Sylvia plath lady lazarus

TOEN SYLVIA PLATH op een ijzige ochtend in februari haar hoofd in de gasoven legde, trok haar daad nauwelijks aandacht. Ze had alleen de dichtbundel The Colossus gepubliceerd en die was niet, of koeltjes, ontvangen in de literaire kritiek. Haar enige roman, The Bell Jar, was een maand voor haar dood verschenen onder het pseudoniem Victoria Lucas, en alleen in Engeland bovendien, omdat ze haar Amerikaanse familie en vrienden niet wilde kwetsen met haar weinig vleiende beschrijvingen van hen. Het zou tot 1971 duren voordat het boek onder haar eigen naam de Amerikaanse markt veroverde.

Haar collega-dichteres Anne Sexton zei ooit dat haar zelfmoord de briljantste zet in Plaths carrière is geweest. Sylvia Plath is inderdaad in veel opzichten een ‘Lady Lazarus’ - om de titel van een van haar beroemdste gedichten te lenen -, iemand die een 'theatrale comeback’ heeft gemaakt na haar zelfgekozen dood. Sylvia Plath heeft twee keer geleefd: een keer in werkelijkheid en een keer postuum. Als mythe. Als heldin van zo'n tragische roman die steevast eindigt met een sprong onder de trein of een teug uit de gifbeker omdat haar minnaar haar heeft bedrogen.
Natuurlijk zijn werkelijkheid en mythe al lang niet meer te scheiden. We denken dat we de kleinste details van haar leven kennen. We weten dat Sylvia Plath op die ijzige ochtend van de elfde februari eerst melk en boterhammen voor haar kinderen klaarzette en de kieren van de keukenramen en de deur dichtte met handdoeken, en toen pas de gaskraan opendraaide. We weten in wat voor jurk ze trouwde, met wat voor koffers ze aankwam in Cambridge, wat voor haarband ze droeg toen ze haar man ontmoette. Maar haar postume leven houdt nooit op, al kunnen we alle feiten als de inhoud van een kleerkast uitstallen.
HET POSTUME leven van Sylvia Plath begon een kleine week na haar dood, op 17 februari 1963, toen de befaamde criticus A. Alvarez in The Observer een kort in memoriam publiceerde, waarin hij stelde dat haar laatste werk een 'totaal nieuwe doorbraak’ in de moderne poëzie betekende en van haar de meest getalenteerde dichteres van haar tijd maakte. Sindsdien zijn er stapels boeken over Plath verschenen: een handvol serieuze biografieën, memoires van vrienden, boeken over haar huwelijk met de Engelse dichter Ted Hughes, analyses van haar verbluffende poëzie, studies over de verhouding tussen haar leven en werk. Een paar jaar geleden schreef Janet Malcolm zelfs een boek over de 'plathology’, dat wil zeggen: een boek over de belangrijkste controversen in de bestudering van leven en werk van de dichteres.
Hoe komt het, vraagt Malcolm zich daarin af, dat alle biografieën over Plath gedoemd zijn te mislukken? Want tot nog toe heeft geen van de biografieën de waarheid over Plath in pacht. Ze lijken om een leegte te cirkelen. Om een onbekende kern. Een kern die er misschien niet is. Malcolm oppert dat dat wordt veroorzaakt door de partijdigheid van de biografen. Een zelfmoord heeft een oorzaak en op oorzaak rijmt de vraag naar schuld. Die schuldvraag maakt partijdig, zoals een echtscheiding vaak hoe dan ook tot de keuze voor een van de echtelieden noopt.
De verschillende biografen werken met dezelfde ingrediënten: de vroeg gestorven vader, de verstikkend liefhebbende moeder, de ontrouwe echtegenoot. Doordat echtgenoot Hughes zich weigerde uit te spreken over Plath en doordat de groeiende aandacht voor het werk van Plath samenviel met het opkomende feminisme, was hij lange tijd de boeman. In de mythische reconstructie van Plaths leven werd hij de incarnatie van de gevoelloze macho: harteloos, koud, jaloers op het talent van zijn vrouw, haar verlatend op het moment dat zij hem het meest nodig had. Had Plath niet over hem geschreven in haar autobiografische bundel Ariel: 'The vampire who said he was you/ And drank my blood for a year/ Seven years, if you want to know.’
Hughes beheerde ook nog eens haar literaire erfenis, en toen vast kwam te staan dat hij het laatste deel van haar dagboek - van 1959 tot de dag voor haar dood - had vernietigd, een ongepubliceerde roman was 'kwijtgeraakt’, onbekende gedichten in portefeuille hield en voor het overige als een benepen censor optrad naar iedereen die uit Plaths werk wilde citeren, werd hij echt geháát. Feministen verstoorden zijn 'public readings’; keer op keer werd Plaths grafsteen vernield omdat die ontsierd werd door de naam Hughes. De feministische dichteres Robin Morgan maakte het veel geciteerde gedicht 'Arraignment’ ('Aanklacht’), waarin Ted Hughes regelrecht beschuldigd wordt van de moord op Sylvia Plath en zijn ontmanning wordt geëist.
HET IS DAN OOK een literaire sensatie - Engelse kranten spreken van de literaire sensatie 'van de eeuw’ - dat Ted Hughes na 35 jaar zwijgen zijn verhaal over het huwelijk vertelt. Helemaal nieuw is dat verhaal niet, want eind jaren tachtig werkte hij mee aan Bitter Fame, de biografie die Anne Stevenson in 1989 over Plath schreef. Althans, zijn zuster Olwyn, aan wie Hughes de zorg voor Plaths nalatenschap had uitbesteed, werkte daaraan mee. Ze wilde zozeer een vinger in de pap hebben dat Stevenson, na gesteggel over elke alinea, afstand nam van het eindresultaat. Ted Hughes wordt in Bitter Fame afgeschilderd als een engel van geduld, als een rots van vertrouwen die door de onhandelbare Plath tot wanhoop (en overspel) werd gedreven.
Hughes heeft zijn versie van de geschiedenis vervat in Birthday Letters, een cyclus van 88 verhalende gedichten die in chronologische volgorde vertellen over zijn eerste ontmoeting met Plath tot en met haar dood en de bloedhonden die zich op haar nalatenschap hebben gestort. Die vorm roept direct de vraag op hoe je Birthday Letters moet lezen. Als een dichtbundel? Als (auto)biografisch document? Als zijn pleidooi in de moordzaak-Plath? Als één groot liefdesgedicht aan de vrouw - in de bundel consequent als 'you’ aangesproken - van wie hij hield en die hij nooit uit zijn hart heeft kunnen verdrijven?
De gedichten zijn in ieder geval emotioneel geladen, teder vaak, verdrietig, boos soms. Ze bevatten veel details. De details die de lezer van de dagboeken van Plath of van een van de biografieën over haar allemaal kent. Je kan Birthday Letters dan ook eindeloos naast die biografische kennis leggen. En naast de poëzie van Plath, want Hughes gaat, net als tijdens hun huwelijk, vooral in poëtisch debat met háár.
SYLVIA PLATH werd geboren op 27 oktober 1932 in Boston. Haar vader, Otto Plath, was op zijn zestiende vanuit Duitsland naar Amerika geëmigreerd. Hij werkte zich op tot docent Duits aan de universiteit van Boston. Het liefst hield hij zich als entomoloog met bijen bezig, wat hem de bijnaam 'Der Bienenkönig’ opleverde. (Ziedaar de oorsprong van Syvlia’s gedichten over bijen.) Aurelia Schober, afstammeling van Oostenrijkse immigranten, was een meer dan twintig jaar jongere leerling van hem, die zich na hun huwelijk aan zijn dominantie moest aanpassen. Ze typte zijn manuscripten uit en zorgde voor dochter Syvlia en zoon Warren. Lang duurde het huwelijk niet. Omdat Otto Plath dacht dat hij longkanker had, weigerde hij een arts te consulteren. Na drie jaar werd er, veel onschuldiger, suikerziekte bij hem geconstateerd. Het was toen al te laat; hij stierf in 1940.
Aurelia was al voor de dood van haar man begonnen haar eerzucht en perfectionisme op haar kinderen te projecteren. Ze hield hun van jongs af aan voor dat hoge schoolcijfers het enige paspoort naar succes zijn. Het was conform de pioniersgeest van de immigrant die hartstochtelijke gelooft in de American Dream. Bij Sylvia sloeg het aan: ze was een intelligent, energiek, getalenteerd en ambitieus kind dat aan de lopende band meedong in prijsvragen, en versjes en verhaaltjes instuurde naar kranten en damesbladen. Op haar achtste werd haar eerste gedicht gepubliceerd in de Boston Herald. Ze leerde kortom, zo psychologiseert Anne Stevenson, op heel jonge leeftijd dat schrijven haar van aandacht en liefde verzekerde. Ze was al vroeg de belichaming van het drama van het begaafde kind.
Al haar biografen lijken het erover eens dat het probleem van Sylvia Plath was dat ze zo veel tegelijk wilde. Een supermeisje wilde ze zijn. Nummer één in alles. Zelfs in gewoonheid. Natuurlijk was ze speciaal: al die gewonnen prijzen en gepubliceerde stukjes, al die tienen op haar rapport. Maar Sylvia wilde ook het ideale meisje zijn bij de Girl Scouts en het basketbalteam en het schoolorkest en de studentenvereniging. Toen ze, door haar goede cijfers, met een beurs op Smith College terechtkwam, de hoogst aangeschreven meisjesschool van het land, werd haar drang tot 'having it all’ alleen maar gevoed.
De feministische verklaring over Plath luidde dat ze met de onmogelijke opdracht werd opgevoed waar alle vrouwen van haar generatie op een of andere manier mee worstelden. In de eerste plaats moest ze een genie zijn, de buitengewoon getalenteerde dochter die later een groot literator zou zijn. Daarnaast moest ze op zoek naar de ideale echtgenoot, met wie ze het perfecte gelijkwaardige huwelijk zou sluiten. Maar ze moest ook de ideale echtgenote en moeder zijn, tot opoffering bereid.
Er zit wat in, maar in het geval van Plath schiet deze verklaring toch tekort. Plath ging wel heel ver in haar conformisme om de 'All American Girl’ te zijn. De nonconformisten op Smith College verklikte ze het liefst. Ze wilde niet alleen kampioen studie zijn, maar ook kampioen 'daten’. Ze had het uiterlijk van het supermeisje: lang, slank, hoogbenig, blondharig en onberispelijk gekleed. Haar afspraakjes met college-jongens regelde ze met militaire discipline. En ze conformeerde zich in haar schrijven: terwijl ze was begiftigd met een groot oorspronkelijk literair talent, paste ze haar verhalen aan de doorsnee eisen van damesbladen aan. In de brieven die ze bijna dagelijks aan haar moeder schreef - in 1975 gebundeld in Letters Home - kirde ze opwinding over haar commerciële literaire en erotische succesjes; in haar dagboek liet ze haar somberder zelf zien. Conformisme is dan ook een te zwakke uitdrukking voor Plath: ze was ronduit gespleten.
IN 1953 WERD ze, wederom na een prijsvraag, uitverkoren tot leerling-redactrice van het damesblad Mademoiselle. Een maand lang verbleef ze in New York, waar ze stukjes schreef en van cocktailparty naar modeshow naar hoedendemonstratie draafde. Het begon er echt mis met haar te gaan. Dat blijkt ook uit haar roman The Bell Jar, waarin ze vertelt hoe ze over de glijbaan van de euforie in de depressie belandde. De toon van het boek is zo onecht vrolijk, zo schril, dat de waanzin en de naderende catastrofe zich tussen de regels door aan je opdringen. Haar gespletenheid maakte haar dol. In The Bell Jar gebruikt ze het beeld van een vijgeboom voor de carrousel van mogelijke zelven en mogelijke toekomsten. Elke vijg staat voor een deel van haar ik en haar toekomst; ze kan alleen niet kiezen: 'Ik wilde ze allemaal, stuk voor stuk, maar als ik er één koos, hield dat in dat ik alle andere kwijt was, en terwijl ik daar zo besluiteloos zat, kregen de vijgen rimpels en begonnen zwart te worden, en een voor een ploften ze op de grond aan mijn voeten.’
Toen Plath diezelfde zomer van 1953 werd afgewezen voor een cursus korte-verhalenschrijven, was haar ineenstorting compleet. Ze deed haar eerste zelfmoordpoging door een overdosis slaappillen te slikken en zich in de kruipruimte onder het ouderlijk huis te verstoppen. Omdat ze moest braken werd ze gehoord en gevonden. Ze ging in psychotherapie en werd behandeld met elektroshocks. In haar dagboek schreef ze over haar verrijzenis uit de dood dat ze zich Lazarus voelde. 'Dying/ Is an art, like everything else./ I do it exceptionally well’, dichtte ze later in het gedicht 'Lady Lazarus’.
Na haar verblijf in een inrichting krabbelde ze snel overeind. Ze rondde Smith College af, kreeg een Fullbright-beurs om in Cambridge te studeren, maakte een reis naar Europa en won in Engeland de ultieme prijsvraag: ze ontmoette de jonge dichter Ted Hughes, toen al gezien als de meest getalenteerde dichter van zijn generatie. Het was liefde op het eerste gezicht. Ze deelden hun passie voor poëzie en explodeerden allebei in een roes van scheppingsdrift. 'Alles balt zich samen tot grote vreugde. Ik kan het dichten niet laten! Ze worden steeds beter’, schrijft Plath in haar dagboek. Na vier maanden trouwden ze, in de zomer van 1956.
HET VERVOLG is bekend: wiens schuld het was, is niet zo zonneklaar als gedacht, maar Plath werd binnen de kortste keren een kopie van haar moeder. Na reizen door Europa en Amerika vestigde het paar zich in een cottage op het land en daar zorgde Plath voor de kinderen - dochter Frieda (1960) en zoon Nicholas (1962) - en voor Hughes’ dichterschap. Ze werd, zoals altijd, heen en weer geslingerd tussen een brandende ambitie - 'I want the world’s praise, money & love’ - en verlammende doelloosheid - 'Ik merkte dat ik nogal wanhopig was, omdat ik geen noemenswaardig innerlijk leven heb.’ Toen ze merkte dat Hughes een affaire had, schopte ze hem het huis uit. Ze leek, alleen met haar kinderen, nog meer op haar moeder. Ze was diep ongelukkig en schreef zelfs haar moeder niet meer dat ze gelukkig was. Tijdens de 'stille, blauwe, bijna eeuwige’ uren van de vroege ochtend, zo tussen vier en zeven als de kinderen sliepen, dichtte ze in razende vaart. 'Ik schrijf de beste gedichten die ik ooit heb gemaakt; ze zullen me beroemd maken’, schreef ze in december 1962 aan haar moeder. Het waren de gedichten uit Ariel, haar indrukwekkendste bundel, die postuum door Hughes werd uitgebracht.
JE HEBT DE feiten en de interpretaties als het om het leven van Sylvia Plath gaat, en die interpretaties gaan uiteindelijk over de oorzaak en de schuld van haar ultieme daad. Ted Hughes geeft geen nieuwe interpretaties in Birthday Letters, het lijkt hem niet in de eerste plaats om interpretaties van haar leven te gaan. Daarvan heeft hij er genoeg gelezen en afdoende gezien dat ze nooit antwoord kunnen geven op de vraag naar oorzaak en schuld. Hij dicht wat bitter in het gedicht 'Visit’ dat hij 'was being auditioned/ For the male lead in your drama’. In hetzelfde gedicht schrijft hij: 'It is only a story./ Your story. My story.’ Dat zijn regeltjes die aan het denken zetten: hoeveel er ook over Sylvia Plath wordt beweerd, uiteindelijk blijft ze de heldin van het verhaal dat ze zelf heeft gecomponeerd. Het tragische voor Hughes is dat haar verhaal onvermijdelijk ook zijn verhaal is. 'You were the jailer of your murderer - / Wich imprisoned you./ And since I was your nurse and your protector/ Your sentence was mine too’, heet het elders. Zij is dood, maar hij is levenslang gevangen.
In Engeland begint de polemiek over de waarde van Birthday Letters los te barsten. Is de bundel wel zo goed als de eerste criticus en dichter Andrew Motion in de Times stelde? En maken de gedichten die 35 jaar van zwijgen goed? Zuivert Hughes met de 'brieven’ zijn mannelijk-chauvinistische naam? Het lijkt Ted Hughes niet om al dit soort dingen te gaan. Birthday Letters is gelukkig niet gelijkhebberig of overredend - nu ja, een beetje dan misschien, als Hughes Plath als immer labiel presenteert en zichzelf met een trouwe hond vergelijkt.
Birthday Letters staat vol gedichten die geschreven moesten worden in de 35 jaar na Plaths dood. Het zijn vooral de beelden die op Hughes netvlies staan gebrand waar hij poëzie van heeft gemaakt. Hij presenteert als het ware een heel intiem familiealbum, want al denk je veel van de plaatjes te kennen, je ziet ze nu anders, gekleurder. Soms zijn ze ontroerend op het pijnlijke af. Zoals 'The Tender Place’ dat over haar slapen gaat als de tederste plek. Dezelfde slapen waartegen ook de elektroden van de shocktherapie rustten.