Symbiose en afgunst

Nietzsche zei het al: vrouwen willen te veel van vriendschap. Dit wordt ook duidelijk in de meisjesvriendschappen die Simone de Beauvoir in De onafscheidelijken en Elena Ferrante in Het leugenachtige leven van volwassenen beschrijven. Altijd die gedienstigheid versus overweldigende hartstocht.

Vrouwenvriendschappen: twee tegengestelde naturen maken in elkaar een onweerstaanbare fascinatie wakker © Herbert List / Magnum Photos / ANP

Het is niet eens zo heel lang geleden dat een schrijver zich publiekelijk afvroeg of er wel vrouwelijke coming of age-romans bestonden. Niet zo lang geleden, maar toch een ander tijdvak, eentje waarin ook hardop de vraag gesteld kon worden waar ze dan waren, die vrouwelijke schrijvers waar je niet omheen kon als je iets echt goeds wilde lezen. Ja, Virginia Woolf, maar verder? Inmiddels is het tij zozeer kerende dat ik me publiekelijk maar eens afvraag of er wel mannelijke vriendschapsromans bestaan. Vriendschap is vooral een thema dat door schrijvers als Connie Palmen, Elena Ferrante, Hilary Mantel, Toni Morrison, Claire Messud, Niña Weijers en Maartje Wortel binnenstebuiten wordt gekeerd. Bij nader inzien: dat hele coming of age-gebeuren lijkt bij meisjes vaak een kwestie van zich slijpen aan de ander, het bewonderde en/of gevreesde object, de hartsvriendin.

Nietzsche zag het zo (en ik vind er wel wat in zitten, ook al zag hij het als een tekortkoming): vrouwen willen te veel van vriendschap. Ik denk niet dat hij het woord ‘patriarchaat’ al kende, maar hij doelt wel op zoiets als hij zegt dat in vrouwen al te lang een slaaf en een tiran schuilgaan. Dat te veel vertaalt zich in ofwel gedienstigheid óf overweldigende hartstocht. Eigenlijk, en ik geloof dat Nietzsche dit tamelijk somber bedoelde, kennen vrouwen alleen de liefde.

Het is natuurlijk altijd maar net welke woorden je aan de dingen geeft, maar liefde lijkt me toch te beperkt uitgedrukt. De slaaf-tiran-theorie daarentegen vind ik nog steeds wel een goeie om naar vrouwenvriendschap te kijken, zeker zoals die literair gestalte krijgt in het werk van Elena Ferrante, maar ook in de onlangs fris ontdekte roman van Simone de Beauvoir met de alleszeggende titel De onafscheidelijken. Dit is het patroon zo gauw meisjes elkaar in de peiling krijgen (en meisje-zijn strekt zich uit tot je tachtigste en ver erna): twee tegengestelde naturen maken in elkaar een onweerstaanbare fascinatie wakker, op het obsessieve af. ‘Ik ben een hond en zij een kat’, zegt Julia over Cassie in Claire Messuds Meisje in brand, ‘ik kwijlend en gretig, zij beheerst en erg op zichzelf.’ De een maakt de ander dapperder, wekt haar op tot iets waarvan ze niet wist dat ze het in huis had. En de ander verraadt uiteindelijk de een, al is het maar door van de vriendschap een verhaal te maken.

Simone de Beauvoir schreef De onafscheidelijken in 1954, hetzelfde jaar als waarin ze de Prix Goncourt won met haar meesterlijke roman De mandarijnen. Vergeleken daarmee is De onafscheidelijken een overzichtelijke geschiedenis, met kennelijke pijn geschreven en daarom – volgens erfgenaam en tevens adoptiedochter Sylvie le Bon – nooit bij leven gepubliceerd. En vorig jaar pas door haar tussen alle papieren, zo stel ik me voor, ontdekt. Voor de lezers van De Beauvoirs memoires is het een bekende geschiedenis: als negenjarige vond Simone in klasgenote Zaza haar zielsverwant en tevens uitdager, maar Zaza was niet echt een lang en heroïsch leven beschoren. Zoals ik het me herinner werd Zaza het slachtoffer van haar godvruchtige moeder, werd ze gedwarsboomd in haar liefdesleven en kreeg ze anorexia. Het verlies van Zaza is een van de grote cesuren in het leven van De Beauvoir, zoals ook naar voren komt in haar biografieën.

‘Ik had besloten dat als u zou sterven, ik ook meteen zou sterven.’ Voor minder doen meisjes het niet

Het voordeel van fictie is dat de schrijver zich kan laten gaan in haar liefde, verdriet, woede. Nu heeft De Beauvoir nooit erg veel last gehad van zelfliefde of ijdelheid – een van de redenen dat ze interessant en geloofwaardig blijft – maar in De onafscheidelijken zet ze wel een héél nerderig beeld van zichzelf neer. Of nou ja, zichzelf… ‘Ik ben niet deze Sylvie die in mijn naam spreekt’, schrijft ze in een ontroerend direct voorwoord, gericht aan Zaza. Zoals dit verhaal ook niet begrepen moet worden als ‘echt’ haar verhaal, ‘maar louter een verhaal dat op ons is geïnspireerd’. En dus kon ze ook haar zelfcensuur laten varen, denk ik nu ik deze amper opgetuigde en tomeloze liefdesverklaring lees.

‘Op mijn negende was ik een heel braaf meisje’, luidt de omineuze openingszin. Zo gauw ze Andrée ontmoet, is Sylvie van haar stuk. Andrées zelfverzekerdheid, haar snelle duidelijke manier van praten, haar kennis van en liefde voor schrijvers – ze betoveren haar. Maar de bewondering zit ’m ook in kleine dingen, details die ik me gek genoeg herinner uit De tweede sekse waarin ze zijn opgenomen in het hoofdstuk ‘Seksualiteit’. Bijvoorbeeld dat ze kippenvel krijgt als ze een perzik ziet. Ook de pathologie van de jaloerse moeder, die haar eigen ongeluk verhaalt op haar dochter – een belangrijk thema in het hoofdstuk ‘Moederschap’ in De tweede sekse – zit helemaal in de geschiedenis van Zaza. Al snel weet Sylvie, geheel volgens nietzscheaanse wetten, dat ‘leven zonder haar, dat was geen leven meer’. Het is tamelijk hartverscheurend hoe in De onafscheidelijken het ene meisje het andere het hof maakt, eigenlijk zonder dat het echt aankomt. Andrée beweegt zich in de wereld, wordt verliefd, en leidt in feite een leven waarvan de kloosterlijke Sylvie geen idee heeft. Omgekeerd heeft Andrée geen idee hoezeer het Sylvie alleen om haar te doen is. Hoe weet je dat degene van wie je houdt voor altijd van je zal houden, vraagt Andrée haar, uit zorgen om de jongen die ze ziet. Een paar dagen ervoor heeft Sylvie haar bekend dat zij, vanaf de dag dat ze haar leerde kennen, alles voor haar is. Andrée staat perplex: ‘We zijn zoveel jaar onafscheidelijk geweest, en nu merk ik dat ik u zo slecht ken!’ Sylvie zegt het eens en voor al, een beetje dronken van de pruimenlikeur waarvan ze in de voorraadkeuken nippen. ‘Ik had besloten dat als u zou sterven, ik ook meteen zou sterven.’

Voor minder doen meisjes het niet, ook niet in de nieuwe roman van Elena Ferrante, Het leugenachtige leven van volwassenen. De dertienjarige Giovanna is het typische Ferrante-meisje dat uit zal groeien tot de typische Ferrante-vrouw. Slim en superieur, maar op een zelfvernietigende manier. Ze moet zich uit alle macht zien te ontworstelen aan haar omgeving, haar klasse, haar familie, maar is te slim om volledig te kunnen geloven in haar welslagen. Er is altijd iets of iemand in haar directe omgeving waarnaar ze reikt, en waar ze niet bij kan komen. Dat vergeefse streven maakt haar tot een interessant en gecompliceerd personage, een meisje dat er niet op uit is te behagen, een intrigante ook, te gretig en te boos om echt manipulatief te werk te kunnen gaan, maar wel altijd bezig een spelletje te spelen, iets of iemand voor haar karretje te spannen, of mensen tegen elkaar uit te spelen.

Haar volmaakte vorm vond ze in de Napolitaanse vierdelige romanserie, waarin naamgenoot Elena een leven lang haar strijd voert met hartsvriendin en tevens aartsconcurrent Lila. De frictie tussen ambitie en loyaliteit, het thema van alle grote vrouwelijke schrijvers, krijgt in deze reeks aangrijpend en psychologisch zeer gedetailleerd gestalte. Een destillaat daarvan, wat mij betreft eigenlijk nog geslaagder al klinkt dat als vloeken in de Ferrante-kerk, vind je in de overzichtelijke, eerder geschreven, roman De verborgen dochter. Leda heet ze hier, de vrouw van 47 die huis en haard ontvlucht, en, alleen met haar demonen, de ambiguïteit ten aanzien van haar moederschap onder ogen komt.

Als ik mijn eerdere stukken over Ferrante lees, treft me de hartstocht waarmee ik níet wens te geloven dat de schrijfster weleens een man zou kunnen zijn. Nu ik haar nieuwe roman lees, bekruipt me de gedachte dat er een Ferrante-maatschap bestaat. Een soort atelier, waar een aantal getalenteerde leerlingen zich de kunst eigen maakt om in de sfeer van Ferrante te schrijven. Het is niet een kwestie van een man die net doet alsof, het is omspannender dan dat. In ieder geval kan ik anders niet goed voor mezelf verklaren waarom ik het lezen van Het leugenachtige leven van volwassenen een beproeving vond. Of is het platter dan dat? Voel ik gewoon weerzin tegen deze Giovanna die vagelijk weet voorbestemd te zijn voor iets groots, en verongelijkt en jaloers in het leven staat. In de zus van haar vader, de in de ban gedane tante Vittoria, vindt ze een voorbeeld én een schrikbeeld van hoe het kan gaan, met vrouwen en de liefde, met vrouwen en autonomie.

Ferrante is er een meester in om de getergde meisjesgeest, steigerend en weerspannig, een stem te geven, daar niet van. Hoe ze Giovanna zichzelf laat spiegelen aan Vittoria, of ze nu wil of niet, is ijzersterk. ‘In Vittoria’s stem, maar misschien wel in haar hele lichaam, zat een onverdraagzaamheid zonder filters die me in een flits overviel, zoals wanneer ik met een lucifer het gas aanstak en op mijn hand de vlam voelde die uit de gaatjes van het gasfornuis schoot. Ik deed de deur achter me dicht en liep achter haar aan alsof ze me had aangelijnd.’ Tussen aanlijnen en losrukken, symbiose en afgunst, daar komt het ook in Het leugenachtige leven van volwassenen weer op aan, maar ik voelde warempel een lichte meisjesmoeheid over me komen.