Het is altijd één armetierig zinnetje. Dat weet ik wel maar ik verbeeld me iets. Zelfbeheersing. Begrip. Doorzettingsvermogen. Ik ben niet iemand die de telefoniste uitfoetert. Telefonistes kunnen er immers ook niets aan doen. Die mensen zitten in hetzelfde parket; de truc is om je medegevangene niet voor cipier aan te zien. Ik staar naar buiten en negeer, zo goed als dat gaat, de wachtmuziek. Een samengaan van Egyptische hotellobby, een zingende sociopaat en een gedateerde attractie uit de Efteling. ‘Er zijn nog vier wachtenden voor u.’

Het regent hard. Aan de overkant van de straat klappert een natte plastic zak aan de tak van een boom. Er staat een doos naast de afvalbak, die weer vol lijkt te zijn. Een meeuw kijkt er vanaf een ondergescheten lantaarnpaal gelaten naar. De urgentie bestaat alleen aan mijn kant, dat moet ik onthouden. Niemand anders kent de voorgeschiedenis, de rondleidingen door steeds onbetaalbaarder huizen, de weggestreepte wensen, de steeds wanhopiger pogingen, de precieze omstandigheden waarin deze zoektocht plaatsvindt, de uitputtende huiselijke stoelendans, het sluipen omdat er altijd wel ergens een kind slaapt of huiswerk moet maken, het verhuizen van de keukentafel naar de overloop, van de overloop naar de gang, van de gang naar de badkamer. ‘Er zijn nog drie wachtenden voor u.’

Eenmaal kreeg ik een echt mens aan de lijn. Een vrouw met een vriendelijke stem die het ‘helemaal’ begreep, maar ‘helaas’ niets kon doen. ‘U kunt echt alleen via de speciale app reageren, dat is het systeem.’ Het huis dat plotseling was opgedoken, als een droompartner op een datingprofiel, aantrekkelijk en zelfverzekerd, liet zich via geen enkele andere weg benaderen. Maar de ‘speciale app’ meldde telkens opnieuw een technische fout, laadde geen gegevens, werd opnieuw geïnstalleerd, volledig ingevuld en toonde toen: in afwachting van behandeling. Dat had dat ene armetierige zinnetje al kunnen zijn (‘Ja, we zijn verdomme allemáál in afwachting van behandeling, dit hele land is verdomme in afwachting van behandeling!’) maar ik begreep het, hernam me, belde opnieuw. Uren gingen voorbij. Ik stelde me het huis voor, dat in mijn hoofd was uitgegroeid tot onze Allerlaatste Kans, en zag een lange rij wachtende mensen voor me; mensen zoals wij. Met ieder uur dat verstreek stapten ze vóór ons, glanzend van geluk, richting de felbegeerde voordeur. Wij bewogen intussen achterwaarts, de stoep af, tussen de geparkeerde auto’s door, de weg op.

Wachtmuziek. Meer wachtmuziek. Het huis, zie ik, is inmiddels al van de website verdwenen.

Dan klinkt dat ene, armetierige zinnetje: ‘Deze verbinding wordt om technische redenen verbroken.’ Oh, het bulderen dat volgt, het schaamteloze, redeloze razen, het vervloeken, verketteren, bedreigen en verpletteren; het is allemaal in het luchtledige, het is tegen iedereen, tegen niemand, tegen het systeem. Een bom erop. Een mes erin. Steeds vaker denk ik: wie iets van menselijke beschaving wil begrijpen, moet niet kijken naar de maatvoering van de macht, maar naar de omvang van de onmacht.

Dingen die niet vanzelf goed gingen

Er waren dingen die niet vanzelf goed gingen. Porren, er
moest gepord worden. Gesjouwd. Besproken. Geregeld.
Het nerveuze systeem ging ervan in een driedimensionale
versnelling. De geest ging in de kelder zitten rillen. Er
werden dingen gesjouwd, besproken, geregeld. Er begon-
nen dingen te gebeuren. Dingen die niet vanzelf goed
gingen. Deze moesten opnieuw worden bekeken. Er
moest opnieuw met de dingen worden gesjouwd. Er werd
weer besproken en geregeld. En nog eens. Het nerveuze
systeem schakelde over naar een vierde dimensie. Die nog
niet door het universum was ontketend. Dus dat moest
ook weer worden geregeld. Bij elkaar gesjouwd. Bespro-
ken. Gepord. Papieren ondertekend.

Sylvia Hubers
uit: God gaf ons apparaten, 2012