Media

’t Felste wapen

Een paar dagen geleden hield de president van de Syrische journalistenbond een toespraak waarin hij niet alleen beweerde dat het conflict in zijn land in de media geboren was maar ook dat het de media waren die het vuur brandend hielden.

Medium schermafbeelding 2013 06 03 om 10.24.39

Geen mens besteedde aandacht aan die woorden, behalve de Pravda en een enkele Cubaanse nieuwssite. Het is onzin, maar wel interessante onzin omdat naast het vreselijke gevecht met wapens vanzelfsprekend ook nog een ander gevecht plaatsvindt. Weliswaar is dat niet zo belangrijk als Elias Murad, genoemde president, beweert, maar belangrijk is het wel.

Iedereen heeft de neiging de gebeurtenissen in Syrië te relateren aan de Arabische lente. Dat is tot op zekere hoogte terecht. Zonder die lente was het welhaast zeker zo ver (nog) niet gekomen. In die lente speelden media, de sociale voorop, een cruciale rol. Dat was in Syrië om twee redenen (lage penetratie internet, scherpe dictatuur) minder sterk het geval dan elders maar toch. Dit te meer omdat sinds het begin van het nieuwe millennium ook daar enige journalistieke vrijheid was gekomen terwijl het internet evenmin volledig afgesloten was. Maar de strijd met de wapens was nog niet begonnen of ‘de pen’ kreeg een andere en bescheidener rol: van verslaggever, commentator, aanspoorder en opstoker.

Maar al is de rol van de media binnen Syrië gering, buiten het land is de Syrische oorlog vooral een mediastrijd. Als die eenmaal gewonnen is, zo denken de tegenstanders van het regime, kan de buitenwacht niet anders dan ingrijpen. De kans dat zoiets gebeurt is echter klein zolang onder meer de Russen daarvan niet willen weten. Daarom ook is dat bericht in de Pravda interessant. Het illustreert dat er aan die kant weinig bereidheid bestaat om Assad aan te pakken.

Assad zelf weet verduveld goed hoe belangrijk dat internationale mediaspel is en steunt om die reden ook het zogenoemde Syrian Electronic Army. Een prachtige, veelzeggende benaming overigens. Het heeft in de afgelopen maanden een aantal fraaie wapenfeiten op z’n conto geschreven, met als een van de laatste het hacken van de website van The Guardian. Maar eerder al werden onder meer de BBC, Human Rights Watch, Al Jazeera en de Amerikaanse satirische website The Onion geïnfiltreerd. De reden is telkens dezelfde en in het geval van The Guardian eenvoudig te begrijpen: krant en website hebben voortdurend en kritisch over het Syrische conflict gerapporteerd en in een enkel geval zelfs pijnlijke informatie naar buiten gebracht (de zogenoemde Assad-e-mails). Maar de Syrische hackers wisten af en toe hard terug te slaan. Hun grootste succes bereikten ze met een fake tweet van Associated Press op dinsdag 23 april. In die tweet viel te lezen dat er twee explosies in het Witte Huis hadden plaatsgevonden en dat Obama gewond was geraakt. Het bericht werd snel gerectificeerd maar veroorzaakte niettemin een korte tweetstorm die weer tot gevolg had dat de Dow Jones meer dan 140 punten daalde.

In deze mediastrijd speelt sinds kort ook Nederland een rol: het financiert de zogenoemde Syria Newsdesk, een groep enthousiastelingen die, zoals de Volkskrant schreef, ‘de eerste schreden probeert te zetten naar een onafhankelijk Syrisch persbureau’. Het is om voor de hand liggende redenen onbekend waar de redactie gehuisvest is en bij het woord ‘onafhankelijk’ kun je vraagtekens zetten maar dat terzijde. Iedereen in het Westen is ervan overtuigd dat het doel nobel is. Assad moet weg!

Ondertussen hopen beide partijen in hun mediastrijd op het aha-moment, vergelijkbaar met wat ruim twintig jaar geleden (1992) gebeurde naar aanleiding van de beroemde, gefakete foto van een vermeend concentratiekamp in Bosnië. Die foto van een broodmagere Bosnische moslim werd aanvankelijk alom gezien als het bewijs dat in voormalig Joegoslavië opnieuw gebeurde wat destijds in nazi-Duitsland gebeurd was. ‘Belsen 92’ kopte de Daily Mirror, en ‘Must it go on?’ maakte Time ervan. De gevolgen van die alomtegenwoordige overtuiging zijn bekend: Joegoslavië werd ‘onze zaak’.

Tegenwoordig zijn het vooral filmpjes die proberen de wereldopinie te mobiliseren. Vandaar dat zij de meest weerzinwekkende zaken tonen: rebellen die zogenaamd het hart van een tegenstander opeten, verminkte mensen, moordpartijen, verwoestingen. De New York Times houdt het beeldspel kritisch in de gaten. Terecht want waar en niet waar, journalistiek en propaganda, feit en manipulatie zijn voor de gemiddelde kijker niet uit elkaar te houden. Ondertussen is één ding duidelijk. Dat alle betrokkenen weten wat Vadertje Cats ook al wist maar wat door moderne communicatiemogelijkheden oneindig veel sterker is geworden: een oorlog wordt slechts ten dele met het zwaard gevoerd. Of zoals Cats het zei: ‘Het puntje van een gauwe pen/ Is ’t felste wapen dat ik ken.’