Syrische vluchtelingen vrezen Turkse martelingen

Ras al Ayn – ‘Als ik het niet doe, doet iemand anders het wel.’ Mame Kurian is 28 en stijgt daarmee in leeftijd ver boven het gemiddelde uit. Veel van zijn collega-mensensmokkelaars zijn jonger dan vijftien jaar. Als minderjarigen lopen ze minder risico om opgepakt en gemarteld te worden.

Kurian regelt dan ook slechts de formaliteiten aan de Syrische kant van de grens. ‘Soms betaal ik de Turkse grenswachten, zodat die wegkijken wanneer de vluchtelingen passeren.’ Jonge jongens lopen met de illegale migranten mee. ‘Ze weten waar de mijnen liggen en kunnen die omzeilen. Eenmaal in Turkije weten ze waar het busje staat om de vluchtelingen op te pikken.’

De laatste tijd heeft Kurian het lastiger. Weinig mensen durven nog de Syrisch-Turkse grens te passeren. ‘De verhalen over de martelingen door Turkse soldaten zijn geen verzinsels’, weet de smokkelaar. In zijn huis, een paar honderd meter van de grens, ligt een man, zwaar toegetakeld door Turkse grenswachten, niet in staat te spreken. Op zijn rug diepe, rode lijnen; zijn hele lichaam werd met een zweep onder handen genomen. ‘Ze hebben hem gisteren teruggestuurd’, vertelt Kurian. ‘Maar hij probeert het straks, tegen de avond, opnieuw. Hij heeft niets te verliezen, want hier heeft hij alles al verloren.’

Iets verderop ligt Shahan Mutazar met twee anderen in een kleine, muffe ziekenhuiskamer. Met een deken verhullen ze hun blote bovenlichaam en benen. ‘Ze hebben ons teruggestuurd in onze onderbroek’, vertelt hij. Zijn been is op verschillende plaatsen gebroken. ‘Ze gooiden ons op de grond en hielden hun wapen tegen ons hoofd’, vult medepatiënt Abu Mahmoud aan. ‘Ik dacht dat ze me zouden neerschieten.’

Ook bij Mutazar zakte de moed in de schoenen. ‘Ze namen alles af. Ons geld, onze telefoon, zelfs onze kleren.’ Het drietal wacht nu op de mogelijkheid om terug te keren naar huis, of wat er van hun huis is overgebleven. ‘Ik ga terug naar Damascus. Daar heb ik niets meer, geen familie, geen huis, maar deze vernedering wil ik niet nog een keer ondergaan’, zegt Abu Mahmoud.