de getuigen aan het praten te krijgen en de ogen te doen openen.
Paramaribo, Amsterdam, Rotterdam, Andijk, Antwerpen, Londen, Miami, Curaçao en terug naar Paramaribo. Stukje bij beetje komt er tekening in de legpuzzel. Alle betrokkenen zoekt ze op, één voor één dwingt ze hen tot zelfonderzoek, tergend langzaam brengt ze de onderlinge verhoudingen, intriges, familierelaties, wraakgevoelens, incestueuze handelingen, heimelijke liefdes en machinaties via geschiedenissen, associaties en herinneringen aan het licht. In deze opbouw van de vertelling openbaart zich een ander bezwaar tegen de roman, dat van gebrek aan samenhang. Al deze verhalen blijven nogal op zichzelf staan, bij elke hernieuwde confrontatie krijg je als lezer het gevoel dat het boek opnieuw moet beginnen. Dat gebeurt dan met vragen als: 'Heeft meneer Crommeling dan echt van An Andijk gehouden? Is dat de enige reden waarom hij haar heeft gevraagd, en tot haar groeiende schaamte, heeft betaald om het verminkte lichaam te “bergen”. Wist hij dan van wie het kind was dat Andijk droeg? Was het zijn kind? Het kind van Onno Sewa? Het kind van ene Bob Cedar in San José?’ Voortdurend raakt het verhaal zijn vaart kwijt, elk ritme ontbreekt.
De ernst waarmee Astrid Roemer haar onderwerp benadert, doet sympathiek aan, evenals de liefdevolle manier waarop ze haar personages in beeld brengt. Daardoor krijgen ze nuance en ontsnappen ze aan de karikatuur, iets wat lang niet altijd gezegd kan worden over haar denken en taalgebruik. Haar zinnen staan stijf van de uitroeptekens die emoties moeten suggeren, ze verraden een dwangmatige drang naar realisme, onder meer vanwege de eindeloos vaak herhaalde Surinaamse stoplap noh. Waar ze sensitief wil zijn, vervalt ze regelmatig in pathetiek, beschrijvingen ontaarden in antropologische uitleg, haar beelden zijn vaak ondoorgrondelijk. Wat te denken van: 'Een gemeenschap die zo voorspelbaar was als een baarmoeder en zo gesloten als zaadballen’? Wanneer Roemer zich taalkundige frivoliteiten toestaat, worden haar varianten koddig: 'Het bericht van zijn dood had als een bom het dorp geruïneerd’, en waar ze vasthoudt aan haar emancipatie-ideologie zijn steeds weer terugkerende constructies als: 'Dora Crommeling, geboren Van Aalst’ vooral irritant. Dat alles blijkt Suriname op een grotere afstand te zetten dan haar lief zal zijn.