Media

Syndroom

Precies een jaar geleden verscheen het interim-rapport van de commissie-Levelt over de wetenschapsfraude van Diederik Stapel. Enkele weken nadien werd Don Poldermans, hoogleraar aan het Erasmus Medisch Centrum, vanwege ‘ernstig wetenschappelijk wangedrag’ ontslagen.

Bijna tegelijkertijd berispte de Universiteit van Nijmegen de hoogleraar die bij een van Stapels onderzoeken betrokken was – dat over hufterige vleeseters. In juni 2012 verscheen een rapport van de Erasmus Universiteit over Dirk Smeesters, hoogleraar bedrijfskunde en gespecialiseerd in consumenten­gedrag. Conclusie: er was te veel mis om niet ernstig verontrust te zijn. Ondertussen bolden kranten en tijdschriften van het nieuws over bedrieglijk onderzoek, de betrekkelijkheid van wetenschap en oude zaken waaruit bleek dat het met wetenschappelijk onderzoek net zo was als met andere maatschappelijke zaken: oppassen geblazen.

Vreemd genoeg bleven en blijven kranten en tijdschriften al die tijd het fascinerende zinnetje ‘uit onderzoek blijkt’ gebruiken. Wie het intikt in LexisNexis, de internationale krantenbank, zal zien dat het in het afgelopen jaar (sinds eind oktober 2011) in de Nederlandse geschreven media bijna 2700 keer voorkomt, het vaakst in de veertien edities van De Stentor (380 keer) maar ook vaak in het Dagblad van het Noorden (142), De Gelderlander (125), De Telegraaf (93), De Twentsche Courant Tubantia (92) en andere kranten. Een van de meest voorzichtige is, niet verbazend gezien haar check-cultuur, nrc.next.

Een voorbeeld. Het op het moment van dit schrijven meest recente artikel met de frase ‘uit onderzoek blijkt’ staat in het Dagblad van het Noorden en gaat over werkdruk in het onderwijs. Er staat letterlijk: ‘Uit onderzoek blijkt dat bijna de helft van de leerkrachten in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs de laatste jaren met minder plezier aan de slag gaat. De werkdruk neemt toe, vaak zonder dat leraren daar zelf iets aan kunnen doen.’ Er wordt niet gezegd welk onderzoek. Er wordt niet gezegd of dit de enige of belangrijkste conclusie van het onderzoek is. Er wordt niet verteld hoe representatief het onderzoek is. We weten niet of de journalist het onderzoek inderdaad gezien heeft – of slechts een persbericht of artikel over het onderzoek. We weten evenmin of de journalist de conclusies van het onderzoek gecheckt heeft. Er wordt eigenlijk niets gezegd, niets anders dan die drie woorden: uit onderzoek blijkt. Ze impliceren een ja en amen.

Deze omgang met wetenschappelijk onderzoek in de media is, voorzover na te gaan, kenmerkend. Ondanks alle affaires, ondanks de rapporten, ondanks de ervaring met oude zaken als die van Buck (aidsonderzoek, 1990), ondanks de principiële en toenemende scepsis van iedereen waar het politici, bankiers en andere hotemetoten betreft, handhaaft zich een soort vanzelfsprekende verering als de wetenschap in het geding is, zeker als die uit bèta- of andere ingewikkelde hoek komt. Je zou het ’t wittejassensyndroom kunnen noemen: draagt iemand zo’n ding of spreekt hij uit naam ervan, dan zal het wel goed zijn, denken ‘we’. Hij heeft er immers voor geleerd. Hij spreekt vanaf ongeveer de laatste zetel waarvan de poten nog niet zijn weggezaagd. Wetenschap, hoofdletter, ja en amen.

Ondanks alle ophef van de laatste tijd is er geen reden te veronderstellen dat wetenschappers bedriegers zijn. Dat zijn ze niet, uitzonderingen daargelaten. Maar er is ook geen reden, uitzonderingen opnieuw daargelaten, hen als een bijzondere mensensoort te beschouwen. Principiële scepsis tegenover onderzoek, uitspraken, veronderstellingen of wat dan ook van wetenschappers is daarom net zo noodzakelijk als in alle andere gevallen. Dat dit niet gebeurt, geeft te denken. Zou het zo kunnen zijn dat we wetenschappers vertrouwen omdat ze de laatsten zijn in een almaar drukkere rij maatschappelijke plofkippen? Politici, priesters, bankiers, de hele bubs is de afgelopen jaren door het ijs gezakt en we willen graag dat er nog iemand blijft staan. De wetenschapper is onze laatste strohalm.

Uit onderzoek blijkt niets. Onderzoek wordt gedaan, zeker. Dat gebeurt op basis van veronderstellingen of ander onderzoek. Die veronderstellingen zijn, zoals het woord al zegt, aanvechtbaar. En bij eerder onderzoek moeten in negen van de tien gevallen eveneens vraagtekens worden gezet. Zoveel onzekerheid is geen reden om met Multatuli te zeggen dat niets waar is en zelfs dat niet. Het is reden de principiële scepsis die ons sinds de grote deconfiture van de laatste decennia van de twintigste eeuw op alle terreinen tot een tweede natuur is geworden ook op de wetenschap toe te passen. De eersten die dat moeten doen zijn de journalisten. Tenslotte zijn zij onze intellectuele boodschappenjongens en -meisjes. Maar juist zij hebben last van het wittejassen­syndroom. Dat is vreemd en in tegenspraak met hun waakhondfunctie. Komt het wellicht omdat ze zelf ook zo’n ding zouden willen dragen?