Suriname na de verkiezingen. De hamvraag: wordt het rijke land nu eindelijk rijk?

Surinames nieuwe kolonisten

In Suriname wordt druk onderhandeld over een nieuwe regering. Na de verkiezingen van 25 mei valt te bezien of de nieuwe regering de hamvraag kan beantwoorden: waarom is het rijke land nog steeds zo arm?

PARAMARIBO – Groepjes mensen staan geduldig te wachten aan de achterkant van het Centrale Bureau voor Burgerzaken, even buiten het centrum. Het is kwart voor zes in de namiddag van 25 mei 2005, de dag dat Suriname in het teken staat van de parlementsverkiezingen. Tegen een paal onder het golfplaten afdakje naast de achteringang staat Sunil Girdhari. Hij komt een nieuwe identiteitskaart halen, zodat hij op de valreep nog kan stemmen. «Ik ben gisteravond in mijn huis overvallen door drie gewapende mannen, ze namen ook mijn ID mee. Daarom kom ik nu een andere halen», zegt de 29-jarige hindoestaan.

Sunil is niet de enige. De stevige creoolse dame achter het loket helpt vandaag achthonderd mensen aan een nieuw, voor de gang naar het stemhokje vereist identiteitsbewijs. «Waarom komt u nu pas? Wij zijn al maandenlang iedere dag extra uren open, speciaal voor de verkiezingen», zegt ze vermoeid als een man in een paars T-shirt zich om vijf voor zes meldt. «Maar ik heb mijn ID vanochtend pas verloren!» antwoordt hij verongelijkt.

Sunil kijkt hoofdschuddend toe: «Surinamers zijn gewoon zo, ze wachten tot het laatste moment. Dat is de mentaliteit. Kijk maar naar die troep hier.» Hij knikt naar de lege plastic zakjes en flesjes Busta Kola onder de houten bankjes waarop mensen op hun beurt wachten. «Die zouden er in Nederland niet liggen. Maar ja, de regering is hier ook niet streng. Het is zoals in een huis met ouders en kinderen. Als de ouders streng zijn, nemen de kinderen dat over. Maar hier is het juist omgekeerd.» De dame achter het loket roept zijn naam en Sunil schiet overeind om zijn ID aan te nemen. Het is tien over zes, hij heeft nog vijftig minuten voor de stembussen sluiten. «Ik ga stemmen op de NDP van Bouterse», zegt hij bij het weggaan. «Bouterse is misschien niet smetteloos, maar hij moet een kans krijgen. Want de huidige regering doet helemaal niks.»

Dat meer Surinamers er zo over denken blijkt uit de verkiezingsuitslag. Het Nieuw Front van zittend president Ronald Venetiaan incasseerde een gevoelige nederlaag, waarbij het in zetels terugviel van 33 naar 23. De Nationale Democratische Partij (NDP) van ex-legerleider Desi Bouterse wist haar zetelaantal daarentegen ruim te verdubbelen, van zeven naar vijftien. De combinatie van voormalig president en oud-Bouterse-geaffilieerde Jules Wijdenbosch haalde vijf zetels binnen, terwijl de A-combinatie van oud-junglecommandoleider Ronnie Brunswijk vijf zetels in het parlement, oftewel De Nationale Assemblee, gaat bezetten.

Wie de nieuwe president van Suriname wordt, is voorlopig nog niet duidelijk. Een president moet worden gekozen met tweederde meerderheid in het parlement, wat neerkomt op 34 van de 51 parlementariërs in de Assemblee. Nu geen van de partijen over een dergelijke meerderheid beschikt is samenwerking vereist. Maar dat ligt moeilijk. Venetiaans Nieuw Front – een combinatie van vier partijen: de creoolse NPS, de hindoestaanse VHP, de Javaanse Pert Jajah Luhur en de Surinaamse Partij van de Arbeid (SPA) – weigert samen te werken met Bouterse en ook met Wijdenbosch. Toch klinkt uit de verkiezingsuitslag wel degelijk de wens van de Surinaamse bevolking voor het doorbreken van de ingesleten patronen.

Die patronen hebben een lange traditie. Suriname is een knap staaltje saamhorigheid in verdeeldheid. De Nederlandse koloniale heersers bevolkten het land vanaf de zeventiende eeuw met verschillende etnische groepen. De Afrikaanse slaven groeiden uit tot een creoolse bevolkingsgroep die, grotendeels gecentreerd in en om Paramaribo, een stevige poot kreeg in de ambtenarij. Andere slaven liepen weg van de plantages en vestigden zich in nog altijd bestaande bosnegerdorpen. Na de afschaffing van de slavernij in 1863 kwamen Javaanse en hindoestaanse arbeiders naar Suriname, wier nazaten nu het bedrijfsleven bevolken. Vijf jaar na de vooral door de creoolse politici gewenste onafhankelijkheid van Nederland in 1975 pleegde legerleider Desi Bouterse een militaire staatsgreep. Het dieptepunt van dat bewind kwam op 8 december 1982, toen vijftien critici van het militaire regime werden vermoord in Fort Zeelandia. Desalniettemin is Bouterses NDP, met een multiculturele insteek, nu de grootste politieke partij in Suriname. Alle andere partijen gingen de verkiezingen in als onderdeel van een combinatie, die over het algemeen uit een Javaanse, een hindoestaanse en een creoolse of bosneger partij bestaat. Ze strijden om de heerschappij van een land met 480.000 inwoners dat, hoewel rijk aan grondstoffen en potentieel, nog altijd zeer arm is.

President Venetiaan zorgde de afgelopen jaren voor monetaire stabiliteit, tot grote vreugde van de lokale ondernemers. Toch ligt het inkomen per hoofd van de Surinaamse bevolking nog altijd tien procent lager dan het gemiddelde voor Latijns-Amerika. Het bruto nationaal product (BNP) schommelt al decennia rond de één miljard dollar. Dat betekent niet dat er in het land geen geld omgaat, het bruto binnenlands product (BBP) is 2,7 miljard dollar per jaar. Suriname kent namelijk een bloeiende informele economie waarin het witwassen van drugsgelden en in Europese landen ontdoken belastingen een grote rol speelt. Ook door familieleden in Nederland gestuurde euro’s dragen bij aan de informele economie.

«Als we zouden willen», zegt socioloog John Krishnadat in het congrescentrum waar op de avond van de verkiezingen de uitslagen binnenkwamen, «zijn we in Suriname binnen no time uit alle ellende. Maar we willen niet omdat we elkaar tegenwerken in plaats van samenwerken. Als je wel wilt, word je de grond ingeboord.» Volgens Krishnadat heeft het Nieuw Front, dat de afgelopen decennia drie termijnen aan de macht was, een «verloren generatie» gecreëerd: «Het Front handhaaft mensen van 65 jaar en ouder louter om hun politieke kleur. De generatie daaronder komt niet aan de bak en kan geen bestuurlijke ervaring opdoen. En mensen die niet tot de Front-gelederen behoren komen al helemaal niet aan bod.» De socioloog wijt de monopoliepositie van het Front mede aan de uittocht van hoger opgeleiden naar Nederland. «In de perio de 1975-1980 is er een enorme braindrain geweest. Dat heeft diepe wonden geslagen in onze gemeenschap. Ons hoger kader is weg en het middenkader is hoger kader geworden.» Ondertussen is ruim veertig procent van de Surinaamse beroepsbevolking in overheidsdienst. «In feite kun je zeggen dat Surinamers de uitbuiters van Suriname zijn geworden. Suriname is nu voor Surinamers zelf een wingewest.» Krishnadat hoopt dat de verkiezingsuitslag helpt om de Surinaamse samenleving open te breken.

Vanuit het congrescentrum wordt de verkiezingsavond live uitgezonden door de Surinaamse staatstelevisiezender STVS. Directeur Kenneth Oostburg, die in Nederland vele jaren verbonden was aan het NOS Journaal, is ter plekke aanwezig om de uitzending in goede banen te leiden. Tussen de bedrijven door rookt hij op de stoep voor het congrescentrum een sigaret. «Een medewerker», vertelt Oostburg, «vroeg mij gisteren om stemadvies. ‹Meneer Oostburg, zeg mij op wie ik moet stemmen, zeg mij op wie ik moet stemmen zodat u hier directeur blijft.› Dat is hoe men hier nog steeds tegen de politiek aankijkt.» De anekdote geeft een doorkijkje naar de trieste perceptie die kiezers van politici hebben: dat ze zich meer bezighouden met het vergeven van banen en neerzetten van poppetjes dan met het dienen van het landsbelang.

In de wijk Rainville kwaken kikkers rond het huis van Maureen Silos. «Onze instituties», sprak de sociologe tijdens de Multatuli-lezing van 2002, «zijn hybride instituties, ze hebben de uiterlijke kenmerken van de westerse moderne samenlevingen, maar de innerlijke werking van de koloniale plantage.» Op het terras van haar huis geeft ze haar visie op hoe armoede georganiseerd wordt in Suriname: «Ik kijk naar economie, politiek en cultuur bewustzijn. Wat je ziet in Suriname is een commandodemocratie met de uiterlijke kenmerken van de westerse parlementaire democratieën, met politieke partijen, verkiezingen, een parlement, de scheiding der machten, maar de organisatie van het land gebeurt nog steeds volgens het commandisme en de autoritaire mentaliteit van de koloniale plantage.»

Volgens Silos, directeur van The Caribbean Institute, een organisatie die zich inzet voor duurzame ontwikkeling in het Caribisch gebied, geldt dat ook voor de economie: «Uiterlijk hebben we een vrijemarkteconomie, maar de overheid heeft disproportioneel veel te zeggen over de economie en frustreert systematisch pogingen van burgers om hun zelfstandigheid en economische onafhankelijkheid te organiseren.» Zolang de politiek niet uitstijgt boven het niveau van de koloniale heersers blijft Suriname een zwart gat waarin ontwikkelingsgeld gebruikt wordt om armoede te institutionaliseren, waarschuwt ze: «Ik ben opgeleid om te kijken naar de externe factoren, zoals het kolonialisme en het Amerikaanse imperialisme, die ons land er onder houden. Maar waar we het nooit over hebben is onze eigen rol hierin; we kampen met een enorm gebrek aan zelfreflectie en dus ook zelfcorrectie.»

Dat gegeven ziet Silos terug in het verloop van de parlementsverkiezingen: «Ik ben heel be nieuwd wat het Front nu gaat zeggen over het verlies van die tien zetels. Ze zullen niet de hand in eigen boezem steken, dat kunnen ze niet. Dus gaan ze weer naar anderen wijzen.» Volgens de sociologe is de oude garde niet meer «in touch» met de huidige Surinaamse samenleving. «En een Bouterse springt op een briljante manier in dat vacuüm. De NDP spreekt de taal van verschillende segmenten van de bevolking, terwijl uit de campagne van het Front alleen maar minachting voor het volk blijkt.»

Een onderwerp dat in Suriname nooit ter sprake komt, zegt Silos, is de manier waarop het kolonialisme de bevolking collectief heeft beschadigd: «En zo wordt er ook niet gesproken over de positie van Bouterse. De oude garde heeft geen ruimte gecreëerd om het volk te laten helen, want dan moeten ze ook binnen in zichzelf durven kijken. De vraag is natuurlijk hoe de staatsgreep hier heeft kunnen plaatsvinden, daar zijn we op een bepaalde manier toch allemaal mede schuldig aan?»

Als de oude garde geen medeverantwoording aflegt voor de coup hebben ze ook geen moreel recht om Bouterse te veroordelen, meent Silos: «Als de nabestaanden van de decembermoorden die zaak tegen Bouterse niet hadden aangespannen, was het gewoon verjaard, was er niets gebeurd! Dat betekent dat de bevolking niet op morele gronden kan stemmen, ze kiezen dus op andere gronden en zo komt de partij met de beste communicatiestrategie als grootste uit de bus.»

Aan de andere kant van Paramaribo staat het Centrum voor Economisch & Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek (CESWO). Binnen houdt socioloog Derryck Ferrier kantoor. «Suriname», zegt hij terwijl hij een slok koffie neemt, «is nog altijd een perifere samenleving van het wereldgebeuren, waar uitwassen van het wereldgebeuren tot uitdrukking komen. Zo hebben we de neiging om trivia te verheffen tot nationale problemen en omgekeerd nationale problemen te reduceren tot trivia. En we doen dat om de politiek de gelegenheid te geven haar achterban te kunnen controleren, want we zitten hier nog steeds met een patronagesysteem.»

Dat ziet ook politicoloog Hans Breeveld, docent aan de Universiteit van Suriname. In zijn huis aan de Indira Ghandiweg, een half uur buiten Paramaribo, vertelt hij hoe zijn studenten hun ideologische gedachten overboord zetten op het moment dat ze afstuderen: «Dan moeten ze een baan en worden ze afhankelijk van de politiek. Het probleem is dat wij zaken die we als rechten moeten verwerven, zoals het bouwen van een huis, het asfalteren van een straat, het krijgen van een baan, als gunsten zien.» Volgens Breeveld is de Surinaamse politiek bijzonder dominant binnen de samenleving: «Er zijn vreselijk veel bureaucratische regels, je hebt overal een kruiwagen voor nodig. Dan komt het erop aan dat je een sterke leider hebt, maar onze politici zijn vooral sterk in zelfbedrog.»

Politici moeten de verkiezingsuitslag aangrijpen om de bestaande patronen te doorbreken, daar zijn Surinaamse wetenschappers het over eens. Bij een buurtcentrum in Paramaribo, waar ze op het punt staat met tweehonderd andere vrouwen aan een protestloop tegen seksueel geweld te beginnen, wijst cultureel antropologe Maggie Schmeitz op de verkiezingen van 1996. Toen lag er een vergelijkbare uitslag en ging Jules Wijdenbosch er, na het nodige wheeling and dealing binnen de Assemblee en de daaraan gelieerde 889-koppige Volks vertegenwoordiging, met het presidentschap vandoor.

Wijdenbosch stak het land zwaar in de schulden en liet twee grote bruggen achter, waarvan er één naar hem is vernoemd. Surinamers prijzen hem nog altijd om zijn daadkracht. «Maar de meerderheid van de mensen wil niet kiezen voor economisch wanbeleid», zegt Schmeitz. «Toch is ook iedereen ontevreden over het Front, dat alleen wil vasthouden aan de bestaande verhoudingen. Die zitten muurvast. De overheid, de vakbonden en de ondernemers hebben een afspraak met elkaar; zolang het Front aan de macht is hebben ze een deal. Het lijkt bijna wel een reden om Bouterse vrij te laten rondlopen, want stemmen voor het Front zijn vooral stemmen tegen Bouterse. Er is geen alternatief.»

Schmeitz vergelijkt de Surinaamse politiek met de fabel van de man met drie zonen die ieder een zak goud kregen, met de boodschap het geld op een voor de vader verantwoorde manier te besteden. De eerste zoon kocht een dure auto en smeet het geld over de balk, de tweede begroef de zak met goud. De derde zoon reserveerde een deel voor moeilijke tijden en investeerde de rest. Toen de vader terugkwam hadden de investeringen drie extra zakken goud opgeleverd.

«We zijn in Suriname nog steeds op zoek naar die derde zoon of dochter», zegt Schmeitz. «De eerste zoon is als Wijdenbosch. Het begraven van die zak goud terwijl er niets gebeurt, dat is het verlies van die tien Front-zetels. Er is een blindheid aan de top voor het feit dat de meerderheid van de mensen in dit land nog steeds aan hun schoenveters aan het overleven zijn.»