Sport

Swingen

Net als een glas kan een stadion half vol en half leeg zijn, afhankelijk van hoe je het bekijkt. Volgens de Nederlandse media, de Volkskrant met name, waren tijdens de Afrika Cup de stadions, die voor vijftig procent bezet waren, half vol. En het was er vooral ook gezellig. En sfeervol.

Wat het Europees kampioenschap voetbal voor Europa is, is de Afrika Cup voor Afrika. Verder zijn er weinig gelijkenissen. Het hele toernooi was in vergelijking met een EK een verademing. Juichend meldden de kranten hoe het Afrikaanse voetbal ‘sprankelt’ en ‘swingt’, geheel anders dan het Europese. ‘Het aantrekkelijke gehalte van het toernooi’ werd geprezen.

We gaan even lezen.

‘Afrika, de laatste weken negatief in het nieuws door verwikkelingen in Kenia en Tsjaad, liet zich met het voetbal zien van zijn vrolijke, warme, zo vaak onderbelichte kant’, schreef de Volkskrant.

Kom daar hier maar eens om. Probeer in de wedstrijd Polen-Moldavië maar eens een ‘vrolijke, warme, zo vaak onderbelichte’ kant van Europa te zien.

‘De sportiviteit was groot, hoewel Europeanen zich wel eens verbazen over de hardheid. Maar hardheid is iets anders dan gemeenheid. (…) Van rellen is niets vernomen. Supporters hadden het gezellig met elkaar.’

Dat kennen wij niet, of niet meer. Europeanen gaan niet naar een voetbalstadion om het ‘gezellig met elkaar te hebben’. Liever slaan ze de fans van de tegenstander de hersens in. Dat heet beschaving.

‘De sfeer was ongedwongen. De Afrika Cup gaf het gevoel dat voetbal nog een spel is, bedoeld om een doelpunt meer te maken dan de tegenstander, en niet om te wachten op een fout van de tegenstander.’

De media zagen in de Afrika Cup een bijzonder soort schoonheid, een niet-westerse ongedwongenheid en spiritualiteit. Dat kennen wij niet (meer), wij (blanke) Europeanen. ‘De voetballers van donker Afrika spreken het meest tot de verbeelding in Europa (…)’

Afrikaans voetbal wordt altijd ‘swingend’ gevonden. Zoals de politiek correcte westerling tegen een donkere Afrikaan zegt: ‘Ja, jullie kunnen dat nou eenmaal veel beter dan wij, hè, dansen. Het zit jullie in het bloed. Gevoel voor ritme zit in jullie genen. Wij zijn houten klazen als je jullie ziet dansen en springen.’

De spiegeltjes en kraaltjes liggen al klaar. En misschien een paar offerdieren, want daar houden ‘ze’ ook van. Als de spelers van Ajax voor de wedstrijd samen een yell doen, en elkaar moed inspreken en schouderkloppen geven en innig omhelzen, kussen en tikken op de billen geven – ‘Kom op, jongens, kom op, we pakken ze, we pakken ze, hè?’ – dan hoor je daar niets over. Als het elftal van Egypte op even rituele wijze de onderlinge banden versterkt, staat er in de krant: ‘Spelers Egypte offeren koe. Een fotograaf zag hoe de spelers de koe loslieten op het trainingsveld en haar daarna omsingelden. Vervolgens duwden ze het dier tegen de grond en sneden haar met een mes de keel door.’ Dat deden ze ‘in de hoop dat dit geluk brengt’.

Als PSV’ers voor het betreden van het veld even de grasmat aanraken, ziet niemand dat. Maar de krant pakt fors uit over de gewoonten van Afrikaanse voetballers. Bijschrift bij een foto: ‘Hier kussen de Egyptenaren het gras nadat ze op voorsprong zijn gekomen.’

Je hoort het gegniffel als wordt geschreven over de bijnamen van de elftallen. Egypte wordt ‘De Farao’s’ genoemd. Ivoorkust ‘De Olifanten’. De spelers van Kameroen zijn ‘De Ontembare Leeuwen’, die van Tunesië ‘De Adelaars van Carthago’. Nigeria is ‘The Super Eagles’, Ghana ‘The Black Stars’.

De Volkskrant is opgevallen dat er rond de wedstrijden in de Afrika Cup veel en vaak wordt gebeden: ‘Afrikaanse voetballers dragen hun geloof uit met trots. Voormalig Nigeriaans international Babangida trok bij vorige toernooien, zoals hij gewoon was te doen, op vrijdag zijn boubou aan om te bidden in de moskee.’

In het boek Ethnologie: Inleiding tot de studie der primitieve beschaving, door Dr. Frans M. Olbrechts (Zutphen – W. J. Thieme & Cie – MCMXXXVI) staat: ‘Er is weinig in het stoffelijk cultuurbezit van de minderbeschaafden dat meer de aandacht trekt van den leek dan de soms zoo fantastische, soms zelfs ongerijmd-schijnende kledij van deze volkeren. We moeten leeren tegenover deze vormen van lichaamsversiering, die voor ons Westersch oog soms alles behalve “versierend” aandoen, onvooringenomen en onbevangen te staan. (…) Wat ons in de opschik van een minderbeschaafde belachelijk schijnt, vindt hij normaal, en omgekeerd maakt hij zich vroolijk over onze kledij en gewoonten; van een vrouw wier lippen niet blauw getatoueerd zijn, zegt de Maori met verachting dat “zij roode lippen heeft”.’