Sweet modder

WAAR ZIJN WE gebleven? In het land waar een koning kind is. Hendrik den Vijfden is zojuist samen met zijn vrouw begraven. Zijn zoon Hendrik, Zesden van die Naam, werpt een briefje in hun graf: ‘Liefste mama, liefste papa. Tussen de woordjes van deze brief, zitten kussen warm en lief. Als ik de brief nu opendoe, vliegen al de kusjes naar u toe.’

Hier staat een joch van acht, in korte broek en met bevende stem. Het graf van zijn ouders is een lange tafel aan de rand van het speelvlak. Op en rondom deze tafel zal het overgrote deel van het vierde deel van Ten oorlog zich afspelen. Daarachter liggen nog altijd de drie, op elkaar gestapelde kale podia. We hebben er vijf uur koningsdrama op zitten. De agressieve toon wordt nu somber, donker als het clair obscur van de belichting. Het land waar een kind koning is.
Al spoedig verruilt Hendrik VI zijn korte broek voor een maatkostuum. Hij blijft de klagerige toon houden van een vroeg oud geworden kind dat in de eerste hoofdstukken van de bijbel is blijven steken. In Shakespeares eerste delen van de lange trilogie Hendrik VI komt de piepjonge koning pas op in het derde bedrijf. Hier, in de bewerking van Tom Lanoye en Luc Perceval, is hij er meteen. Omringd door protectors en samenzweerders met grote elisabethaanse kragen. En bijgestaan door de bisschop van Winchester, een frivole witte zwaan met donzige huppeljurk, een prachtige creatie van Jan Decleir. Ze zijn allemaal corrupt, ze stikken in hun kuiperijen, ze schelden elkaar uit voor rotte vis en erger, en Hendrik, Zesden van die naam, hij snapt er niks van. ‘Wanneer/ Men ruzie maakt (…) kan ik geen boeken lezen.’
HENRY VI is een jeugdwerk van William Shakespeare. Het bestaat uit drie stukken, en de eerste twee daarvan vormen een regelrechte dramaturgische catastrofe. De complotten schieten als ongeleide projectielen langs en door elkaar. Tot overmaat van ramp wordt er ook nog regelmatig overgeschakeld naar Frankrijk, waar het herdersmeisje Jeanne d'Arc, hier genaamd Pucelle, voor volstrekt overbodige verwarring zorgt. Shakespeares ambitie om de wortels van de Rozenoorlogen op volledige bandbreedte te schetsen leidt tot een theatrale schipbreuk van ongekende omvang.
Luc Perceval kiest hier voor een denkbare oplossing: schaamteloze operette, compleet met een cello spelende engel die het geheel aan elkaar fiedelt. De samenhang begint een beetje tot stand te komen als het werkelijk centrale personage van Henry VI verschijnt, de aan de koning uitgehuwelijkte Italiaanse feeks Margaretha di Napoli, naar wie dit deel ook is vernoemd. Zij vindt haar jonge, huilebalkende echtgenoot een regelrechte lamlul en laat zich dan ook al spoedig door het betere deel van de Britse landadel bepotelen, bespringen en dekken. Terwijl de koning ronddwaalt als een dominee met een vroege vorm van Alzheimer, ontrolt zich voor zijn en ieders ogen een bloedbad van ongekende omvang: de tafel vooraan op het speelvlak wordt een slagveld, een tableau vivant waar emmers toneelbloed overheen zijn gekieperd.
De epiloog voor dit tussenspel is voor Margaretha (een fantastische creatie van actrice Ariane van Vliet): 'Het leven speelt zich in de modder af/ Niet in jouw kop. Jij liet mij in de steek./ Ik was een speelbal van de honden die/ Jij duldde aan jouw hof, die mij bedreigden/ En al wat ik van jou aan steun kreeg was/ Gewauwel en mystiek zelfmedelijden./ Geen ogenblik heb jij naast mij gestaan./ En dat jij dat niet ziet, is des te zieliger. Nu is het te laat. Ik heb een zoon./ Jou, Koning Hendrik, heb ik niet meer nodig.’
NA DE LANGE eetpauze verandert het klimaat in Ten oorlog volledig. Het middelste plateau van de drie gestapelde speelvlakken is brutaal naar achteren geschoven. In het midden ligt nu een bassin met water. Om me heen werd druk gespeculeerd wat dit bassin met water nu wel te betekenen had: de zee tussen Engeland en Frankrijk? Of het water tussen Engeland en Ierland, waar de bevolking in de ningsdrama’s, steeds als het in het 'perfide Albion’ een beetje rustig begint te worden, prompt in opstand komt?
Ik denk dat dit duistere water niks meer of minder voorstelt dan… water. Een ondiepe poel waarin mensen kunnen worden afgeknald of verzopen. Waar hitsige, machtbeluste types doorheen banjeren. De Styx, de rivier des doods. Een freudiaans droomsymbool voor de seksualiteit. En een prachtig element in de vormgeving van Ten oorlog, waar af en toe het toneellicht zodanig op wordt geplaatst dat het kabbelende water weerkaatst tegen de kale achterwand van het speelvlak.
In het water drijven twee helbelichte schedels, een met een papieren hoedje erop. Het zijn de overblijfselen van de vader en een van de zonen uit het huis van York. De drie levend overgebleven nazaten uit dit huis, hier Sjors, Edwaar en Risjaar geheten (aanstekelijk gespeeld door Koen van Kaam, Lucas Van den Eynde en Jan Decleir) doen hun vileine openingsnummer als een rap-revue. Lanoye maakt hier iets wat aanvankelijk aanstekelijk werkt: hij schrijft tekstmuziek, deels in het Engels. Edwaar: 'We are the children of Big Daddy York/ We’re not the same and yet: we are but one./ We are the house of the three rising suns.’ Risjaar: 'Eén licht, één lamp.’ Sjors: 'Eén vuur, één vlam.’ Edwaar: 'Eén straal, één stroom.’ Risjaar: 'Eén muil, één muis.’ Sjors: 'Eén kut, één kont.’ Edwaar: 'Eén kroon, één kruis./ Imagine (grijnst) we could put our blood together?/ De gloed daarvan stak heel de boel in brand./ This land would light up like a kiekenschuur/ That shivers in het vuur van onz’ colère.’ Sjors: 'Oh, praise the Lord!’ Risjaar: 'Let’s go to work, my bruurs.’
DIT NUMMER ging er bij het Antwerpse publiek in als Gods woord in een ouderling. Maar de gulle lach bleef als een graat overdwars in de keel steken. Luc Percevals enscenering van Ten oorlog wordt hier echt gevaarlijk. Vanaf dit deel (dat over Edwaar the King handelt) gaat de apotheose van deze Shakespeare-marathon dan ook En verlos ons van het kwade heten. De Engelse bard als Francis Ford Coppola, de koningsdrama’s als een verre voorloper van de Godfather-cyclus.
King Edwaar kroont zichzelf terwijl de werkelijke koning Hendrik VI nog rondloopt. De ijzeren kroon, het estafette-embleem van deze toneelmarathon, heeft nu opeens een zendmicrofoon - we kunnen de regerend monarch ook verstaan als hij op fluistertoon zijn nieuwe liefde Elisabeth (Els Ingeborg Smits) verleidt.
Voor de duidelijkheid: we zijn nu beland in het derde deel van Henry VI, het deel van de trilogie waar Shakespeare als toneelschrijver duidelijk op toeren begint te raken, waar we de voorgalmen horen van de teksten die Richard III (dat hij kort daarop zou schrijven) tot zo'n meesterwerk maken. Luc Perceval en zijn ensemble leveren in dit deel ook meesterproeven van bloedstollend toneel.
In het bijnaslot van dit voorlaatste deel doodt Risjaar van Gloster de dolende koning Hendrik VI. Aan de rand van het duistere bassin knielt de toekomstige usurpator achter de reeds onttroonde monarch. De bewegingen van Risjaar (Jan Decleir) houden hier het midden tussen strelingen en wurging. Terwijl hij Hendrik langzaam keelt, spreekt Risjaar zijn zelfportret: 'And this was also written in my stars:/ That I was born, mijn horrelpoot vooruit./ De vroedvrouw kokhalsde, the nuns were crying:/ “Protect us Lord, een boreling met tanden!”/ And boy, did I have teeth! And hair! And nails!/ Een everzwijn to be, een weerwolfjong,/ Dat grommen moet, dat grauwen moet en bijten./ If heaven wants to fok my body op,/ Laat dan de hel mijn hersens ook misvormen:/ I have no bruurs! I am not like a bruur!/ Let love - godin voor ouwe, weke knarren -/ In mannen wonen die op mannen lijken/ But not in me! Ik ben mijzelf genoeg.’
Met deze woorden streelt en wurgt Risjaar (die straks Modderfokker den Derde gaat heten) Koning Hendrik, Zesden van die Naam, naar de dood.
AAN HET BEGIN van het laatste deel van Ten oorlog is het stil, doodstil. Risjaar (Jan Decleir) wandelt voorbij in een verre toneelopening. Daarna komt hij naar voren. Er staat een microfoon, maar daar houdt hij zijn hand op. Hij wenst ons met zijn levend stemgeluid deelgenoot te maken van wat er door hem heen schiet. Risjaar: 'Now is the fokking winter van de walg/ Gesmolten tot een hotte zotte zomer./ Dankzij dat zonnekind van bruur Edwaar./ Showers of doom that hung above our heads/ Zijn in de oceaan zijn kut begraven./ In onz’ coiffuur plakt rijstpap met confetti/ En doelloos roest ons harnas aan de muur./ Our speech of war slaat om in zatte praat,/ Our proud parade in wuft gehuppel.’
Kort daarop volgt die keelsnoerende scène waarin Risjaar Anna ontmoet, wier man en schoonvader hij zojuist naar de andere wereld heeft geholpen. Boven het lijk van haar man verleidt Risjaar Anna tot een huwelijk. Het is, zelfs in de aanstekelijke bewerking van Tom Lanoye, een lastige scène: hoe krijgt een moordenaar het voor elkaar de vrouw die dubbel slachtoffer is, in zijn bed te babbelen?
Jan Decleir verklaart de drijfveren van Risjaar in zijn spel. Hij speelt oprechte ontroering. En hij speelt gevaarlijk spel: hij biedt zijn tegenspeelster de gelegenheid hem te vermoorden. Hij legt het pistool voor haar neer. Hij speelt berouw. En als de toeschouwer (hier de arme Anna) oprecht ontroerd is, slaat hij toe. En incasseert ontroering. Als Anna af is, vertrouwt Risjaar het publiek toe: 'Werd ooit een bitch met zoveel fun gemolken?/ I kill her fokking huisband, pa én schoonpa,/ En doe haar binnen! In haar heetste haat!’
Zo is het precies. Risjaar is wat de Duitsers 'ein Spieler’ noemen. Hij gooit een munt op: is het kruis dan blijft het vrede, wordt het munt dan is het oorlog. Hij 'piepelt’ de mensen waar ze bij staan. Hij is het genie van het kwaad.
IN DE LOOP van dit slotdeel van Ten oorlog, getiteld Risjaar Modderfokker den Derde, krijgt Luc Perceval een probleem. Dat probleem heet: het quasi-Engels van de bewerker en vertaler Tom Lanoye. De taal, het maffe mengsel van Engels en Vlaams, gaat hier slepen. Sjors: 'If ever I did wrong, it was for him./ Ik hielp hem worden wat hij worden wou:/ A King!/ So if you love my bruur, haat mij dan niet. I am his bruur and love him more dan you do.’ Risjaar: 'A many splendoured thing, to love one’s bruur./ But it’s a toffer thing to love his money.’
Wat een paar uur eerder nog taalmuziek was, hangt nu als een loden bal aan de acteurs. Het vrolijke spel van de tekstverwerker van Lanoye werkt niet meer, zijn kroon duikelt naar beneden. De regisseur trekt alle middelen uit de kast om een theatrale nachtkaars te voorkomen. En het moet gezegd: dat lúkt hem en zijn acteurs. Jan Decleir en Koen van Kaam maken van de moord die 'bruur’ Risjaar pleegt op 'bruur’ Sjors een bloedstollend waterballet. Perceval en Lanoye doen hier een brutale inbraak in Shakespeares plotlijnen: de auteur laat de cruciale moorden steeds plegen door huurmoordenaars, in deze enscenering is het almaar Risjaar Modderfokker den Derde zelf die het vuile werk opknapt.
Zijn laatste klus is tevens zijn smerigste. Risjaar van Gloster is Koning Richard III geworden. Maar er staan nog twee kleine kereltjes op zijn weg naar de absolute top: de kroonprinsen, de kinderen van zijn voorganger. Hij arrangeert een ontmoeting, hij geeft ze speelgoed (een voetbal en een speelgoedbootje) en laat ze afvoeren naar de nationale gevangenis The Tower, bij Lanoye consequent 'De Toren’ genoemd. Daar moeten ze dood, en Risjaar volvoert die rotklus in deze regie zelf, buiten beeld. Na afloop komt hij uit het akelig belichte keldergewelf, hij banjert door het waterbassin en gooit achteloos de voetbal en het bootje in het water. Aan de rand staan de moeder en de zuster van de kleine kereltjes te huilen. Risjaar Modderfokker den Derde neemt brutaal plaats achter een bijzettafeltje aan de rand van het speelvlak. Hij schenkt zichzelf een glas wijn in en scheurt een gebraden kip in tweëen - door de zendmicrofoon op zijn kroon krijgen we dat geluid op een huiveringwekkende manier mee. Daarna verleidt de vorst nog een kindvrouwtje, de jonge Elisabeth (de cirkel is rond, zo begon de hele cyclus met Risjaar Deuzième: met een monarch en een meisje). En dan is er eigenlijk niks meer. Geen oorlog, geen strijd, geen slachtveld, geen 'A Horse, a horse, my kingdom for a horse’. De arme Risjaar blijft achter zijn bijzettafeltje zitten, hij zuipt zich klem met een foute wijn, hij heeft visioenen over zijn moeder, de nachtmerries die Shakespeare voorschreef blijven achterwege. Ten oorlog eindigt in een delirium tremens. De tegenstander, Richmond, komt nog wel even op, een van de vermoorde prinsjes op zijn nek. Maar zijn tekst klinkt krachteloos. Tot een oorlog komt het niet meer. De usurpator, de dictator, de laatste drager van de holle kroon, hij zakt eenvoudigweg ter aarde. Het licht dooft. Fine!
Het was immers allemaal een dronkemansdroom. Tien uur duurde hij. Ik buig diep voor Lanoye, voor Perceval, voor de acteurs en actrices. Ze schreven met Ten oorlog theatergeschiedenis. De laatste teksten zijn echo’s van een marathon die maar niet op wilde houden. Risjaar: 'O mama mia, fokking klotezeug/ Sweet Modder die mij in de wereld scheet:/ De lafheid van je liefde liet mij leven/ Waar echte liefde me gewurgd zou hebben./ Ik vraag je schoon, verlos mij please,/ Zoals ik jou verlost heb uit jouw lijden.’