Swingen aan de donau

Afgelopen dinsdag speelde hij in De Melkweg. Joe Zawinul, de Oostenrijkse toetsenman die samen met Miles Davis de jazzrock uitvond. Onlangs verscheen van hem zijn eerste symfonische werk: ‘Stories of the Danube’. Een gesprek met de weinig bescheiden musicus over zichzelf, zichzelf en zichzelf.
De cd Stories of the Danube verscheen bij Philips
HIJ IS GROOT en breed en hij kijkt zijn gesprekspartner aan met een doordringende blik. Hoewel hij 37 jaar geleden naar de Verenigde Staten emigreerde, is zijn Oostenrijkse accent nooit helemaal verdwenen. Het lijkt de laatste tijd zelfs sterker geworden. Dat is niet zo verwonderlijk, want zijn eerste symfonie, Stories of the Danube, voert de luisteraar terug naar het platteland van Oostenrijk, waar hij is opgegroeid.

Josef Erich ‘Joe’ Zawinul (64) heeft een zware, wat rauwe stem en praat uitsluitend in stelligheden. Hij doet veel scheurkalenderachtige uitspraken, zoals 'Een mens is als een boom; de wortels moeten stevig zijn’, en: 'Muziek is het leven zelf, je kunt die dingen niet scheiden.’
Aan zijn eigen capaciteiten lijkt hij geen moment te twijfelen. 'Niemand in de wereld heeft een beter muzikaal gehoor dan ik’, zegt hij zonder blikken of blozen. En: 'Toen ik twintig was, had ik al genoeg muzikale ideeën om iemand vierhonderd jaar bezig te houden.’ Je zou hem voor een opschepper verslijten, als hij die krasse uitspraken niet zo argeloos presenteerde en er niet steeds aan toevoegde dat hij nou eenmaal is voorbestemd voor een briljante carrière. 'Ik ben van nature met talent begiftigd. De muzikale gaven zitten in mijn anatomie. Het is niet iets om hooghartig over te doen. Ik ben een nederige dienaar van de muze.’
Vaststaat dat Zawinul een glanzende en veelzijdige loopbaan achter de rug heeft. Hij speelde, als wonderkind, Oostenrijkse volksmuziek op de accordeon, werd jazzpianist, ging werken met Amerikaanse sterren als Cannonball Adderley en Dinah Washington, vond samen met Miles Davis de jazzrock uit, verdiepte zich met zijn eigen bands - waaronder Weather Report - in Afrikaanse muziek en voltooide onlangs zijn eerste werk voor filharmonisch orkest.
Zawinul: 'Miles zei altijd: “I’ve got to change, it’s like a curse.” Dat is mijn motto ook. Het verschil is dat ik een pionier ben, niet een trendvolger zoals Miles. Miles signaleerde de nieuwe ontwikkelingen en bracht de belangrijkste vertegenwoordigers ervan bij elkaar. Hij was een katalysator. En, wat heel knap was, hij wist op alles wat hij speelde zijn eigen stempel te drukken. Maar hij had wel steeds anderen nodig. Ik ben daarentegen self-sufficient. Ik kan nieuwe muziek bedenken, op papier zetten, orkestreren en uitvoeren.’
DE WERKTITEL van Stories of the Danube was, vertelt Zawinul, 'De honderdzesde Symfonie’. 'Ik had al honderdvijf symfonieën geschreven. Ze liggen thuis in een kast. Ze moeten alleen nog worden georkestreerd. Het creatieve proces kost mij geen enkele moeite. Ik ga zonder voorbereiding achter de keyboards zitten, ik improviseer en er is muziek. Ik improviseer als een componist - I’m a form-improviser. Zo is ook Stories of the Danube ontstaan. Ik bedacht ter plekke een werk van zeven delen. Twee dagen deed ik erover. Daarna kwam pas het eigenlijke werk, het orkestreren. Dat duurt minstens vier maanden. Ik vind dat niet zo boeiend en niet zo creatief. Er komen meer instrumenten bij, dat is alles.
Stories of the Danube is geen klassieke muziek, hoewel het er misschien aan doet denken vanwege de instrumentatie. Ik weet niets van klassiek en het interesseert mij ook niet. Het thema is de Donau. Ik volg de rivier van het Zwarte Woud tot de Zwarte Zee. Ik heb mij beziggehouden met de geografie, de geschiedenis en de volkeren langs die rivier. Je hoort wat invloeden van volksliederen en zigeunermuziek, maar voor het grootste deel is het alleen maar Joe Zawinul-muziek. Ik kan het niet omschrijven, het is instinctief ontstaan. Je moet er maar naar luisteren.’
HET REUSACHTIGE werkstuk heeft herinneringen wakker gemaakt aan zijn verleden. 'De meeste jazzfans kennen mij van Weather Report. Ze zien mij als een flitsende fusion-ster. Maar in werkelijkheid ben ik een jochie van het Oostenrijkse platteland. We hadden geen telefoon, zelfs geen elektriciteit. De enige radio was er een op straat, voor het bomalarm. Een Volksempfänger. Hij liep op heel grote batterijen. Tussen het loeien door draaiden ze Duitse liedjes, want iets anders was niet toegestaan. Het woord “jazz” hoorde ik voor het eerst op mijn veertiende, toen de oorlog was afgelopen.
Nu ik wat ouder word, kom ik weer af en toe in Oostenrijk. Ik ga een eigen club beginnen in Wenen. Die moet de beste jazzclub worden van de wereld, met de beste kleedkamers, de beste keuken en de beste geluidsinstallatie. De regering laat de club nu voor mij ombouwen, ze hebben er een miljoen gulden in gestoken.
Ik ben een kenner op het gebied van jazzclubs, ik weet precies hoe het níet moet. Gedurende mijn eerste zeven jaar in de States leidde ik een leven als een rat. Ik werkte eerst bij Dinah en daarna bij Cannonball. Overal was ik de enige blanke in een zwarte band. Het zwarte publiek accepteerde mij meteen, maar de blanken werden razend als ze een gemengd orkest zagen. Vooral in het Zuiden. Ze holden achter ons aan op straat. En als we niet hadden uitgekeken, was ik waarschijnlijk als eerste aan een boom opgehangen.
Cannonballs band was beroemd. Maar beroemdheid in de jazz had niet veel om het lijf in de jaren zestig, toen we moesten concurreren met de beat-rage. Ik zat zes jaar bij Cannonball toen hij zijn eerste hit had: “Mercy, Mercy, Mercy”. Dat was een stuk van mij, uit 1966. Vóór die tijd speelde ik op piano’s waar het ivoor van was afgesleten. En als je wat te eten meenam naar je hotelkamer, moest je het niet op de grond leggen, want dan sprongen er meteen vier, vijf ratten op af.
Toch mag ik niet klagen. Ik heb alles bereikt wat ik wilde. Als jochie van vier zat ik onder de tafel en hoorde ik mijn vader praten over de bokser Joe Louis. Ik dacht: die wil ik wel eens ontmoeten. Ik hoorde als tiener de platen van Miles Davis en Ella Fitzgerald en ik wist meteen: met hen zal ik nog eens samenwerken. Mijn vrienden verklaarden mij voor gek. Een kennis belde mij een keer en zei: “Hallo Joe, je spreekt met Horst Lippmann” - dat was een bekende impresario - “Je moet over twee dagen met Ella spelen in München.” Ik pakte mijn spullen en zei tegen mijn collega’s: “Montag muss-i mit der Ella spielen.” Iedereen lachte mij uit. Pas de volgende dag hoorde ik dat het een geintje was.
Maar ik was nog geen twee weken in de States of ik speelde al met Ella. We waren allebei in Boston en haar vaste pianist werd ziek. Ik sprak bijna geen woord Engels, maar het ging prima. Later heb ik ook met Miles gewerkt. We gingen samen naar bokswedstrijden en daar stelde hij me voor aan Joe Louis. En Joe en ik werden goede vrienden. Zo maakte ik probleemloos de overgang van het Oostenrijkse platteland naar de Afro-Amerikaanse cultuur. Ik kende de muziek al, daardoor ging het zo makkelijk.’
IN HET BOEK Cats of Any Color van Gene Lees zijn enkele weinig verheffende uitspraken van Zawinul te lezen. Volgens Lees heeft de pianist niet alleen de muziek van de zwarte Amerikanen overgenomen, maar ook het antisemitisme dat onder sommigen van hen in zwang is. Zawinul zou in een interview hebben gezegd: 'The jewish people took away a lot of the black music and made it sound like itself. The black musician was supposed to be working in the kitchen, cleaning the dirt. That’s the jewish system.’
Zawinul reageert op die woorden met stijgende verontwaardiging. 'Das hab’ ich nie gesagt! Niemals. Ik had het over Irving Mills, een joodse man die Duke Ellingtons muziekuitgever en promotor was. Mills gaf zichzelf op als mede-componist van Ellingtons stukken, hoewel zijn bijdrage vrijwel nihil was. Maar dat deden alle uitgevers in de jaren dertig. En Mills heeft veel gedaan om Ellington beroemd te maken. Dus Ellington nam dat voor lief. Meer heb ik niet gezegd. Mijn woorden zijn door die journalist incorrect geciteerd en vervolgens uit de context gehaald. Joe Zawinul is geen racist, vertel dat maar aan je collega’s.’