Jason Bourne

Syndroom van chaos

De frenetieke visuele stijl van de Engelse regisseur Paul Greengrass zal niet in ieders smaak vallen. In zijn nieuwe blockbuster Jason Bourne, de vijfde in een serie gebaseerd op de jaren-tachtigthrillers van Robert Ludlum, is er haast geen shot van langer dan pakweg vijf seconden.

Medium film

Vaak is het beeld onscherp en onderbelicht. Ook staat de camera nauwelijks stil en is er een overdaad aan close-ups, zo close dat je geen idee hebt wat er nu precies in de specifieke scène aan de hand is.

Weinig andere filmmakers van dit moment vangen zo effectief als Greengrass de sfeer van deze tijd in de vormgeving. Het is onthutsend om Jason Bourne in dezelfde week te zien waarin er een reeks terroristische aanslagen plaatsvindt, er alerts van de ene mass shooting na de andere op mijn telefoon verschijnen, en de verkiezingen in Amerika een nieuwe fase van hysterie bereiken. The Atlantic Monthly schrijft in een analyse over de Amerikaanse politiek: ‘Wat we nu zien is niet een tijdelijke stuiptrekking van chaos, maar een syndroom van chaos.’ Inderdaad, de werkelijkheid raakt onderbelicht en onscherp, het is alsof je naar alles kijkt, maar niets ziet, omdat je constant met de ogen staat te knipperen uit verbazing terwijl de angst en onzekerheid toenemen over wat de volgende uren zullen brengen.

In de chaos tiert het wantrouwen in de overheid, in iedere vorm van autoriteit, welig. Ludlums personage Jason Bourne belichaamt dit idee. Hij is een man zonder identiteit, jaren geleden opgevist uit de zee na een gewelddadig incident, opgelapt door een alcoholistische arts die constateerde dat hij een extreme vorm van geheugenverlies leed, en sindsdien (in de films van Greengrass) in het vizier van assets van de Amerikaanse geheime diensten die hem dood willen vanwege zijn kennis over illegale undercover-praktijken. Sinds Greengrass’ twee eerdere Bourne-films uit 2004 en 2007 (er zijn er nog twee in de serie, gemaakt door andere regisseurs, maar die zijn te slecht om serieus te nemen) is er aan deze stand van zaken weinig veranderd. In Jason Bourne krijgt de hoofdpersoon, gespeeld door Matt Damon, nieuwe informatie over zijn verleden en dreigt een geheime overeenkomst tussen de cia en een sociale-mediabedrijf over het doorspelen van privé-gegevens van gebruikers te worden onthuld (een commentaar op de zaak van eerder dit jaar waarin de fbi druk uitoefende op Apple om iPhones te kunnen kraken).

Wat we zien in Jason Bourne is niet per definitie wat er echt aan de hand is. Het beeld is ambigu, een reflectie van een onwaarheid die haar neerslag vindt in de oogverblindende montage. Twijfel overheerst alles. Moraliteit staat ter discussie, bij de cia-directeur (Tommy Lee Jones) en zijn beoogde opvolger, een gladde, jonge vrouw (Alicia Vikander), maar ook bij Bourne zelf. Immers, ooit werd hij gerekruteerd als agent voor black ops, clandestiene operaties van de geheime diensten die aan geen enkele democratische controle onderhevig zijn. Zo herkenbaar is dit alles dat de kijker onwillekeurig slachtoffer wordt van het ziektebeeld van de chaos. Zonder iets te verklappen: wanneer Bourne aan het eind van de film dit alles de rug toekeert, ga je met hem mee.

Nu te zien


Beeld: Matt Damon als Jason Bourne in de gelijknamige Film (Universal Pictures International Netherlands)