Symfonie in roze

Wie heeft uitgevonden dat op zeker moment het ene jaar plaatsmaakt voor het volgende, I applaud you. Alsof ik het proces kan versnellen, trek ik deze laatste weken steeds vaker mijn renschoenen aan om het op een lopen te zetten. Het helpt, de wind op mijn wangen, het gevoel dat ik snel ben, dat alles het doet, mijn benen, mijn longen, mijn hart.

Ik wil De kus herlezen maar pak het verkeerde deel Tsjechov uit de kast. Mijn oog valt op een streep die ik in de kantlijn heb gezet, in Een vervelende geschiedenis. Om goed college te geven, dus niet saai en zo dat de toehoorders er iets aan hebben, moet je behalve talent ook nog handigheid en routine bezitten, je moet beschikken over een heel duidelijk begrip van je eigen krachten, van het gehoor dat je tegenover je hebt en van het thema dat je behandelt. Bovendien, schrijft Tsjechov, of zegt eigenlijk dus de verteller van zijn verhaal, moet je gewiekst zijn, drommels goed opletten en geen seconde je overzicht verliezen.

Een heel duidelijk begrip van de eigen krachten, zou er iemand zijn die dat heeft? Wie had bijvoorbeeld kunnen denken toen ik begon met hardlopen dat ik het een paar maanden later al drie kwartier moeiteloos kon volhouden?

Pas interviewde ik een schrijfster voor publiek, ze had net een prijs gekregen voor haar gehele oeuvre. Ik had de boeken van haar meegenomen die ik kocht toen ik zeventien, achttien was. Ik zat achter in de klas bij economie, de leraar liep naar mijn lessenaar en tikte met een nagel op de kaft van het boek. ‘Schijnt wel goed te zijn, hè?’ Ik knikte alsof ik tot ridder werd geslagen, had net met potlood de datum voorin geschreven. Met pen vond ik burgerlijk.

‘Ach’, zei de schrijfster, vertederd kijkend naar mijn exemplaren van haar boeken. ‘Dat zijn oudjes.’ We kwamen te spreken over de dood in haar werk, al sinds haar twintigste het thema. ‘Ik was op weg hiernaartoe,’ vertelde ze. ‘Dan zie ik die mensen op straat en ik denk: o die mensen moeten ook allemaal nog dood.’

‘Heb jij dat niet?’ vroeg ze toen.

Ik kan me niets voorstellen bij het niets, alles maakt deel uit van een programma

Ik haat die vraag, heb jij dat niet. Het is een vraag van vriendinnen met relatieproblemen. Vertel gewoon je verhaal en sleur mij niet mee dat graf in.

‘Ik denk het omgekeerde’, zei ik. ‘Al die mensen, die zijn ook allemaal geboren.’

Ik ren, en ik zie ze naast me fietsen, ze halen me in, ze zijn allemaal ooit geboren, krijsend. Ik ga al bijna mijn hele leven in het zwart gekleed, maar als ik ren zijn zelfs mijn veters roze. Mijn buurman vroeg hoeveel kilometer ik zoal loop. Ik denk niet in kilometers, ik denk in minuten. Zaak is het in het eerste kwartier niet op mijn horloge te kijken. Niet te zien hoe de wijzers alleen maar aan het kruipen zijn. Er is te veel tijd nog. Dat rennen, het is zogenaamd bedoeld om mijn hoofd leeg te maken, mijn gedachten weg te laten waaien, maar ik ben tegen mezelf aan het lopen.

Ik was nog maar net begonnen met colleges geven toen een collega vertelde hoe ze in de trein zat niks te doen, helemaal niks, ze vertelde het bijna triomfantelijk. Niet lezen dus, niet eens een krant, alleen maar doods uit het raam staren, ze deed er erg demonstratief over. Ik kan me niets voorstellen bij het niets, alles maakt deel uit van een programma. En zo gauw er een programma is, is er een beperkte hoeveelheid tijd.

Een zaal met toehoorders betreden voelt als invoegen op de snelweg. Iedereen is de potentiële vijand, de pion die omgekegeld moet worden. Tsjechov heeft het over een veelkoppige hydra die bedwongen moet worden. ‘Literature gives you a sense of the shape of a life’, zei New Yorker-criticus James Wood, vorige week te gast in Amsterdam. Die veelkoppige hydra, zo gauw je die echt van nabij voor je hebt, stelt die niet zo veel voor. Als je een van de koppen isoleert, gewoon, door hem bij naam te noemen – Dirk, ik heb jou vandaag nog niet gehoord – dan zijn het van die kleine entiteiten. Ook als ze na afloop van het college naar je toe komen. Er moet iets worden verklaard, ze hebben hun opdracht niet gemaakt, ze zagen te laat dat ze ziek waren geworden, dat hun oma op sterven lag. Zo jong zijn ze opeens als ze naast je staan, hun gezichten zijn helemaal naar binnen gekeerd, vettig, ze moeten nog rijzen, openbarsten, lelijk worden. Mirte heeft filosofie als hoofdvak, haar armen zijn zwart van de tatoeages, in haar neusvleugels hangen ringen, als ik iets aan haar vraag schermt ze met Baudrillard, het is bijna alsof ze mij een lesje wil leren, maar als ze naast me staat heeft ze een poppengezichtje, weet ze hélemaal niks, kan ze ieder moment het op een duimen zetten.

Als je goed kijkt, is iedereen klein.