André Breton: 42 Rue Fontaine

Surrealisme in de uitverkoop

In april wordt de inboedel geveild van het huis waar het surrealisme werd geboren. André Breton woonde er het grootste deel van zijn leven en liet er duizenden voorwerpen achter. Geschatte veilingwaarde: dertig tot veertig miljoen euro. De Franse staat toont geen belangstelling.

Op de eerste dag van het jaar 1922 betrok André Breton in Parijs het appartement 42, Rue Fontaine, dat feitelijk gelegen is aan de drukke Boulevard de Clichy. Het «atelier», zoals de Fransen het nog steeds noemen, bevond zich boven twee cabarets die de naam Le ciel en L’enfer droegen. Het bestond uit twee kamers. Zoals zijn eerste vrouw Simone het beschreef: «Eén kamer licht en lawaaiig, de andere stil en schaduwrijk.» Na de oorlog verhuisde hij naar een verdieping lager, waar een extra kamertje was voor zijn dochter, die toen bij hem kwam wonen.

In de 44 jaar dat Breton in de Rue Fontaine leefde, groeide daar een verzameling die bijna even beroemd is als de verzamelaar en die, net als het adres, synoniem is met het surrealisme. Een verzameling die bestaat uit kunst, boeken en manuscripten, maar ook uit «diversen» als wijwaterbekkens, opgezette dieren, vishaakjes, zijderupscocons, wandelstokken (waarmee hij klappen uitdeelde aan vijanden en afvalligen) en Indiaanse poppetjes.

Het moet voor Elisa Breton, de derde echtgenote die het appartement met hem heeft gedeeld, een zware verantwoordelijkheid zijn geweest om de erfenis van haar man te beheren. Bovendien een dagtaak, omdat in de jaren na Bretons dood, eind september 1966, de persoon en zijn beweging journalisten en onderzoekers onverminderd zijn blijven inspireren. Dat betekende een permanente stroom verzoeken om documentatie en informatie, en de noodzaak tot becommentariëren, corrigeren en goedkeuren van de publicaties die daarop volgden. Na háár dood lag een «Musée AB» niet voor de hand. Kunst ligt immers op straat en Breton was wars van formele instituten. Toch ondernam de erfgename pogingen de collectie onder te brengen in een overheidsinstituut. Zo zou de verzameling tenminste bij elkaar blijven en Frankrijk niet verlaten. Bretons volledige correspondentie was al ondergebracht bij de Bibliothèque Jacques Doucet. En in 2000 was de beroemde muur achter zijn werktafel, compleet met werk van onder anderen Miró, Giacometti, Ernst en Masson bij wijze van successievergoeding cadeau gedaan aan het Centre Pompidou. Maar de Franse staat bleek niet geïnteresseerd in de voorwerpen. De onderhandelingen liepen spaak. Er komt daarom geen centrum waarin de collectie integraal kan blijven geconserveerd, zoals de erven zo vurig wensten. De Parijse specialist in surrealistendocumenten, Claude Oterelo, is een van de experts van de komende veiling. «De staat», vertelt hij, «had gedacht alles gebraden en wel voorgezet te krijgen. Tout rôti. Maar de erven wáren al meer dan vrijgevig geweest.»

Na de dood van Bretons laatste vrouw ging alles naar het enige kind, de inmiddels 67-jarige Aube Elléouët-Breton. Voor haar was Breton «niet zozeer een vader als wel de boeg van een oceaanstomer». Toen zij in 1949 als dertienjarige bij hem en zijn toenmalige vrouw introk, had hij haar kamertje volgehangen met zijn mooiste surrealistische schatten. Intimiderende maskers, schilderijen met nachtmerrievoorstellingen en, als kopstuk boven het hoofdeinde van haar bed, een gekrompen, ingedroogd mensenhoofd. Ze durfde er niets van te zeggen. Uiteindelijk zette ze een voor een, en elke dag een ander, alle angstaanjagende voorwerpen buiten de deur van haar kamer. Uit het feit dat ze daar ’s middags na schooltijd waren weggehaald en dat er met geen woord over werd gesproken, maakte ze op dat ze haar vader diep had gekwetst.

Het hooguit tachtig vierkante meter tellende appartement kijkt uit op de Moulin Rouge. De toenmalige cafés en cabarets dragen nu geen veelbelovende namen meer als Le Cyrano, Le Chat Noir, Le ciel of L’enfer. Het zijn anonieme holen met opschriften die nu alleen sex, domination, poupées gonflées en aphrodisiaques beloven. Maar ook in 1922 was dit al een rosse buurt. Ondanks zijn reputatie van preutsheid voelde de 25-jarige Breton zich er in zijn element.

Even verwonderlijk als zijn pudeur was zijn homofobie. Verbazend, gezien de verliefde teneur van veel van zijn brieven aan vrienden en idolen. Maar ook in zijn houding tegenover vrouwen was hij ambigu. In lovende aanbevelingen bewees hij eer aan kunstenaressen als Toyen en Frida Kahlo en van de onnavolgbare parels die over de lippen rolden van Nadja, die echt heeft bestaan, is er vermoedelijk niet één voor de literatuur verloren gegaan. Maar thuis in de Rue Fontaine golden andere regels. Zo dacht de moeder van Aube eens een positieve bijdrage te leveren aan het surrealisme. Toen ze, in de jaren dertig, op een dag met groen haar thuiskwam van de kapper, was Breton onverbiddelijk. Hij stelde haar voor de keus onmiddellijk haar haar te wassen of het voortaan zonder hem te moeten stellen.

Na Bretons dood bleef Elisa in de Rue Fontaine wonen. Ze heeft niets veranderd in Bretons werkkamer, en toen haar stiefkind Aube twee jaar na Elisa’s dood besloot om de inboedel te veilen, kon ze de taxateurs ontvangen in een volledig authentiek vertrek waar ieder voorwerp nog stond, hing en lag zoals Breton het had achtergelaten. Tachtig jaren stof trotserend, begon Oterelo met de selectie van boeken en manuscripten. Bekend was dat de dichter een grote bewondering koesterde voor Sade, maar de antiquaar vond nergens de kostbare gravures waarvan hij wist dat ze tot de collectie behoorden. Ten slotte trof hij ze aan boven op een boekenkast, net onder het 3,80 meter hoge plafond. «Opdat ik er niet bij zou kunnen», verklaarde de dochter.

De meeste dingen die zich in de Rue Fontaine bevonden, waren ooit geruild, gevonden, op de kop getikt of cadeau gekregen. En allerminst met het oogmerk van waardevermeerdering. Want materie was voor Breton uitsluitend belangrijk als middel, als «venster dat uitziet op iets anders». Alleen wanneer hij in ernstige geldnood verkeerde, en dat was in de loop van zijn leven herhaaldelijk het geval, werd er een kunstwerk verkocht. Ironisch genoeg zal naar verwachting zo’n dertig tot veertig miljoen euro worden opgebracht met de spullen van een man die tegen elke prijs het grote geld uit de weg ging en die het onvergeeflijk vond als iemand «werkte voor geld». «En het zou me niet verbazen als het nog meer wordt», zegt Oterelo. Uit de prijs die het publiek bereid is te betalen voor een bepaald object zal blijken hoe goed het Bretons werk kent. Want wat is bijvoorbeeld de waarde van het mes zonder lemmet waar het heft aan ontbreekt?

Maar het grootste raadsel blijft toch hoe de Franse overheid dit buitengewone erfgoed heeft kunnen laten schieten. Moeilijk te verteren voor de dochter van de dichter, die, zo zegt Oterelo, opnieuw om haar vader rouwt. Misschien dat de woorden die Breton ooit schreef in de catalogus bij de veiling van de bezittingen van een oude vriendin, Lise Deharme, haar troost kunnen bieden: «Maar alles waar ze afstand van doet zal, doordat het ooit van haar was, zo geladen zijn met haar geestkracht, dat niets zijn glans zal verliezen in de gravitatie naar andere bestemmingen.»

De veiling en kijkdagen van André Breton. 42 Rue Fontaine zullen plaatshebben van 1 tot 18 april 2003 in Hôtel Drouot in Parijs. In zes lijvige catalogi en een dvd worden alle 25.000 items gedocumenteerd. Zie calmelscohen.com