Boek van de maand: Luther Blissett

Swing It Out, Luther

De juryleden selecteren uit het boekenaanbod ieder een persoonlijke favoriet. Deze maand koos Pieter van Os voor Giovanni Chiara’s De valstrik, Solange Leibovici voor De menselijke soort van Robert Antelme, Kees ‘t Hart voor Q van Luther Blissett en Sander Pleij voor Gabriëls gave van Hanif Kureishi. Nadat de juryleden elkaars favorieten hadden gelezen, werd Q verkozen tot Boek van de maand.

Luther Blissett heeft er maar eens een onvervalste potboiler tegen aangegooid. Zeven honderdveertien pagina’s Reformatie, spionage, Wederdopers, opkomend kapitalisme, martelingen, edele heldenmoed, pornografie, verraad, de Turken, liefde, Jan Beukelsz, boekdrukkunst, Fugger, pauskeuze. Ik heb het met toenemende verbazing en bewondering zitten lezen, dit uit de hand gelopen historische jongensboek voor wie eens ongenuanceerd wil huiveren over de slechteriken van deze aarde, die het gelukkig, na al dat postmodernistische relativisme, lekker ingepeperd krijgen. Wat zijn ze toch slecht, die katholieken! Hier is iemand aan het woord die de geschiedschrijving niet alleen serieus neemt, maar ook dunnetjes over doet. Swing it out, Luther!

Een ikfiguur die zich onder vele namen voordoet, Gert uit de Put, Gustav Metzger, Gerrit Boekbinder, Lucas Niemanson, Hans Grüeb, Ludwig Schaliedecker, om maar een paar te noemen, sluit zich aan bij de boeren opstanden in Duitsland tijdens de opkomst van Luther, belandt na de bloedige onderdrukking daarvan in kringen van de Wederdopers en maakt het uitroepen van de Godstaat en de ondergang daarvan in Münster mee. Daarna duikt hij onder in Antwerpen, zet zich in voor de goede zaak als oplichter van de bankier Fug ger, later als verspreider in Italië van antikatholieke pamfletten en eindigt zijn carrière in 1555 in Istanboel. «Mogen de dagen doelloos verstrijken. Moge de handeling voortgaan zonder plan», luiden de laatste zinnen van deze pil.

Tegenstander van de ik is Qoèlet, de Prediker, kortweg Q, spion in dienst van bisschop, later kardinaal en paus Carafa, die zich onder valse voorwendselen aansluit bij de beweging van de Wederdopers en door wiens verraad Münster valt. Die ook later de hoofdpersoon danig dwars zit. Wie is Q? De ik gaat naar hem op zoek en in de laatste hoofdstukken vindt de grote confrontatie plaats, als betreft het een klassieke shoot out uit de film Rio Bravo met John Wayne in de hoofdrol. Dan valt het doek.

Luther Blissett stelt zich op als de verdediger van het gedachtegoed van de Wederdopers uit de vroege zestiende eeuw, die een radicalisering van de Reformatie bepleitten, ieder bezit verwierpen en ook het idee van de zonde ontkenden. Zonder meer sterk is de grote aandacht voor deze beweging, Blissett verplaatst zijn schrijverscamera af en toe naar de Neder lan den, naar Amsterdam en Leiden waar radicale Wederdopers krachtig actie voerden. Hij geeft bijvoorbeeld een uitvoerige beschrijving van de entourage van Jan Beukelsz, Jan van Leiden dus, later voorman van de Wederdopers in Münster, oorspronkelijk pooier en toneelspeler uit Leiden. «Onze man», staat er, «ligt op een kleine rustbank, met zijn ene hand houdt hij een deken vast, met de andere zijn ballen. Hij is naakt vanaf zijn middel, zijn borst helemaal ingesmeerd met olie. Een vrouw, eveneens halfnaakt, heeft een scheermes in de hand en is hem aan het ontharen.»

Verderop geeft Blissett ons nog onvervalste pornografische beschrijvingen van de overige seksuele activiteiten van deze historische figuur. Hij baseert zich voor zijn beschrijvingen van dit soort taferelen op allerhande roddelverhalen over de Wederdopers die na de val van Münster vanaf 1535 door heel Europa werden verspreid en waarvan de authenticiteit allerminst vaststaat. Maar hij neemt geen afstand van deze radicale Doper, die zijn zondig gedrag in dit boek met de bijbel in de hand gloedvol verdedigt.

Blissett wil ons van het standpunt van de Wederdopers overtuigen alsof het hier om ideeën gaat die ook nu nog de moeite waard zouden kunnen zijn. Je krijgt de indruk dat Blissett in alle oprechtheid vindt dat de ware revolutie alleen kan komen van dit type verworpenen der aarde, van dieven dus, gevangenen, hoeren, pooiers en landlopers. Dit geeft dit boek een mooie romantische ondertoon die ik graag tijdelijk de mijne maak, als ik dan maar wel van al die edele verworpenen na de revolutie mooie boeken mag blijven lezen.

Tijdens het lezen dacht ik geregeld aan de grote historische roman De vuuraanbidders van Simon Vestdijk, die zich weliswaar later in de tijd afspeelt, tussen 1609 en 1630, maar die eenzelfde ambitie heeft. Ook Vestdijk laat zijn held dwars door Europa zwerven en deel nemen aan de gruwelijke marteloorlogen die toen gevoerd werden. Blissetts held is op zoek naar de diepere oorzaken van de verschrikkingen van zijn tijd en ontdekt dat die wortelen in de activiteiten van bankiers als Fugger. Hij ziet in dat de boekdrukkunst aan de verworpenen nog een laatste strohalm kan bieden, maar trekt zich uiteindelijk gedesillusioneerd uit de strijd terug. Bij Vestdijk gaat het om een individuele problematiek: de held belandt in een ernstige godsdienstcrisis en komt tot het inzicht dat religie in deze barre tijd geen enkel uitzicht op verbetering kan geven, hij kiest voor het atheïsme.

Blissett bekommert zich lang niet zo veel om de stilistische kant van zijn werk als Vestdijk. Het kan hem weinig schelen dat hij met de stijlmiddelen werkt van de goedkope avonturenroman voor de opgroeiende jeugd, met zinnen als: «we stormen de heuvel af; we glijden uit over het drijfnatte gras, staan weer op en lachen als dronkemannen» of «hij (bedoeld is Jan van Leiden) braakt absurde woorden uit die geleidelijk betekenis krijgen in de geest, en ze rijgen zich op een bijzondere manier aan elkaar, schieten in de roos». En wanneer er gevreeën wordt krijgen we zinnen die rechtstreeks uit de koker komen van de softporno-industrie: «Ik explodeer in haar, zonder mijn kreet te kunnen onderdrukken die zich mengt met de hare.»

Erg is het allemaal niet, ik heb me met veel plezier voorgesteld hoe Luther Blissett (wie het ook moge wezen) zich met volle overtuiging op dit project heeft gegooid, hoe hij boek na boek las over deze sombere en gruwelijke tijden, misschien zelfs in Nederland is geweest, in Amsterdam en Leiden, en ook in Münster. Hoe hij langzamerhand in de ban begon te raken van zijn eigen verhaal. Wat een goed verhaal, begon hij te denken, het wordt spannender en spannender, nog even een liefdesverhaal erbij, o ja , ook de onderdrukking van de joden, ik moet het allemaal wel zo snel mogelijk opschrijven, anders vergeet ik het veel te snel, en ze moeten het in ieder geval allemaal kunnen snappen. Hoe het verhaal van dit avontuur zich zin na zin ontrolde, onbekommerd en niet gehinderd door een al te fijnzinnige literaire pen. Gewoon doorschrijven. O ja, dat vergeet ik soms, dacht hij, ik moet nog wat aan de stijl doen, nou, dat zien we later wel. Maar toen was de deadline al verstreken en bleek het toch een mooi en spannend boek te zijn geworden. (Kees ’t Hart)

Luther Blissett, Q Uitg. Wereldbibliotheek, 714 blz., ƒ49,90
Giovanni Chiara

Giovanni Chiara, De valstrik

Vertaald door Els van der Pluijm, uitg. Prometheus

187 blz., ƒ34,25

De veelvuldig gelauwerde Zuid-Afrikaanse schrijver J.M. Coetzee portretteerde in de beklemmende roman In ongenade op weergaloze wijze de bekentenissencultuur en politieke situatie van het huidige Zuid-Afrika zonder het gebruik van de woorden «waarheidscommissie» en «politiek». De Italiaan Giovanni Chiara lijkt hetzelfde te hebben geprobeerd in de roman De valstrik over de door de maffia geregeerde wereld op het eiland Sicilië. Chiara — zelf geen Siciliaan — gebruikt het woord «maffia» niet één keer, terwijl hij beschrijft hoe de levens van een vader en een zoon ten onder gaan aan de ongeschreven wetten die Sicilië regeren.

Anders dan In ongenade is De valstrik geen meesterwerk, daarvoor is de vertelstijl te gekunsteld. Toch bevat het boek mooie beschrijvingen van het Siciliaanse dorpsleven, zonder daarbij de taal te gebruiken van de toeristenfolder, waarin veel authentieks en «serene rust» wordt beloofd. Op Sicilië is de ogenschijnlijke rust schijn, de wereld verandert er razendsnel. «De verschillende generaties leken gedoemd elkaar niet te begrijpen. Jongeren die uit een andere wereld afkomstig leken, niets zagen en niemand kenden, die samenklitten in de wonderlijk kleren die in het gekrioel van de grote stad niet zouden opvallen, en niets anders deden dan van de ene bar naar de andere en rond de stadsmuren scheuren, op brommers die sidderden in opperste vervoering; wat stelden ze helemaal voor, wat zou er van ze worden?»

Alvorens duidelijk wordt dat het drama in De valstrik (waarmee de auteur drie van de ontelbare Italiaanse literatuurprijzen won) geheel afhankelijk is van de plaats van handeling en haar zeden, wijst Chiara op een generatieconflict: de moeizame relatie tussen vader en zoon. Dat is typerend voor deze roman, waarin alle legpuzzels erg langzaam in elkaar vallen. Eerst wil de alwetende verteller je langs vele facetten van het Siciliaanse leven voeren. Hij maakt je bekend met de beknellende maar voor de inwoners als vanzelfsprekend geldende mores, om de ellende die volgt invoelbaar te maken. Het verhaal stokt daardoor voortdurend, en de zijpaden schijnen vaak nodeloos lang. Maar dit doet niets af aan de raadsel achtig heid van de noodlottige keuze van de hoofdpersoon, ene Don Gaetano, die in afwachting van het genadeschot weigert zijn laatste stukje land te verkopen om de schulden van zijn inmiddels vermoorde zoon af te lossen.

Weggaan is niet de oplossing. Overal is de Siciliaan een buitenlander, een tweederangs mens. Als je niet meedoet met de codes van het Siciliaanse leven word je een buitenstaander, net als de oude Don Gaetano. Wanneer je het eiland verlaat, ben je het ook. Aan deze Catch22 is niet te ontkomen, want terugkeren op je schreden is even dodelijk. De zoon van Gaetano keert na jaren terug van het vasteland als doctorandus in de letteren. Maar hij kan zich niet meer aanpassen. Hij zal niet meer aarden en belandt onder de harde zoden.

Nadat de zwijgzame en weinig flamboyante Gaetano, die in het dorp doorging als eerlijk, en daarom hooghartig, het noodlot definitief over zich heeft afgeroepen, bijt zijn eigen broer hem toe dat «kerels zoals hij het verdienen om te worden doodgeschoten». Men liet Gaetano kansen. Net als de hoofdpersoon in In ongenade hoefde hij zich maar te voegen naar het plaatselijke, alleen voor insiders begrijpelijke recht. Hoe noodlottig ook, Gaetano’s weigering is een welluidend protest tegen de verziekte levensregels op Sicilië. (Pieter van Os)

Robert Antelme

Robert Antelme, De menselijke soort

Vertaald door P. Huigsloot, uitg. Sun/Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945,

318 blz., ƒ39,50

In april 1944 werd in Parijs de verzetsgroep verraden waarvan de dichter Robert Antelme, zijn vrouw Marguerite Duras en de latere president François Mitterrand deel uitmaakten. Antelme werd naar het doorgangskamp Compiègne gebracht en met een van de laatste transporten naar Buchenwald gedeporteerd. In mei 1945 vertrok Mitterrand met een Ameri kaanse missie naar Dachau, waar hij bij toeval de bijna stervende Antelme aantrof. De Ameri kanen wilden de gevangenen niet vrijlaten uit vrees voor epidemieën, maar Mitterrand waarschuwde een paar vrienden die Antelme uit het kamp smokkelden. Toen Duras haar man in Parijs terugzag, gilde ze van ontsteltenis. Weken lang zweefde Antelme tussen leven en dood. Beiden hebben over deze periode geschreven. Duras deed het in La douleur in 1985, Antelme begon meteen na de bevrijding verslag te doen van zijn ervaringen in Buchen wald. Het boek werd in 1957 gepubliceerd.

In het kommando Gandersheim, zo schreef hij in het voorwoord, waren geen gaskamers of crematoria. Het verschrikkelijke daar was de onduidelijkheid, de eenzaamheid, de onderdrukking en langzame vernietiging. Zijn drijfveer om in leven te blijven was de eenzame eis om tot het einde toe mens te blijven. Hij was een humanist, wiens taalgebruik dicht bij het gesproken Frans ligt, om de band met de copains, de lotsverbondenen, te onderstrepen.

De menselijke soort is een van de meest indrukwekkende werken uit de kampliteratuur. Het is niet zozeer wat Antelme vertelt dat het boek zo bijzonder maakt: zonder zijn ervaringen te fictionaliseren is hij erin geslaagd om de getuigenis tot literatuur te verheffen. Naast de wil om te getuigen wordt een dimensie toegevoegd die in het zuivere egodocument ontbreekt en het autobiografische ontstijgt: die van de verbeelding. Deze dimensie wordt door middel van de stijl en narratieve middelen tot uitdrukking gebracht, via thema’s als de omgekeerde stad, de beleving van tijd en ruimte, het leven en de dood. Zo ook wordt de blik van de onderdrukker ingeschakeld om het eigen lichamelijke verval te beschrijven, zodat de lezer van binnenuit de logica van de nazi-ideologie kan begrijpen: «We worden ontzettend lelijk om te zien. Dat is onze eigen schuld. Dat komt omdat we een menselijke plaag zijn.»

De constante aanwezigheid van de dood verandert het leven, want het leven in het kamp is een onophoudelijke strijd om niet te sterven. Aangezien elke gevangene binnen een bepaalde tijd dood moet zijn, is in leven blijven het enige doel in een wereld die zich met woede tegen het leven verheft, maar kalm en onverschillig staat tegenover de dood. De taal van de meesters is een onderdeel van het proces van dehumanisering. Daar waar Primo Levi de nadruk legt op de negatieve rol van het taalverschil en op het feit dat ontbrekende kennis van het Duits nog sneller naar de dood voert, keert Antelme het taalverschil om: het Frans dat de SS'er niet begrijpt, relativeert zijn macht over de gevangene, en wordt hiermee een heimelijke vorm van verzet en een vleugje vrijheid.

Robert Antelme bevestigt het unieke karakter van de Duitse concentratiekampen, maar hij herhaalt tevens dat alleen de literatuur die kan verbeelden: door het maken van keuzes, dat wil zeggen door de verbeelding, is hij in staat geweest om erover te kunnen spreken. Wat het kamp hem heeft geleerd, is dat wanneer het mens-zijn in twijfel wordt getrokken, een bijna biologische eis ontstaat om te behoren tot de menselijke soort en daar de ondeelbare eenheid van in te zien.

Robert Antelme schreef slechts één boek, alsof zijn verlangen tot schrijven daardoor in één keer was bevredigd en voor altijd opgelost. Eindelijk is dit boek in het Nederlands vertaald. (Solange Leibovici)

Hanif Kureishi

Hanif Kureishi, Gabriëls gave

Uitg. Anthos, 221 blz., ƒ37,50

Rex Bunch, de vader van Gabriël was vroeger even een veelbelovende glamrocker. Als bas gitarist speelde hij in de Leather Pigs met de beroemde Lester Jones. Helaas werd zijn car rière ruw in de kiem gesmoord toen hij bij een concert ergens in Finland van zijn plateauschoenen viel, en been en enkel brak. Nu speelt hij een hoofdrol in de roman Gabriëls gave.

Na zijn eerste boeken, waarin Hanif Kureishi de verhalen van de moderne tijd vertelde en de tijdgeest op de staart trapte (The Buddha of Suburbia, The Black Album), deden Intimacy en Midnightblues meer pijn. In Intimacy, waarvan binnenkort de verfilming in de bioscoop wordt vertoond, vertelt de hoofdpersoon zonder verzachtend of verontschuldigend gebabbel waarom hij zijn vrouw verlaat en voor een jongere minnares kiest. In de verhalenbundel Midnightblues zijn de personages al in even schrijnende relaties beland; de liefde doet pijn en het decor van het moderne Londen is daarbij akelig herkenbaar.

Met Gabriëls gave lijkt het een beetje of Hanif Kureishi plotseling is bekeerd en per se een feel good-roman heeft willen schrijven. Want hij vertelt het verhaal van Gabriël, wiens ouders aan lager wal geraakte hippies zijn. Na even in aanraking te zijn geweest met de glamour van het popsterrenuniversum zakken ze af tot een grauw en troosteloos bestaan in de lelijke delen van Londen. Maar wanneer ze uit elkaar gaan, gloort er onverwacht hoop als Gabriël gerichte actie onderneemt om zijn ouders weer gelukkig te maken.

Het is, inderdaad, een klef verhaal. Pijn doet het zeker niet, wel blijft er, door Kureishi’s vakkundige vertelwijze en gevoel voor de tijdgeest, aanzienlijk wat te lachen over. Het contrast tussen de volwassen houding van Gabriël en de kinderlijke van zijn ouders en hun vrienden werkt komisch. Evenveel grappen komen voort uit de blik van Gabriël op de Londense jetset van gearriveerde popsterren en kunstenaars. En wanneer hij Lester Jones (die trekken van David Bowie vertoont) ontmoet en deze, ondersteboven van diens schildertalenten, Gabriël aanmoedigt om zijn verbeelding achterna te gaan, krijgt de lezer ook nog een heuse moraal mee: kijk niet naar anderen maar volg je eigen talent! Een moraal én een happy end, het kan niet anders of binnen twee jaar wordt dit boek verfilmd.

(Sander Pleij)