Syndroom

Ik weet niet precies wanneer ik het Syndroom van Moeje voor het eerst tegenkwam, maar het moet op een verjaardag zijn geweest, ergens in mijn vroege jeugd. Een kennis van mijn moeder, een dame op leeftijd die door een iets te enthousiast uitgevoerde chirurgische ingreep was toegerust met een permanent verbaasde gezichtsuitdrukking, vertelde een vreselijk verhaal over haar neef, die onder een paard bekneld was geraakt en dientengevolge met een dwarslaesie in een rolstoel belandde. Alle aanwezigen trokken toen pijnlijke, meewarige gezichten of zeiden dingen als ‘vreselijk’ en ‘afschuwelijk’, op één buurman na. Die zei, nadat hij zijn glas bier leegdronk en binnensmonds boerde: ‘Moeje niet onder een paard gaan liggen.’ Er viel een ongemakkelijke stilte. De kennis met de permanent verbaasde gezichtsuitdrukking keek verbijsterd naar de buurman, iemand zei ‘nou, Hans…’ en daarna leidde mijn jongste broer al dan niet bewust de aandacht af door een stuk mokkataart in de kan met citroenlimonade te deponeren.

De scène met buurman Hans schoot me pas jaren later weer te binnen, toen internet alomtegenwoordig was en nieuwssites nog ongefilterde reactiemogelijkheden boden. Meisje (9) stikt in pinda, kon je daar lezen. Man wijkt uit voor vogel en verongelukt. Kleuter valt van tweehoog uit raam. Vrouw sterft aan wespensteek. Onder zulke berichten verschenen vaak lange slierten van anonieme commentatoren, waarin je al snel clusters van gelijkgestemden kon ontdekken. De grote meerderheid van oprecht geschokten, de kaarsjes-plakkende medelevenden, de goedbedoelende adviseurs, de psychisch verwarden. Zowel de menselijke grootsheid als de menselijke nietigheid leek ineens uitstekend te rubriceren. Maar onder iedere ramp, onder ieder ongeluk of naargeestig toeval zag ik ook mensen met het Syndroom van Moeje verschijnen: mensen die leden aan de onbeheersbare neiging hun geluk als een prestatie te beschouwen en andermans ongeluk, logischerwijs, als falen. Mensen die hun eigen fortuinlijke omstandigheden wilden toevoegen aan andermans leed, bij wijze van complementair contrast. Mensen die het simpelweg niet konden laten zichzelf keer op keer een behaaglijk gevoel van eigenwaarde en veiligheid te bezorgen, desnoods over de rug van slachtoffers, pechvogels of achterblijvers.

Natuurlijk zijn ze vooral bezig hun eigen angsten te bezweren, natuurlijk is hun houding één groot ‘dat gebeurt mij niet’, drijvend op een diepe, diepe paniek; maar zij weten dat niet. Dus tikken ze hun zelffelicitaties zonder schroom onder de horror van anderen.

Moeje ook een traphekje plaatsen, schrijven ze. Moeje ook de ramen dicht houden. Moeje niet in een vliegtuig stappen. Moeje op tijd naar de huisarts gaan. Moeje niet op driehoog gaan wonen. Moeje niet autorijden. Moeje niet zo lang wachten. Moeje een brandblusser ophangen. Moeje beter inkopen, moeje niet zo naïef zijn. Moeje geen pinda’s eten.

Huis en haard verloren door een uitslaande brand? Mensen met het Syndroom van Moeje voelen vooral een diepe tevredenheid met hun eigen, onaangetaste stulpje. Dus reageren ze. Want mensen met het Syndroom van Moeje reageren altijd. Ook midden in de nacht, ook wandelend langs een plaats delict, een verfrommelde auto of een omgevallen boom.

De neef van de permanent verbaasd kijkende kennis is recent overleden, heb ik begrepen. Gewoon, van ouderdom. Als buurman Hans nog leeft zal hij daar, een bierglas in de hand, ongetwijfeld een fonkelend inzicht bij paraat hebben.

Vogeltje

Een vogeltje overreden,
over een vogeltje gereden.
Het zat daar midden op de weg
wat lam in kop en leden
en deed niet wat vogeltjes doen
als een auto komt aangereden.

Achteruit in de spiegel stoof het op,
nieuwe avonturen in ’t verschiet.
Hoera, het leefde, want
dooie vogeltjes vliegen niet.

Alsof de streling van mijn chassis
het weer tot leven had gewekt
met vleugeltjes aan elke zij.

Dit dringend eens herhalen
met een hond en God
met mij.

Philip Hoorne
Uit: uitgeverij 521, 2002