Australische wetenschappers proberen koraal te kweken dat hogere temperaturen kan weerstaan, om zo het Great Barrier Reef te redden. Queensland, oktober 2019 © Jonas Gratzer / LightRocket /Getty Images

Soms probeer ik me een voorstelling te maken van de evacuatie van Amsterdam, van het moment, ergens in de volgende eeuw, dat de kosten van de dijkverhogingen niet meer opwegen tegen de baten, en de inwoners van de grachtenpanden naar het oosten vluchten, op zoek naar droge grond. Hoe de zee over de Dam zal stromen, hoe er vissen zullen zwemmen door de ruïne van wat ooit het Rijksmuseum was.

Wanneer beginnen we de kunstwerken in veiligheid te brengen? Wanneer zegt de burgemeester ‘het is mooi geweest, dit gaat niet langer’? Moet er eerst een tweede watersnoodramp plaatsvinden? Een derde? Zal het moment überhaupt komen?

Nadat orkaan Katrina een humanitaire ramp had aangericht in New Orleans adviseerden sommige experts dat het misschien niet zo verstandig was om de miljoenenstad, die ligt in een moerassige delta waar de grond erodeert en de kustlijn steeds dichterbij komt, opnieuw op te bouwen. Misschien is het wijzer om ons terug te trekken, om dit land ‘terug te geven aan de natuur’, zoals dat dan heet. Maar zo steekt de mens niet in elkaar, toont Elizabeth Kolbert in Onder een witte hemel. De mens is niet zomaar bereid de controle over de natuur op te geven. Integendeel: ‘Als beheersing het probleem is, moet volgens de logica van het Antropoceen nóg meer beheersing een oplossing bieden’.

Evacuatie mag dan onvermijdelijk zijn, voorlopig bouwt de mens hogere dijken

Kolbert is journalist van The New Yorker en schreef eerder boeken over klimaatverandering (Field Notes from a Catastrophe, uit 2006) en de biodiversiteitscrisis (The Sixth Extinction, waarvoor ze in 2015 de Pulitzerprijs ontving). Het knappe aan haar aanpak is dat Kolbert een meester is in het journalistieke cliché show, don’t tell, zelfs bij overweldigende onderwerpen die zich doorgaans moeilijk laten zien. Dat doet ze door op pad te gaan met wetenschappers, bijvoorbeeld naar een dorp in Antarctica dat vrij letterlijk dreigt weg te smelten, of de jungle in, om verslag te doen van de verdwijning van een speciaal soort gifkikker. Kolbert heeft een talent om complexe materie glashelder uit te leggen, zonder dat het uitleggerig wordt. Haar genre zou je nog het best kunnen beschrijven als literaire wetenschapsjournalistiek.

Daar is ook Onder een witte hemel een indrukwekkend voorbeeld van, al is het ditmaal moeilijker om het onderwerp te vatten in één woord. Zelf omschrijft ze het als een boek dat gaat over ‘mensen die problemen proberen op te lossen die zijn gecreëerd door mensen die problemen probeerden op te lossen’. Ze beschrijft hoe Amerikaanse natuurbeschermers rivieren onder stroom zetten om te voorkomen dat zilverkarpers, een invasieve soort uit China, de Grote Meren bereiken. In Australië aanschouwt ze de kunstmatige inseminatie van koralen, in een poging de evolutie een handje te helpen en koraalriffen te kweken die kunnen overleven in de opwarmende en verzurende oceaan. En ze vertelt hoe de crispr-cas-techniek ons de mogelijkheid biedt om reuzenpadden minder giftig te maken en malariamuggen uit te roeien – met alle risico’s van dien.

Zelfs wanneer je denkt dat Kolbert bekend terrein betreedt weet ze te verrassen, zoals in het hoofdstuk over geo-engineering, waarin ze laat zien dat dit helemaal niet zo’n recente vorm van megalomanie is. Toen Amerikaanse wetenschappers president Carter in 1965 voor het eerst op de hoogte brachten van de risico’s van klimaatverandering, stelden ze als oplossing voor om ‘reflecterende deeltjes te verspreiden boven de oceanen’ zodat ze het zonlicht kunnen weerkaatsen. Blijkbaar was het beheersen van het klimaat ook toen al makkelijker voorstelbaar dan het ontmantelen van de fossiele economie.

Kolbert is een verslaggever die haar oordeel opschort, zonder dat ze zichzelf reduceert tot een doorgeefluik. Ze kan een hoofdstuk over genetische manipulatie beginnen met een alinea over Noorse mythologie en een reportage vanaf de Chicago-rivier met de opmerking dat de verleiding soms bijna té groot is om de rivier als een metafoor te zien. Wanneer ze een persbericht krijgt van een start-up die belooft om tegen betaling CO2 uit de lucht op te vangen en ondergronds op te slaan, is haar eerste reflex niet om de e-mail naar de spambox te slepen, maar pakt ze haar creditcard en meldt ze zich aan – om een paar jaar later langs te gaan bij het bedrijf om te kijken waar die CO2 waarvoor ze heeft betaald eigenlijk gebleven is. Je proeft haar scepsis voor de plannen om onze grip op de natuur te verstevigen, maar ze laat zien dat veel van de wetenschappers die aan deze plannen werken deze scepsis delen. De synthetische wolken, de genetisch gemanipuleerde reuzenpadden, de geëlektrificeerde rivieren – het zijn geen uitvindingen van zelfgenoegzame techno-optimisten, maar noodoplossingen van wanhopige wetenschappers. Want: ‘wat is het alternatief? Door dergelijke technieken als onnatuurlijk van de hand te wijzen, krijg je de natuur niet terug.’

Het mag geen verrassing heten, gezien de onderwerpen van haar eerdere werk, maar Onder een witte hemel is Kolberts meest humanistische boek tot nu toe. Ze biedt geen valse hoop, daarvoor is ze zich te goed bewust van wat het betekent om in het Antropoceen te leven, maar ze aanschouwt onze vergeefse controlezucht, met een zekere vertedering, misschien zelfs bewondering. Evacuatie mag dan onvermijdelijk zijn, voorlopig blijft de mens hogere dijken bouwen.