Waarom doet Nederland niets met de ITS-kopie?

Systematiek van het kwaad

Onderzoek naar de holocaust is in een stroomversnelling gekomen door de digitalisering van het archief van de International Tracing Service. Maar Nederland lijkt nauwelijks geïnteresseerd te zijn.

Op 1 maart stond het groot in The New York Times, onder de kop ‘The Holocaust Just Got More Shocking’. Een artikel over het tweede deel van The United States Holocaust Memorial Museum Encyclopedia of Camps and Ghettos, 1933–1945. Dit ‘volume II’ telt meer dan tweeduizend pagina’s en beschrijft net als het eerste deel, dat in 2009 verscheen, zo’n vijftien­honderd kampen en tewerkstellingsplaatsen. Uiteindelijk zullen alle gevonden 42.500 locaties worden beschreven en gaat de encyclopedie in elk geval vijf delen beslaan. Vernietigingskampen. Verelendungskampen. Doorgangskampen. Maar ook duizenden en nog eens duizenden tewerkstellings-, dwangarbeids- en straflocaties.

Volgens historici Geoffrey Megargee en Martin Dean, die de redactie van de holocaustencyclo­pedie voor hun rekening nemen, verbleven vijftien tot twintig miljoen mensen in die kampen. Behalve joden, krijgsgevangenen, politieke gevangenen en zigeuners ook veel tewerkgestelden en niet-politieke strafgevallen. En volkomen willekeurig gedeporteerden, zoals slachtoffers van razzia’s en represailles. Het totale dodental is nog steeds onbekend. Toen ze begonnen wisten ze dat het er veel waren, maar deze schaal hadden ze destijds niet kunnen bevroeden. Zelfs bij de publicatie van het eerste deel nog niet.

Voor de samenstellers is dit een eerste aanzet tot een volledig overzicht van de logistieke planning en organisatiestructuur van het Derde Rijk als ‘de context waarin de holocaust kon plaatsvinden’. Want dat overzicht ontbrak tot op heden. Soms is uit de vaste herdenkings­patronen de indruk ontstaan dat alle details over de naziterreur wel bekend zijn. Maar veel kennis bestond voorheen alleen lokaal. Nieuwe verbanden kunnen pas in dit digitale tijdperk worden gelegd. Het onderzoek van Megargee en Dean is een van de vele, internationaal, die in een stroomversnelling zijn gekomen met de digitalisering en ontsluiting van het gigantische archief van de International Tracing Service (its) in het Duitse Bad Arolsen, de voornaamste bron.

In de zes pakhuizen van de its zijn na de oorlog zo’n tachtig miljoen documenten samengebracht, waaronder vijftig miljoen over personen. Het oorspronkelijke doel was informatieverschaffing aan verwanten over doden dan wel overlevenden, de Displaced Persons. Het Rode Kruis nam direct na afloop van de oorlog de verantwoordelijkheid voor het samengestelde archief – gevonden kampadministraties, nazibescheiden, archieven van arbeids- en verzekeringsorganisaties, deportatielijsten en geallieerde militaire inventarisaties – en zou het meer dan zestig jaar beheren. Het bleef ook gegevens uit lokale Duitse archieven verzamelen.

Langzaam verschoof het accent in het gebruik: van overlijdensvaststelling en repatriëring naar documentatieverschaffing voor claims en rechtsherstel. Uiteindelijk transformeer­de het archief tot een bron van historisch onderzoek. Maar zelfs dit gigantische archief is verre van compleet. Het grote moorden in Oost-Europa kende nauwelijks administratie, en wat er was verdween in de jaren vijftig achter het IJzeren Gordijn. Met het oprukken van de geallieerden zijn op grote schaal gegevens verdonkeremaand. Er waren bombardementen en branden.

En digitalisering brengt ook problemen met zich mee. Gescand betekent nog niet: ontsloten, dus doorzoekbaar gemaakt. De basisinformatie moet – correct! – overgetypt worden en dan voorzien van zoektermen. Digitalisatie betekent ook niet, zoals veel mensen denken, dat het daarmee klaar is om online te worden gezet. Raymund Schütz, archivaris bij het Rode Kruis in Den Haag, zegt: ‘Wat ik jammer vind, is dat digitalisatie vaak als een puur technisch verhaal bekeken wordt. Hoe ziet het eruit, hoe snel is het systeem? Maar er zijn ook inhoudelijke valkuilen die vermeden moeten worden.’

Eén zo’n valkuil is wat je ‘schijnpreservatie’ kunt noemen. Bijvoorbeeld: archieven zijn ooit op microfiche aangeleverd bij Bad Arolsen en dus zwart-wit geworden. Daarbij zijn alle aantekeningen in rode inkt weggevallen, en niemand realiseert zich het grote verschil met het origineel. Een andere valkuil is de context: iets is destijds verkeerd gearchiveerd, dus altijd als iets anders geïnterpreteerd dan het was. Goed beheer van oorspronkelijke archieven blijft dus altijd nodig. Niet elk slachtoffer en elk detail zal teruggevonden kunnen worden. Niet terug te vinden betekent niet: er nooit geweest. ‘Als je je dat maar blijft realiseren, kun je wel een heel eind verder komen’, zegt Schütz. In elk geval kunnen er belangrijke nieuwe inzichten opgedaan worden over miljoenen slachtoffers. Waarvan een nog altijd onbekend aantal uit ­Nederland.

Internationaal is er veel aandacht geweest voor de openstelling van de its. Het originele archief blijft in Bad Arolsen, het behoud wordt betaald door de Duitse staat, maar het is nu de taak van de elf landen van de Internationale Commissie om het gebruik ervan in het digitale tijdperk inhoud te geven. Zij moeten gegevens verder interpreteren en toegankelijk maken voor hun eigen bevolking. Daarom heeft elk participerend land niet alleen recht op een digitale kopie van de archieven – iets meer dan zes terabyte – maar ook de morele plicht om daar iets mee doen.

Of, en zo ja hoe, dat gebeurt, verschilt van land tot land. Achtereenvolgens Israël, de Verenigde Staten en België hebben hun its-kopie ontvangen en operationeel gemaakt. Groot-Brittannië is bijna klaar en zal haar versie in oktober in de Wiener Library presenteren, tegelijk met het begin van een grootscheeps onderzoek naar de familieleden van de leden van de Kindertransporten naar Londen vanaf 1938. Luxemburg, Frankrijk en Polen (de laatste samen met de Baltische Staten) zijn er ook volop mee bezig. Italië en Griekenland hebben hun kopieën en plannen, maar geen geld. Nederland is het enige land dat er nog helemaal niets mee heeft gedaan.

En dat terwijl juist Nederland met zijn enorme percentage weggevoerde joden, in elk geval een half miljoen grotendeels gedwongen arbeiders in Duitsland, en heel veel verdwenen administratie, nog zo ontzettend veel te ontdekken en te verifïëren heeft in de its. Getuige de hoeveelheid oproepen in herdenkingsbladen en op internetprikborden zijn er nog heel veel mensen die vragen hebben over het oorlogslot van familieleden (‘Omdat onze vader maar moeilijk kon praten over…’). Openbaarheid (kijk zelf!) is een ‘beleidsspeerpunt’ om nieuwe generaties te interesseren voor de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog.

De Nederlandse kopie van de its ligt nog in Bad Arolsen. Er is niet eens bepaald waar hij zou moeten komen als hij aanvaard wordt, want zelfs dat is niet zeker. Het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Niod) zou de meest logische kandidaat zijn. Maar dat heeft minder ervaring met ontsluiting voor een groot publiek dan het Nationaal Archief, dat de laatste jaren interactief sterk aan de weg timmert. Sinds 2006 ligt daarom de vraag open: wie gaat het doen, en vooral, wie gaat het betalen? De pas aangetreden directeur Collectie Diensten van het Niod, Puck Huitsing, voormalig interim bij het Nationaal Archief en daarvoor directeur Oorlogsgetroffenen bij vws, zegt: ‘Het is echt niet dat we niet dolgraag iets met de its zouden willen, maar we gaan niet 29 servers in de kelder zetten. Dat wérkt ook niet.’ Hoewel dat precies is wat in andere landen wél werkt.

In België bijvoorbeeld kreeg het Rijksarchief in Brussel in 2009 de its-kopie, die twee jaar later werd opengesteld. Het ontwikkelde – ook om hoge licentiekosten voor het bestaande systeem te vermijden – zelf een xml-systeem waarbij de gegevens technisch en thematisch herschikt werden in clusters. Dat maakt het mogelijk voor iedereen, óók voor individuele burgers, om in de leeszaal zélf te zoeken in de gegevens. Eerst wordt een vooraanvraag gedaan en op basis daarvan wordt bepaald in welk cluster (of clusters) het antwoord te vinden moet zijn. Die worden dan op afspraak geopend in een werkterminal. Dat verkleint de benodigde ­computercapaciteit en vergroot de kans op vondsten zonder dat iemand het spoor bijster raakt. Archivaris Filip Strubbe licht toe: ‘Ons systeem geeft vrijheid van ­onderzoek, waarbij belangrijke ­aanvullende informatie toch aangereikt kan worden door ervaren archiefmedewerkers. En vice versa kunnen wij ook leren van onderzoekers.’ Voor de hele implementatie was niet meer dan tachtigduizend euro nodig.

Had dat nou niet ook in Nederland gekund? ‘Ons lijkt remote access, dus een terminal met een directe verbinding met Bad Arolsen, op termijn het beste’, zegt Puck Huitsing van het Niod. ‘Maar ja, dat is wel heel erg duur.’ En het is eenrichtingsverkeer: Nederland doet dan zelf niets aan een relevante ontsluiting. Huitsing: ‘Zo’n kopie veroudert, qua informatie. Of anders het systeem wel weer.’

De Brusselse archivaris Filip Strubbe is het daar niet mee eens: ‘Neen, dat is geen beletsel. Je kiest natuurlijk voor een systeem dat goed ­geupdate kan worden. En nieuwe informatie komt er uit Duitsland nauwelijks meer bij. Al wat daar nog rest is een archief van naoorlogse zoekaanvragen. Wat interessant is voor onderzoek hebben we nu.’

‘Ik wil de geschiedenis niet herschrijven, maar ik wil dat de oorlogsgeschiedenis in de volle breedte wordt ontsloten’, zei Jet Bussemaker, toen staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in 2008 bij een van de presentaties van het project ‘Erfgoed van de Oorlog’. Ambitieus. Tussen 2007 en 2010 werd dan ook 21 miljoen beschikbaar gesteld om allerlei documentatie uit de oorlog in nieuwe vormen te presenteren aan de Nederlandse bevolking. Er werd eindelijk iets gedaan aan informatieleemtes met betrekking tot Nederlands-Indië. Er kwam ook een broodnodige gids van goede informatiebronnen online. En er werden lokale en landelijke archieven gedigitaliseerd. De groots opgezette nps-documentaireserie De oorlog werd ervan gemaakt. Die kwam eigenlijk te vroeg uit om nieuwe inzichten, opgedaan tijdens het erfgoedproject, erin te verwerken. Het archief dat in de serie het meest gebruikt werd, was dat van Beeld en Geluid, dat uit de oorlogsjaren vooral Polygoon-propaganda bevat.

Voor het Rode-Kruisarchief – waar per week nog altijd tien tot twintig persoonlijke informatieverzoeken van nabestaanden ­binnenkomen – werd vier ton beschikbaar gesteld om het gedeeltelijk te digitaliseren. Helemáál zou te duur zijn. Maar nu hoefden medewerkers in elk geval de meest kwetsbare delen niet steeds meer aan te raken. Je zou denken dat de its-kopie, waarin alle beelden al gedigitaliseerd zijn, een bijna vanzelfsprekend onderdeel van dit project had moeten zijn. Maar er schenen veel meer beren op de weg te liggen dan bij allerlei andere databases en digitale monumenten. Dan gaat het over privacy, bijvoorbeeld. Huitsing van het Niod stelt: ‘We hebben nou eenmaal een heel strenge wetgeving wat dat betreft. Er mag niemand schade berokkend worden.’ Strubbe, van het Rijksarchief in Brussel, nuanceert dat: ‘België kent op zich strengere archiefwetten dan Nederland. Maar daar is goed mee te werken. En ik heb nog nooit meegemaakt dat een over­levende zei: ik wil niet dat dit in te zien is. Integendeel. Dus, schade, voor wie dan?’

In 2007 al, ten tijde van de ratificatie van de afspraken over de openbaarmaking van de its, schreef Eric Black, auteur van onder meer IBM and the Holocaust, over ‘European sensitivities’ die het volledig ontsluiten van de archieven op dat moment zouden bemoeilijken. De ‘Treaty’ die leidde naar het vrijgeven aan de verschillende landen zou met moeite tot stand zijn gekomen, zo hadden betrokkenen bij het United States Holocaust Memorial Museum (ushmm) hem verteld. Onder de elf landen zouden er enkele zijn die moeite hadden met universele toegang, omdat er inhoud zou zijn die tot ‘verwarring’ zou kunnen leiden. Black citeert een brief aan het ushmm van enkele gezamenlijke organisaties van overlevenden waarin die speculeren over de restricties: ‘(…) waarschijnlijk op een wijze die individuele en zakelijke betrokkenheid bij dwangarbeid moet maskeren’.

Volgens een Amerikaans Congreslid zou in elk geval Italië moeilijk hebben gedaan, vanwege een conflict tussen nabestaanden en verzekeringsgigant Generali over polissen uit de jaren dertig. Maar meer landen, niet bij naam genoemd, voelden zich ‘ongemakkelijk’ bij de gedachte over wat er wel niet allemaal uit de Bad Arolsen-archieven naar boven zou kunnen komen, vooral bij grootschalig, thematisch onderzoek.

Op de vraag of er in de zes jaren die volgden ooit bij het ministerie is gesproken over, excusez le mot, mogelijke lijken in de digitale archiefkast en hoe daar dan mee om te gaan, reageert Marcel Floor, directeur afdeling Oorlogsgetroffenen van het ministerie van vws, stekelig: ‘Ik zou niet weten waar u op doelt.’

Nou, om een voorbeeld te geven: uit de digitalisering van verschillende gemeentearchieven blijkt nu de schaal van gedwongen tewerkstelling van Nederlandse werklozen naar Duitsland, ook vóórdat de bezetter dat eiste en zelfs vóór de bezetting überhaupt. Het gaat om duizenden mensen waarvan nooit is onderzocht wat er eigenlijk met ze is gebeurd. Het antwoord zit misschien in de its. Wat als er pijnlijke gevolgen blijken te zijn van Nederlands ambtelijk opportunisme? Dan is de Nederlandse staat daar toch verantwoordelijk voor? Het is toch niet zo raar om rekening te houden met die mogelijkheid? Floor, kwaad: ‘Nee, dat is niet aan de orde geweest. Ik kan niets met dat soort insinuaties.’ Einde gesprek.

Misschien is Nederland gewoon niet erg opmerkzaam en is er niet meer aan de hand. Misschien wordt de its, en digitale research in het algemeen, niet genoeg op waarde geschat. In de beleving van beleidsmakers en instituten is digitalisering een noodzakelijk kwaad voor behoud in de toekomst, maar vreest men voor het lot van de originelen. En als alles online komt, is het, waar er geen privacy in het geding is, leuk en interessant voor individuen, om ‘betrokken’ te zijn bij de geschiedenis, maar meer ook niet. Hoge cijfers in webbezoek zijn goed voor subsidieaanvragen en dergelijke. Maar databases komen online naar ‘geneologisch model’, met weinig meer zoekmogelijkheid dan op naam, en scans die alleen stuk voor stuk, tegen betaling van prijzige credits, zijn in te zien. Van besef wat grootscheepse digitale research precies is, en hoe dat verschilt met onderzoek voorheen, blijkt in elk geval nog niet veel.

Dus ook niet dat met de its voor het eerst grote hoeveelheden informatie met elkaar vergeleken kunnen worden op voorheen onbekende of onvermoede patronen. Er kan dan veel boven water komen over ‘de context waarin de holocaust kon plaatsvinden’, zoals Martin Dean het noemt. De transportlogistiek van één bepaalde dag kan heel leerzaam zijn. Als in een alfabetische weergave van met zoektermen opgeroepen namen ineens ook kampnummering exact oploopt, weet je dat de alfabetische lijst eerder moet hebben bestaan, en dit kan heel significant zijn. Lokaal handelen en de gevolgen daarvan in de verschillende bezette landen kunnen nu pas echt grootschalig met elkaar vergeleken worden. Achter wat op plaatselijk niveau voorheen niets meer dan willekeur of alleen maar wreedheid of lafheid leek, blijken vaak wel degelijk kille keuzes van hogerhand te steken.

Researchers in verschillende landen kunnen gezamenlijk onderzoek doen, ieder met een plaatselijke insteek: de methode-Eric Black, die werkt met groepen researchvrijwilligers die gezamenlijk zo veel mogelijk toegang hebben tot archieven. Dat kan alleen maar als zij of online, of op korte afstand (geen verblijfkosten) van leeszalen, hun onderzoek kunnen doen. De European Holocaust Research Infrastructure (ehri) probeert geïnstitutionaliseerd iets soortgelijks met zelfstandige Europese onderzoekers, maar wat dat precies moet worden behalve een mooie website en een hoop gezwollen eurospeak is nog niet helemaal duidelijk. Bovendien gaat het dan om de holocaust in de meest strikte definitie: de moord op zes miljoen joden. Dat is niet hetzelfde als alle machinaties van het Derde Rijk en de paladijnen daarvan.

Het is niet voor niets dat de Amerikaanse instituten zich wat protectionistisch opstellen waar het researchtoegang tot de ushmm-kopie van de its betreft. Men verwacht grootse vondsten, en die moeten liefst van eigen bodem komen. Het zou jammer zijn als Nederland wat dat betreft de boot gaat missen. Het zou extra pijnlijk zijn als er in Amerika – waar de nuance in interpretatie soms wat ontbreekt – of in Groot-Brittannië of België ontdekkingen worden gedaan die Nederland betreffen. Alleen omdat onderzoekers ‘oude stijl’, beleidsmakers en beheerders niet goed begrijpen hoe nieuw digitaal onderzoek precies werkt. Liever vasthouden aan de notie dat we alles wel zo’n beetje weten. En het misschien iedereen ook beter uitkomt als bestaande inzichten behouden blijven.

Maar we weten nog helemaal niet alles. Behalve over het onnozele uitleveren van werk­lozen aan de Duitse oorlogsindustrie weten we ook weinig over de gevolgen daarvan. Persoonlijke gevolgen, voor hen, maar ook wat dat de nazi’s opgeleverd heeft. Er zijn nog talloze voorbeelden van kwesties die schreeuwen om nadere belichting. Het lot van aan de grens teruggestuurde, maar zo goed geregistreerde joden uit de Duits-Nederlandse grensstreek (blijkens gemeentearchieven en marechaussee), de joodse werkkampen, de niet-joodse werkkampen, wie de gedeporteerde ‘asocialen’ eigenlijk waren (kamp Amersfoort), waar de rest van de 2732 voor de oorlog geregistreerde Roma eigenlijk bleven (Centraal Bevolkingsregister), hoeveel ‘reizigers’ er naast de 243 naar Auschwitz gedeporteerde ‘raszuivere’ Sinti eigenlijk weggevoerd zijn. Op de Internationale Roma-conferentie ‘Roma between Past and Future’, vorig jaar in Amsterdam, besprak een groep Europese onderzoekers de mogelijkheden om met digitale research eindelijk eens tot deugdelijke cijfers te komen van hun aan de holocaust ‘parallelle genocide’ – tot nu toe altijd slechts slordig geschat. Het is maar een kleine greep uit het onontgonnen gebied waar de its-bestanden waarschijnlijk licht op kunnen werpen.

David Barnouw, persvoorlichter van het Niod, zegt: ‘Ik betwijfel het, of er werkelijk zo veel in die its zit. Zoals de Arbeidsinzet, daar zijn toch boeken vol over geschreven. Maar als je iets uit te vinden hebt, dat Bad Arolsen is toch helemaal niet zo ver? Of anders naar Brussel! Leuk tripje!’

De lakse omgang van Nederland met de its-kopie benadeelt Nederlandse onderzoekers ten opzichte van internationale, zelfs waar het over Nederland gaat. En het is meer dan dat, het is een morele schande. Een affront tegenover zowel de beheerders van Bad Arolsen als de afgesproken internationale samenwerking. Maar helemaal ten aanzien van de (slinkende) groepen overlevers en de (groeiende) groepen zoekende nabestaanden. De kopie moet dus onmiddellijk opgevraagd worden en geschikt gemaakt voor research, liefst naar Brussels voorbeeld.